De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/8.1:8.1 Inleiding
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/8.1
8.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS377514:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk beantwoord ik de vierde deelvraag die luidt: Welke rol komt de rechter toe bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van een vordering tot nakoming'? Als de rechter bevoegd is een vordering tot nakoming af te wijzen, omdat een alternatief hem redelijker voorkomt, kan de primaire plaats van het recht op nakoming worden ondermijnd. Aan de andere kant kan de rechter door middel van een actief toe- en afwijzingsbeleid beter maatwerk leveren. De vraag die in dit hoofdstuk centraal staat, is in hoeverre de rechter beleidsvrijheid heeft en dient te hebben bij de beslissing een vordering tot nakoming toe of af te wijzen. Het uitgangspunt in de onderzochte continentale stelsels is, dat de rechter een uiterst beperkte discretionaire bevoegdheid heeft. In de `common law' stelsels daarentegen heeft de rechter een veel verdergaande discretionaire bevoegdheid om een vordering tot nakoming af te wijzen. In par. 8.2 bespreek ik op welke onderdelen de rechter de vordering tot nakoming ingrijpender dient te toetsen en op welke punten hij zich terughoudender moet opstellen. In par. 8.3 sluit ik af met een conclusie.