Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.3.2
19.3.2 Ongeoorloofde vermogensonttrekkingen
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS408019:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman 1990, p. 17.
Zie ook Wessels Insolventierecht IV, 3e druk, 2010, nr. 4191-4193.
In de juridische literatuur is stevig gedebatteerd over deze Peeters/Gatzen-vordering, onder meer over de vraag of deze vordering, of de opbrengst van de vordering, in de boedel valt. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt inmiddels dat de vordering toekomt aan de gezamenlijke schuldeisers, niet in de boedel valt, maar dat de opbrengst van de vordering wél in de boedel valt (zie HR 14 januari 1983, NJ 1983, 597(Peeters q.q./Gatzen), HR 16 september 2005, JOR 2006/52 (De Bont/Bannenberg q.q.), HR 24 april 2009, RvdW 2009, 579 (Dekker q.q./Lutèce) en HR 14 januari 2011, NJ 2011, 366 (Butterman q.q./Rabobank). Zie hierover kritisch Verstijlen 2009, p. 103: “Qua theorievorming is de gekozen constructie een gedrocht”. Zie over de Peeters/Gatzen-vordering onder andere:Wessels 2011, Janssen& Boeve 2009, Van Andel 2006, Van Hooff 2006 en Verstijlen 2002.
De tweede categorie gevallen van indirecte doorbraak betreft die waarin de aandeelhouder zich een ongerechtvaardigde voorsprong verschaft ten aanzien van de overige crediteuren, ook wel door Timmerman de categorie van de ongeoorloofde vermogensonttrekkingen genoemd.1 In deze gevallen onttrekt de aandeelhouder – in zijn hoedanigheid van aandeelhouder of crediteur – vermogen aan de vennootschap, terwijl hij op dat moment ernstig rekening moet houden met de mogelijkheid van een tekort. In de paragrafen 19.5 en 19.6 zal nader worden ingegaan op deze aansprakelijkheid.
Een ongeoorloofde vermogensonttrekking veroorzaakt een andersoortige benadeling dan een ongeoorloofde voortzetting van verlieslatende activiteiten. Onttrekkingen leiden niet tot de benadeling van een specifieke groep crediteuren waarvan de vorderingen na een zeker peilmoment zijn ontstaan, maar tot benadeling van de gezamenlijke – oude en nieuwe – crediteuren van de vennootschap. Bij ongeoorloofde onttrekkingen gaat het om handelingen met doorgaans een paulianeus karakter die resulteren in een vermindering van het verhaalsvermogen van de vennootschap. Hieruit volgt dat een curator wel tegen een aandeelhouder kan ageren in het geval van een ongeoorloofde vermogensonttrekking, maar dat hij deze mogelijkheid niet heeft als hij de aandeelhouder het verwijt maakt de verlieslatende activiteiten te hebben voortgezet.2 In het eerstgenoemde geval maakt de curator gebruik van de bevoegdheid om een vordering uit onrechtmatige daad in te stellen tegen een derde – in dit geval de aandeelhouder – die betrokken was bij een benadeling van de gezamenlijke schuldeisers.3 In de rechtspraak van de Hoge Raad is uitgemaakt dat de curator een zogenoemde Peeters/Gatzen-vordering uitsluitend kan instellen als de derde een norm heeft geschonden die de verhaalsbelangen van de – als eenheid gedachte – gezamenlijke schuldeisers beoogt te beschermen.