Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/5.5
5.5 Gezag van gewijsde van onmiddellijke voorzieningen in procedures over contractuele rechtsverhoudingen van de rechtspersoon
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196996:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In 5.3 en 5.4 zijn argumenten tegen de toepasselijkheid van het gezag van gewijsde op beslissingen in de eerste fase van de enquêteprocedure en beslissingen over onmiddellijke voorzieningen behandeld.
In nt. 24 bij nr. 165 zijn twee andere situaties vermeld waarin het gezag van gewijsde een rol kan spelen in verband met beschikkingen.
2.5.2.
HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, ARO 2003/97 (Scheipar), r.o. 3.3.2: “Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen”. Zie ook 2.5.3.
5.2. Behoorlijke oproeping is ook van belang voor de vraag of een belanghebbende kan worden ontvangen in zijn (cassatie-)beroep. Dat kan worden afgeleid uit HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, ARO 2019/127 (Xeikon), r.o. 3.1. De Ondernemingskamer had geoordeeld dat belanghebbende T (naast anderen) verantwoordelijk was voor een deel van het vastgestelde wanbeleid. In een verbeterbeschikking oordeelde zij dat T ook voor een ander deel van het vastgestelde wanbeleid verantwoordelijk was. T was niet verschenen in de 'verbeterprocedure’ (het onderdeel van de procedure dat leidde tot de verbeterbeschikking). Hij werd ontvangen in zijn cassatieberoep, omdat hij naar het oordeel van de Hoge Raad buiten zijn schuld niet was verschenen in de verbeterprocedure; hij was niet deugdelijk opgeroepen door de Ondernemingskamer.
De contractuele wederpartij kan zich eigener beweging als belanghebbende melden in de enquêteprocedure. Vrees dat het gezag van gewijsde in een latere procedure met succes tegen hem zal worden ingeroepen, hoeft hem daar mijns inziens niet van te weerhouden (zie de observaties in nr. 174).
De bestuurder is qualitate qua bij de interne verhoudingen betrokken, terwijl zijn overeenkomst met de rechtspersoon naar haar aard extern is (nr. 38). Dit voorbeeld wordt in 9.2 uitvoeriger besproken.
3.7.
[171] Onderzoeksvraag b. stelt aan de orde welke vorderingen de wederpartij van de rechtspersoon met succes kan instellen als een onmiddellijke voorziening de rechtspersoon belet zijn contractuele verplichting na te komen. In dat verband wordt in deze paragraaf onderzocht of de onmiddellijke voorziening gezag van gewijsde kan hebben tegenover de contractpartners van de rechtspersoon. Daarbij wordt omwille van het betoog, net als in nr. 170, de toepasselijkheid van het gezag van gewijsde in de eerste fase verondersteld.1 Het gaat hier om een beroep door de rechtspersoon op het gezag van gewijsde van een bij beschikking getroffen voorziening, in een latere contradictoire procedure.2 Kan de rechtspersoon het gezag van gewijsde van onmiddellijke voorzieningen inroepen tegenover zijn contractpartner in latere gedingen? Een bevestigend antwoord zou meebrengen dat de voorziening in die gevallen de facto voorrang heeft (het tweede scenario) – het thema van onderzoeksvraag f.
[172] Voor (rechts)personen met een contractuele rechtsverhouding tot de rechtspersoon geldt, dat de onmiddellijke voorziening voor hen slechts bindende kracht kan hebben op grond van het gezag van gewijsde, indien deze procespartij in de enquêteprocedure zijn geweest.3 Dan zou in een latere procedure tussen hen en de rechtspersoon over de contractuele verhouding, de voorziening aan hen kunnen worden tegengeworpen. Het is niet vanzelfsprekend dat contractspartijen van de rechtspersoon betrokken zijn in de enquêteprocedure. Als ze niet behoren tot een categorie enquêtegerechtigden, kunnen ze niet als verzoeker in de procedure optreden.4 Om als belanghebbende tot de enquêteprocedure te worden toegelaten, dient de contractuele wederpartij te voldoen aan het criterium om als zodanig te worden aangemerkt.5 Voor toepassing van het gezag van gewijsde jegens de contractspartij, is niet doorslaggevend of hij aan dat criterium voldoet; beslissend is of hij behoorlijk is opgeroepen.6 Als (bij aanvang van de enquêteprocedure) niet onderkend wordt dat een contractspartij als belanghebbende kan worden aangemerkt, zal hij niet worden opgeroepen.7
Er zijn ook partijen die zowel een contractuele – externe – als een interne rechtsverhouding met de rechtspersoon hebben. Een voorbeeld is de bestuurder die een managementovereenkomst met de rechtspersoon heeft gesloten.8 Deze figuren worden uit hoofde van hun interne betrokkenheid opgeroepen als belanghebbende. Een beroep op het gezag van gewijsde van een onmiddellijke voorziening is daarom – afgezien van de besproken beletsels – kansrijker tegenover contractuele wederpartijen die betrokken zijn bij de interne verhoudingen.
In hoofdstuk 9 komen onmiddellijke voorzieningen aan de orde, waarvan de invloed zich uitstrekt tot contractuele verhoudingen van de rechtspersoon met zijn intern betrokkenen, in het bijzonder bestuurders. Daar zal worden opgemerkt, dat de uiteindelijk getroffen maatregel soms slechts zijdelings aandacht krijgt in het partijdebat in de enquêteprocedure. Ik meen dat dit verschijnsel een (extra) beletsel vormt voor een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde van zo’n maatregel.
[173] De ‘rechtsbetrekking’ die voorligt in de latere contradictoire procedure tussen de rechtspersoon en zijn contractpartner, is hoogstwaarschijnlijk niet beoordeeld in de enquêteprocedure. Bij de beslissing over voorzieningen gaat het om de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek.9 Indien in zo’n beslissing een contractuele verplichting van de rechtspersoon wordt betrokken, gebeurt dat in dat kader. De verplichting zelf – haar aard en inhoud – staat dan niet ter discussie, ook niet als de Ondernemingskamer het nakomen van de verplichting tijdelijk verbiedt. Een debat over de verplichting is niet nodig. De veronderstelling dat de verplichting bestaat is voor het nemen van de maatregel voldoende. In het latere geding wordt het besliskader niet gevormd door de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek, en het belang van de rechtspersoon staat daarin niet vanzelfsprekend voorop. Het gaat in dat latere geding over de vermogensrechtelijke verhouding. Het ligt daarom bepaald niet voor de hand dat het geschilpunt in die latere procedure in wezen al in de onmiddellijke voorziening-beslissing is beslecht. Ook dat zal meestal in de weg staan aan een succesvol beroep op het gezag van gewijsde van een onmiddellijke voorziening in een procedure over een contractuele verplichting.
[174] Het voorgaande (5.4 en 5.5) leidt tot de volgende observaties. De procedure die tot een onmiddellijke voorziening leidt heeft kortgedingachtige trekjes. De procedurele waarborgen zijn beperkt en de partijautonomie staat onder druk. De beslissing is in formele zin een definitief oordeel, maar materieel kunnen de oordelen die aan de beslissing ten grondslag liggen nauwelijks definitief genoemd worden. In 5.4 heb ik op grond van die karakteristieken van de procedure betwijfeld of het gezag van gewijsde wel toepasselijk kan zijn. De bijzonderheden, die zich voordoen als de tweede procedure bestaat uit een contradictoire procedure tussen de rechtspersoon en zijn wederpartij over een contractuele verplichting die met een onmiddellijke voorziening conflicteert, werpen extra hindernissen voor een geslaagd beroep door de rechtspersoon op het gezag van gewijsde van de onmiddellijke voorziening. Al met al acht ik het onaannemelijk dat een onmiddellijke voorziening gezag van gewijsde heeft in een geding tussen de rechtspersoon en zijn wederpartij over een contractuele verplichting. Dat betekent dat het gezag van gewijsde het succes van vorderingen van de wederpartij niet beperkt (vergelijk onderzoeksvraag b.). Het thema van het gezag van gewijsde onthult ook geen rangorde tussen contractuele verplichtingen van de rechtspersoon en verplichtingen uit onmiddellijke voorzieningen (vergelijk onderzoeksvraag f.). Het thema levert geen aanwijzingen op voor de geldigheid van de scenario’s een en twee.