Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/3.5.3.8
3.5.3.8 Evaluatie
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS304360:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Strien meent dat deze discrepantie niet is te wijten aan de aftrek van primair rendement maar voortkomt uit het verschil in behandeling op het niveau van de uiteindelijke aandeelhouder. Zij komt namelijk voort uit het feit dat de rente bij de aanmerkelijkbelanghouder normaliter over het jaar belastbaar is, terwijl dat niet geldt voor het dividend zolang er niet wordt uitgekeerd. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 568-569. Dat moge zo zijn, feit is wel dat deze discrepantie wordt vergroot door de invoering van een aftrek voor primair rendement.
Voor een cijfermatige onderbouwing wordt verwezen naar J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 563 t/m 567.
Van Strien poneert in dit verband de vraag of dit probleem wel door Nederland moet worden opgelost: ‘Strikt genomen beantwoord ik deze vraag negatief. Er blijft immers evenwicht bestaan op binnenlands niveau. Hoe het buitenland fiscaal aankijkt tegen en omgaat met de ontvangen vergoeding voor het ter beschikking stellen van gelden, is in principe geen Nederlands probleem.’ J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 594. Kennelijk kan dit antwoord hem niet helemaal bevredigen want hij doet een korte suggestie voor een alternatief: ‘Deze discrepantie zou kunnen worden opgelost door geen aftrek van primair rendement te verlenen indien er in het buitenland geen heffing plaatsheeft over de dividenden of geen correctie plaats heeft voor de in Nederland verleende aftrek.’ J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 570. Hij werkt echter niet uit hoe een dergelijke aftrekbeperking er uit zou moeten zien. Het komt mij voor dat het dan nodig zal zijn om aan de aftrek de voorwaarde te verbinden dat het primaire rendement daadwerkelijk wordt uitgekeerd. Dit stelsel komt neer op de aftrek van een primair dividend (zie hiervoor paragraaf 3.5.2). Daarin wordt op het niveau van de vennootschap onderscheid gemaakt tussen eigen vermogen waarover geen beloning wordt uitgekeerd enerzijds en eigen vermogen waarover dat wel gebeurt en vreemd vermogen anderzijds.
Naar het mij voorkomt, zijn deze bezwaren eveneens verbonden aan het stelsel dat is voorgesteld door Heithuis, waarin de aftrek van primair rendement alleen wordt verleend over het eigen vermogen dat is aangetrokken van groepslichamen en de aftrek van de rente op leningen van groepslichamen beperkt zou blijven tot het percentage van het primaire rendement. Ej.W. Heithuis, ‘Renteaftrek in de vennootschapsbelasting: a never ending story’, NTFR 2005/1026, p. 3.
Voor het oordeel over de wenselijkheid van de invoering van een aftrek voor primair rendement is, naar het mij voorkomt, uiteindelijk beslissend of het doel wordt bereikt dat daarmee wordt beoogd. De aftrek is bedoeld om de ongelijke fiscale behandeling van eigen vermogen ten opzichte van vreemd vermogen te mitigeren. Wordt alleen de fiscale positie van de vennootschap in ogenschouw genomen, dan wordt dit doel bereikt. Dividend is immers thans niet aftrekbaar en rente wel. De invoering van een aftrek van een primair rendement draagt dus bij aan een meer gelijke behandeling van eigen vermogen aan vreemd vermogen bij de vennootschap.
Aangezien de vennootschapsbelasting in mijn opvatting behoort te berusten op de leer van het globale evenwicht, moet de fiscale positie van de vennootschap echter niet alleen op zichzelf maar ook in combinatie met die van haar aandeelhouders worden bezien. De gecombineerde belastingdruk op het dividend hoort dan gelijk te zijn aan die op de rente.
Is de aandeelhouder een aanmerkelijkbelanghouder, dan wordt het dividend in het huidige belastingstelsel belast in box 2 tegen een tarief van 25% (in 2007 geldt een tarief van 22%). De winst waaruit het dividend afkomstig is, is bij de vennootschap belast naar een tarief van maximaal 25,5%. De gecombineerde maximale belastingdruk op het dividend bedraagt dus 44,125%. Rente is aftrekbaar voor de vennootschap en wordt bij de aanmerkelijkbelanghouder belast in box 1. De gecombineerde maximale belastingdruk op de rente bedraagt derhalve 52%.
Wordt een aftrek van een primair rendement ingevoerd, dan wordt een dividend dat afkomstig is uit primair rendement belast in box 1 naar het progressieve tarief. De gecombineerde belastingdruk op dividend dat afkomstig is uit dit rendement, stijgt dan tot 52%. Eigen vermogen wordt dan in zoverre gelijk behandeld aan vreemd vermogen. Wordt het primaire rendement evenwel niet uitgekeerd, dan blijft de winst in zoverre vooralsnog onbelast. Ten opzichte van het huidige belastingstelsel zou het verschil tussen eigen vermogen en vreemd vermogen dan juist toenemen.1 Deze discrepantie is te vermijden door de reguliere voordelen voor aanmerkelijkbelanghouders uit te breiden met een forfaitair rendement dat correspondeert met de aftrek van een primair rendement die is verleend aan de vennootschap.2
Bij de particuliere aandeelhouder die geen aanmerkelijk belang heeft, worden zowel aandelen als schuldvorderingen belast in box 3 naar een forfaitair rendement van 4% en een tarief van 30%. Aangezien de rente bij de vennootschap wel in aftrek komt en het dividend niet, is de gecombineerde belastingdruk op het eigen vermogen thans dus hoger dan die op het vreemd vermogen. Deze ongelijkheid zou aanzienlijk worden verkleind wanneer een aftrek van een primair rendement wordt ingevoerd. Vanuit het perspectief van de gecombineerde druk van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting over dividend dat afkomstig is uit primair rendement, wordt eigen vermogen fiscaal dus meer gelijk behandeld aan vreemd vermogen dan thans het geval is.
Wat is de gecombineerde belastingdruk over het dividend dan wel de rente wanneer de verschaffer van het vermogen een aan vennootschapsbelasting onderworpen lichaam is? Is de aandeelhouder een vennootschap, dan wordt het dividend niet belast indien de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. In het huidige belastingstelsel wordt de winst waaruit het dividend afkomstig is, belast bij de deelneming. Is de deelneming gefinancierd met vreemd vermogen, dan kan zij de rente aftrekken van de winst. De rente is dan belast bij de crediteur. De gecombineerde druk van de vennootschapsbelasting is in het huidige belastingstelsel dus gelijk ongeacht of de deelneming met eigen vermogen of vreemd vermogen is gefinancierd.
Wordt een aftrek van een primair rendement ingevoerd, dan wordt het dividend dat daaruit afkomstig is op grond van de deelnemingsvrijstelling vrijgesteld bij de moedervennootschap terwijl een aftrek is verleend aan de dochtervennootschap. Over de winst waaruit het dividend afkomstig is, wordt dan geen vennootschapsbelasting geheven. De moedervennootschap kan er echter ook voor kiezen om haar dochtervennootschap met vreemd vermogen in plaats van eigen vermogen te financieren. De rente is dan bij de moedervennootschap onderworpen aan vennootschapsbelasting en aftrekbaar bij de dochtervennootschap. Op het eerste gezicht is de moedervennootschap dus slechter af wanneer zij haar dochtervennootschap met vreemd in plaats van eigen vermogen financiert. Dat is echter slechts schijn, aangezien de moedervennootschap een hogere aftrek voor primair rendement geniet wanneer zij haar dochter met vreemd vermogen financiert. Zij hoeft deze financiering immers niet af te trekken van het eigen vermogen dat de basis vormt voor de berekening van het primaire rendement. Had zij haar dochtervennootschap met eigen vermogen gefinancierd, dan zou zij ten belope van dit bedrag wel zijn geconfronteerd met een reductie van de basis waarover de aftrek wordt verleend. De belastingheffing over de rente wordt bij de moedervennootschap daarom gecompenseerd door een hogere aftrek van primair rendement.3 De gecombineerde druk van de vennootschapsbelasting is dus ook na de invoering van de aftrek voor een primair rendement gelijk ongeacht of de deelneming met eigen vermogen of vreemd vermogen is gefinancierd.
Behoort een gelijke gecombineerde belastingdruk op het dividend en de rente in binnenlandse verhoudingen tot de mogelijkheden, in grensoverschrijdende situaties is dit minder vanzelfsprekend. Zo is het denkbaar dat het tarief van de inkomstenbelasting over het dividend bij de buitenlandse particuliere vermogensverschaffer, evenals in box 2 van de Wet IB 2001, lager is dan het tarief over de rente. Het lagere tarief over het dividend berust dan op de veronderstelling dat de winst waaruit het dividend afkomstig is, reeds is getroffen door vennootschapsbelasting. Is het dividend evenwel afkomstig uit aftrekbaar primair rendement, dan is deze veronderstelling onjuist. Verder is het mogelijk dat dividend dat afkomstig is uit aftrekbaar primair rendement bij een buitenlandse verschaffer van vermogen die aldaar is onderworpen aan vennootschapsbelasting, is vrijgesteld op grond van een deelnemingsvrijstelling. Bovendien kan de buitenlandse belastingheffing worden uitgesteld wanneer het aftrekbare primaire rendement niet wordt uitgekeerd. In deze gevallen is de gecombineerde belastingdruk op het dividend lager dan die op de rente.
De andere staat kan deze ongelijkheid wegnemen, bijvoorbeeld door zijn wetgeving conform de Nederlandse regels (zoals hierboven beschreven) aan te passen. Wanneer deze staat evenwel geen aftrek van een primair rendement invoert, ligt dat niet voor de hand. In grensoverschrijdende situaties leidt de invoering van een aftrek van een primair rendement er daarom naar mijn mening juist toe dat eigen vermogen fiscaal wordt bevoordeeld boven vreemd vermogen.4
Samenvattend heeft de invoering van een aftrek voor primair rendement als voordeel dat eigen vermogen en vreemd vermogen op het niveau van de vennootschap meer gelijk worden behandeld. Vanuit het perspectief van de vennootschap en de vermogensverschaffer gezamenlijk kan dit doel worden bereikt als de aftrek in binnenlandse verhoudingen wordt bezien. Daarnaast kunnen de beperkingen van de aftrek van de rente, met uitzondering van art. 10, lid 1, onderdeel j, worden geschrapt. Dat betekent evenwel niet dat de uitholling van de belastinggrondslag die thans door middel van deze aftrekbeperkingen wordt bestreden, zich niet meer kan voordoen. Deze regels kunnen alleen maar vervallen omdat de erosie van de grondslag die zij bestrijden in een stelsel waarin de aftrek van een primair rendement wordt toegestaan, wordt geaccepteerd. In grensoverschrijdende situaties leidt de eenzijdige invoering van de aftrek bovendien tot een meer ongelijke behandeling van het eigen en het vreemd vermogen. Om deze redenen is de invoering van een aftrek van een primair rendement, naar het mij voorkomt, ongewenst.5