Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.4.3
V.4.3 Informele taakverdeling
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242831:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Idem Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/185. Zie over deze verschillende mogelijkheden uitgebreid Mussche 2017, p. 427-431.
Nowak, WPNR 2014/7014, p. 348.
Ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/441; Borrius 2012, p. 113; De Groot, O&F 2013, afl. 1, p. 7-9; en Van Olffen 2009, p. 31, lijken deze mening te zijn toegedaan. Zij geven aan dat de taakverdeling in een one tier board in een besluit of reglement kan worden uitgewerkt, mits voor die uitwerking een statutaire basis bestaat. Hieruit leid ik af dat voornoemde auteurs de statutaire bepaling die vereist is voor de instelling van het monistische bestuursmodel daartoe ontoereikend achten.
Idem Calkoen, Ondernemingsrecht 2014/4. Zie art. 16.1 van de statuten van Altice Europe NV d.d. 6 november 2019; art. 13.1 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017; art. 13.1 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016; art. 15.1 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019; en art. 19.2 van de statuten van Unilever NV d.d. 9 mei 2012.
Zie art. 22.2 van de statuten van Altice Europe NV d.d. 6 november 2019; art. 14 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017; art. 16 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016; art. 18 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019; en art. 23 van de statuten van Unilever NV d.d. 9 mei 2012.
Idem Van Olffen, De Kluiver & Legein 2012, p. 30.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 15 (MvA). Voor de taakverdeling tussen de gezamenlijke uitvoerende bestuurders en de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders lijkt de minister de mogelijkheid van een informele taakverdeling evenwel niet te erkennen.
Mussche 2017, p. 433.
Idem De Groot, O&F 2013, afl. 1, p. 9.
Zie bijvoorbeeld art. 22.2 van de statuten van Altice Europe NV d.d. 6 november 2019; art. 14.6 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017; art. 16.4 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016; art. 18.2 en 18.3 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019; en art. 23.5 van de statuten van Unilever NV d.d. 9 mei 2012.
Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/185; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 215; Huizink, GS Rechtspersonen,art. 2:9 BW, aant. 12.3; Mussche 2017, p. 427-431; Schild & Timmerman, WPNR 2014/7011, p. 273; en Schuijling & Kortmann 2017, p. 403-404.
Zie art. 2:9 lid 1 BW. In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/185; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 215; en Van Olffen, De Kluiver & Legein 2012, p. 30.
Zie § VII.3.2.5.b. In gelijke zin onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/185; Huizink, GS Rechtspersonen,art. 2:9 BW, aant. 12.3; Lennarts & Roest 2016, p. 136; Mussche 2017, p. 433; en Schuijling & Kortmann 2017, p. 404.
Zie bijvoorbeeld De Groot, O&F 2013, afl. 1, p. 9; Huizink 2011, p. 8; Mussche 2017, p. 425-433; en Van Olffen 2009, p. 28-29; die zijn standpunt herhaalt in Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 7 (MvT).
Mussche 2017, p. 427.
De formulering van het eerste lid van art. 2:9 BW doet vermoeden dat de taakverdeling tussen de bestuurders steeds op de wet of de statuten moet berusten. Heeft de wetgever door in art. 2:9 lid 1 BW te bepalen dat de taakverdeling ‘bij of krachtens de wet of de statuten’ kan geschieden, de mogelijkheden tot taakverdeling formeel begrensd? Is een taakverdeling die niet op de wet of de statuten is gebaseerd met andere woorden ongeldig?
Ondanks dat uit art. 2:9 lid 1 BW volgt dat de taakverdeling binnen het bestuur ‘bij of krachtens de wet of de statuten’ kan geschieden, is het nog altijd goed voorstelbaar dat de taken binnen het bestuur zijn verdeeld zonder dat een wettelijke of statutaire basis voor een taakverdeling voorhanden is. De taakverdeling kan bijvoorbeeld feitelijk gegroeid zijn. Denkbaar is ook dat de taken bij bestuursbesluit of in het bestuursreglement zijn verdeeld zonder dat de statuten in een grondslag voor een taakverdeling voorzien.1 Volgens Nowak kan de taakverdeling zelfs in een overeenkomst worden opgenomen.2 Een taakverdeling die niet op de statuten is gebaseerd, duid ik aan met de term ‘informele taakverdeling’.
Ook in een one tier board kan de taakverdeling informeel van aard zijn. Op grond van art. 2:129a/239a lid 1 BW moeten de statuten weliswaar bepalen dat de taken worden verdeeld over één of meer uitvoerende bestuurders en één of meer niet-uitvoerende bestuurders, maar dit wil niet zeggen dat een statutaire basis voor een taakverdeling bij een vennootschap met een monistisch bestuursmodel steeds voorhanden is. De bepaling die vereist is voor de instelling van het monistische bestuursmodel, zal namelijk niet altijd volstaan als statutaire grondslag voor een uitwerking van de taakverdeling.3
De statuten van alle beursvennootschappen met een monistisch bestuursmodel bevatten de bepaling dat het bestuur bestaat uit uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders of een bepaling van gelijke strekking.4 Een dergelijke bepaling is weliswaar toereikend voor de invoering van het monistische bestuursmodel, maar niet voor een taakverdeling binnen het bestuur. De taakverdeling berust bij deze vennootschappen dan ook steeds op een andere statutaire bepaling.5
Het is uiteraard denkbaar dat de statutaire bepaling die vereist is voor de instelling van de one tier boardstructuur zodanig wordt vormgegeven dat zij tevens als grondslag voor een taakverdeling tussen de gezamenlijke uitvoerende bestuurders en de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders kan dienen. In dat geval is een afzonderlijke statutaire basis voor de taakverdeling niet vereist.6
Volgens de minister is de taakverdeling tussen de uitvoerende bestuurders en de niet-uitvoerende bestuurders onderling steeds informeel van aard. Een statutaire grondslag voor de taakverdeling is op dit niveau niet vereist, aldus de minister.7 In navolging van Mussche meen ik dat de taakverdeling tussen de uitvoerende respectievelijk niet-uitvoerende bestuurders onderling inderdaad informeel van aard kan zijn.8 Maar dat is gelet op art. 2:9 lid 1 BW niet het uitgangspunt.9 Ook in de praktijk niet. Bij het merendeel van de beursvennootschappen met een monistisch bestuursmodel berust de taakverdeling tussen de niet-uitvoerende bestuurders onderling eveneens op de statuten.10
Nu ik heb vastgesteld dat de taken in een monistisch bestuur informeel verdeeld kunnen worden, is het interessant te bezien wat de status is van een taakverdeling zonder wettelijke of statutaire grondslag. Net als het gros van de auteurs ben ik van oordeel dat een informele taakverdeling geldig is.11 Zijn de taken informeel verdeeld, dan behoren formeel niettemin alle bestuurstaken tot het takenpakket van iedere bestuurder. Ik breng in herinnering dat het takenpakket van de bestuurder op grond van art. 2:9 lid 1 BW bestaat uit alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten zijn verdeeld.12
Komt aan een informele taakverdeling dan wel betekenis toe? Ja. Ook een informele taakverdeling beantwoordt mijns inziens aan het doel van het verdelen van taken. Zo komt een informele taakverdeling net als een formele taakverdeling de effectiviteit en efficiëntie binnen het bestuur ten goede.13 Verder kan ook een taakverdeling die niet op de wet of de statuten berust een rol spelen in eventuele aansprakelijkheidsprocedures en gevolgen hebben voor de onderlinge draagplicht van de aansprakelijke bestuurders.14
In de literatuur wordt tegen deze achtergrond de vraag gesteld wat het nut is van het voorschrift dat de taakverdeling ‘bij of krachtens de wet of de statuten’ moet geschieden.15 De wetsgeschiedenis leert dat voor deze formulering is gekozen, zodat veel vrijheid bestaat om tot een taakverdeling te komen en iedere bestuurder hier eenvoudig van kan kennisnemen.16 Net als Mussche vind ik het eerste argument niet overtuigend. Door te eisen dat de taakverdeling op de wet of de statuten berust, wordt de vrijheid om tot een taakverdeling te komen juist beperkt.17 Snijdt het tweede argument dan wel hout? Is met andere woorden voor de kenbaarheid van de taakverdeling noodzakelijk dat zij op een wettelijke of statutaire grondslag is gebaseerd?