Billijkheidsuitzonderingen
Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/7.3.3:7.3.3 Corrigerende interpretatie: constitutionele beperkingen in theorie
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/7.3.3
7.3.3 Corrigerende interpretatie: constitutionele beperkingen in theorie
Documentgegevens:
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS361971:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 3, par. 3.5.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook voor corrigerende interpretatie gelden constitutionele beperkingen.1
Voorop staat dat (alle) gekunstelde interpretaties moeten worden voorkomen. Hoewel verschillende interpretatiemethoden algemeen geaccepteerd zijn en de tekst van een voorschrift daardoor niet doorslaggevend hoeft te zijn, moet worden voorkomen dat interpretaties te ver afwijken van de betekenis die de woorden van een wettelijk voorschrift in het normale (juridische) spraakgebruik hebben. Hoe meer wordt afgeweken van de tekst van een voorschrift, des te groter de kans is dat deze gekunsteld (onnatuurlijk, gezocht) genoemd kan worden. Onnatuurlijke interpretaties zijn niet fraai: het is niet te verdedigen dat de woorden van een wettelijk voorschrift feitelijk geen waarde hebben omdat zij op elke mogelijke wijze uitgelegd kunnen worden. In plaats van voor een gekunstelde corrigerende interpretatie kan beter worden gekozen voor een uitzondering.
Ook interpretaties die niet in lijn zijn met de bedoeling van de wetgever zijn in beginsel onwenselijk. Zou de rechter niet in een bepaalde mate gebonden zijn aan de bedoeling van de wetgever (zoals die meestal in de tekst van een wettelijk voorschrift tot uitdrukking komt), dan zou wetgeving haar waarde verliezen, doordat de wetgever feitelijk geen invloed meer zou hebben op haar betekenis. Het primaat zou niet meer bij hem liggen, maar bij de rechter. De machtenscheiding zou verdwijnen, en wetgeving zou geen rechtszekerheid meer bieden. Dit ‘beginsel van getrouwe toepassing van wetgeving’, zoals ik dat noem, volgt ook uit artikel 11 Wet AB, waar is bepaald dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken (en in geen geval de innerlijke waarde van de wet mag beoordelen). Als alléén een gekunstelde interpretatie overeenstemt met de bedoeling van de wetgever, kan dat in uitzonderlijke gevallen reden zijn om gekunsteldheid van de interpretatie te aanvaarden. Daarvoor gelden echter zware eisen (die nog strenger zijn als de interpretatie op gespannen voet staat met het legaliteitsbeginsel). De wetgever mag nooit hebben gewild dat een voorschrift tekstueel zou worden uitgelegd.
De resultaten van corrigerende interpretatie zijn vergelijkbaar met een billijkheidsuitzondering. Daarom dienen voor beide methoden dezelfde constitutionele eisen te gelden. Net zoals bij uitzonderingen moet onderscheid gemaakt worden tussen formele en lagere wetgeving. Voor corrigerende interpretaties van formele wetgeving geldt de constitutionele beperking dat ze niet zijn toegestaan vanwege reeds door de wetgever verdisconteerde omstandigheden. Dit volgt uit een passage in de grondwetsgeschiedenis waarin wordt gesteld dat door interpretatie de onschendbaarheid van de wet die volgt uit artikel 120 Gw niet mag worden doorkruist, en uit een analoge toepassing van rechtsoverweging 3.9-Harmonisatiewetarrest (op gevallen waarin interpretatie een vergelijkbaar resultaat heeft als de uitzonderingen waarop de overweging van de Hoge Raad zag). Corrigerende interpretaties van lagere wetgeving zijn ook toegestaan vanwege door de regelgever verdisconteerde omstandigheden, zolang de rechter hierin maar terughoudend is (vanwege zijn positie in het Nederlandse staatsbestel, die ook uit artikel 11 Wet AB blijkt). Dan is een uitzondering echter niet mogelijk als alternatief. Bij interpretaties vanwege niet-verdisconteerde omstandigheden hoeft geen terughoudendheid te worden betracht (hoewel gekunstelde interpretaties natuurlijk onwenselijk blijven).