Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.6.4.2:16.6.4.2 Vaste (bouw)renten
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.6.4.2
16.6.4.2 Vaste (bouw)renten
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403531:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het verbod op het bedingen van vaste renten bleef in de nieuwe wet gehandhaafd, zij het dat in art. 41 WvK 1928 daarop één uitzondering werd gemaakt. De wetgever achtte het voor de praktijk wenselijk dat voor de tijd dat de uitoefening van het bedrijf nog niet ten volle was aangevangen, en dus ook van winst nog geen sprake kon zijn, de aandeelhouders rente over het door hen verschafte kapitaal konden bedingen. Hieraan kon behoefte bestaan bij cultuurondernemingen, spoorwegmaatschappijen en andere bedrijven die pas na enige tijd vruchten afwierpen.1 De wet stond dergelijke ‘bouwrenten’ daarom toe, onder de voorwaarde dat de betaling daarvan alleen geoorloofd was in de periode dat de vennootschap nog niet met de uitoefening van haar activiteiten was begonnen. Daarnaast diende de akte van oprichting de rentevoet te bepalen (die niet meer mocht zijn dan vijf procent) en het maximaal aantal jaren waarin de rente zou worden betaald (dat niet meer dan vier mocht zijn). Niet verdiende bouwrenten werden als verlies aangemerkt; zij moesten dan ook na aanvang van het bedrijf zijn terugverdiend, alvorens tot de betaling van dividend kon worden overgegaan.2