Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.5.3
3.5.3 De beperking tot immateriële activa
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630444:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 12 mei 1999, nr. AFP 99/190; VN 1999/25.14.
Zie ook S.A. Stevens 2017.
Zie ook S.A. Stevens 2003 pagina 354. Hij is van mening dat indien het de bedoeling van de wetgever is om de concurrentieverhoudingen per direct te normaliseren, een vorm van een goodwillverbod inderdaad op zijn plaats is. Het ligt zijns inziens dan meer voor de hand om het goodwillverbod over te nemen naar alle activa. Een overheidsbedrijf geniet immers ook een concurrentievoordeel indien het de andere vermogensbestanddelen mag waarderen op de waarde in het economische verkeer in plaats van de boekwaarde.
In de inkomstenbelasting geldt nog wel steeds dat tot 50% van de WOZ-waarde kan worden afgeschreven bij eigen gebruik van het vastgoed.
De immateriële activa van overheidsondernemingen en woningcorporaties mogen derhalve niet worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Voor andere vermogensbestanddelen geldt deze uitzondering niet. De staatssecretaris heeft in de Contourenschets verruiming vennootschapsbelastingplicht voor overheidsbedrijven bevestigd dat bij materiële vaste activa wel over de waarde ten tijde van de sfeerovergang mag worden afgeschreven:1
‘Indien bijvoorbeeld een pand in de belastingvrije periode in waarde is gestegen, wordt dit pand op de werkelijke waarde op de datum van de aanvang van de belastingplicht gewaardeerd. Er mag worden afgeschreven op basis van deze werkelijke waarde. Bij verkoop wordt niet geheven over de waardestijging die is gerealiseerd in de periode voor de aanvang van de belastingplicht.
De kostprijs van het pand is niet relevant. Het is niet van belang welk bedrag aan derden is betaald. Ook voorzover de werkelijke waarde op de openingsbalans hoger is dan de kostprijs mag op basis van deze hogere waarde op het pand worden afgeschreven. Dit wordt niet gezien als het behalen van een incidenteel voordeel.’
De staatssecretaris verliest in bovenstaand citaat echter uit het oog dat de belastingplichtigen door de waardering van de andere vermogensbestanddelen wel degelijk een voordeel behalen dat vergelijkbaar is met afschrijven op goodwill. De belastingplichtigen die worden geconfronteerd met een sfeerovergang krijgen immers extra afschrijvingspotentieel, zonder dat daarvoor iets door de onderneming is opgeofferd. Andere belastingplichtigen hebben dit voordeel niet, zodat sprake kan zijn van een verstoring van de concurrentieverhoudingen. Ik zal dit illustreren aan de hand van een voorbeeld:
Een lichaam schaft in jaar 1 een vermogensbestanddeel aan voor een bedrag ad €1.000.000.
In jaar 5 wordt het lichaam belastingplichtig en is de waarde in het economische verkeer €1.200.000.
Op de fiscale openingsbalans wordt het vermogensbestanddeel gewaardeerd op €1.200.000. De afschrijving wordt ook op basis van deze hogere waarde berekend, waardoor het lichaam €36.000 afschrijvingskosten ten laste van het resultaat brengt (uitgaande van een afschrijvingspercentage van 3%).
Als het lichaam vanaf jaar 1 belastingplichtig was geweest, dan had ze maximaal €30.000 afschrijvingskosten ten laste van het resultaat kunnen brengen (3% van €1.000.000).
Het lichaam heeft derhalve een “afschrijvingsvoordeel” van €6.000 per jaar.
Het vermogensbestanddeel wordt verkocht begin jaar 10 voor een bedrag ad €1.500.000.
Als we de belastingheffing van het lichaam dat belastingplichtig wordt vanaf jaar 5 vergelijken met de belastingheffing bij een lichaam dat vanaf jaar 1 belastingplichtig was en precies dezelfde werkzaamheden verricht, dan leidt dit tot de volgende uitkomst:2
Lichaam 1
Lichaam 2
Verschil
Belastingplichtig vanaf moment van oprichting
Belastingplichtig vanaf 5 jaar
Afschrijvingen jaar 1/5
€
-150.000
€
Afschrijvingen jaar 5/10
€
-150.000
€
-180.000
€
30.000
Verkoopwinst
€
800.000
€
480.000
€
320.000
Totale belastingplicht
€
500.000
€
300.000
€
200.000
Per saldo blijft de vermogensmutatie die is ontstaan in de onbelaste periode bij lichaam 2, buiten de heffing. De totaalwinst wordt derhalve op een juiste wijze vastgesteld. De vermogensmutatie ad € 200.000 is immers niet toerekenbaar aan de belaste periode. Het is mij niet duidelijk waarom het activeren en afschrijven op immateriële vaste activa tegen de werkelijke waarde wel tot een voordeel kan leiden die een verstoring van de concurrentieverhoudingen tot gevolg heeft en het afschrijven over overige vermogensbestanddelen niet.3 In het laatste geval wordt de winst immers ook de eerste vijf jaar verlaagd doordat er bij wijze van fictie wordt uitgegaan dat het vermogensbestanddeel is verkregen op het moment van de sfeerovergang. Een vergelijkbaar lichaam heeft ook niet de mogelijkheid om deze hogere afschrijvingen ten laste van het resultaat te brengen. Door de hoge afschrijvingslasten heeft lichaam 2 in de eerste jaren van belastingplicht een voordeel ten opzichte van lichaam 1. Volledigheidshalve merk ik op dat ik de bodemwaarde in dit voorbeeld buiten beschouwing heb gelaten. Op grond van artikel 3.30a Wet IB 2001 kunnen belastingplichtigen nog maar tot 100% van de WOZ-waarde afschrijven.4 Een neveneffect hiervan is dat de afschrijvingsverschillen minder zullen worden. Voor andere vermogensbestanddelen geldt dit probleem nog wel in volle omvang.
Mijns inziens kan het doel van artikel 33 Wet Vpb 1969 enkel worden bereikt als voor alle vermogensbestanddelen geldt dat slechts kan worden afgeschreven over de oorspronkelijke kostprijs. Om terugwerkende kracht te voorkomen, dient de vermogensmutatie die is ontstaan in de onbelaste periode wel buiten de heffing te blijven. Er zal daarom moeten worden bepaald dat er wel een waardering tegen waarde in het economische verkeer plaatsvindt, maar de afschrijvingen niet worden toegestaan over de fiscale herwaardering. In casu zou lichaam 2 dan zijn afschrijving berekenen over de waarde van € 1.000.000 en zou bij realisatie een bedrag ad € 200.000 worden vrijgesteld. Indien in de belaste periode blijkt dat de waarde substantieel is gedaald ten opzichte van de waarde in het economische verkeer, dan kan op grond van goed koopmansgebruik een afwaardering plaatsvinden. Ook in de omgekeerde situatie – als er een waardedaling heeft plaatsgevonden in de onbelaste periode – zou moeten worden afgeschreven over de (hogere) aanschafprijs, om te voorkomen dat sprake is van een concurrentienadeel.