Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/3.5
3.5 Activiteit als verlengstuk economische activiteit
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291345:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 11 juli 1996, zaak C-306/94, BNB 1997/38, m.nt. Van Hilten, r.o. 18 (Régie Dauphinoise).
Deze term ontleen ik aan: W.J. Blokland, Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 71.
Ook buiten de (Europese) btw komt dit voor. Zo worden in de Nederlandse vennootschapsbelasting (Vpb) activiteiten geclusterd die onlosmakelijk met elkaar verweven zijn. Ook de ruimtelijke vormgeving, de aard van de activiteiten en de organisatorische, economische en/of financiële verwevenheid zijn in de Vpb indicaties voor clustering van de activiteiten (‘Schema Afbakening’ van de SVLO van 2 juni 2015, p. 3, https://vng.nl/files/vng/publicaties/2015/2015100-_schema-afbakening.pdf, geraadpleegd op 2 april 2021). Zie hierover nader: N.M.A. van Kreveld en A.O. Lubbers, ‘De ondernemingstoets: de invulling van het begrip “activiteit”’, WFR 2018/68, p. 476-477. Dat Kreveld en Lubbers de criteria voor de (on)zelfstandigheid van activiteiten in de Vpb in dit artikel vergelijken met de ‘CPP-criteria’ in de Europese btw (zie paragraaf 4.4) acht ik overigens een vergelijking van appels met peren. Laatstgenoemde criteria hebben geen betrekking op de (on)zelfstandigheid van activiteiten, maar op de (on)zelfstandigheid van handelingen.
Vgl. W.J. Blokland, Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 71.
HvJ EG 11 juli 1996, zaak C-306/94, BNB 1997/38, m.nt. Van Hilten, r.o. 18 (Régie Dauphinoise), HvJ EG 6 februari 1997, zaak C-80/95, V-N 1997/1031, 16, r.o. 16 (Harnas & Helm), HvJ EG 14 november 2000, zaak C-142/99, V-N 2000/53.17 (Floridienne/Berginvest), r.o. 27, HvJ EG 26 juni 2003, zaak C-305/01, V-N 2003/34.13, r.o. 46 (MKG-Kraftfahrzeuge-Factory), HvJ EG 29 april 2004, zaak C-77/01, BNB 2004/285, m.nt. Van Hilten, r.o. 66 (EDM), HvJ EG 29 oktober 2009, zaak C-29/08, BNB 2010/251, m.nt. Swinkels, r.o. 31 (AB SKF) en HvJ EG 29 oktober 2009, zaak C-174/08, V-N 2009/56.14, r.o. 33 en 34 (NCC Construction Danmark).
HvJ EG 29 oktober 2009, zaak C-174/08, V-N 2009/56.14, r.o. 33 (NCC Construction Danmark).
Conclusie A-G Lenz 15 februari 1996, zaak C-306/94, BNB 1997/38, punten 20 en 21 (Régie Dauphinoise).
HvJ EG 29 oktober 2009, zaak C-174/08, V-N 2009/56.14, r.o. 33 (NCC Construction Danmark).
HvJ EG 29 oktober 2009, zaak C-174/08, V-N 2009/56.14, r.o. 33 (NCC Construction Danmark).
Dat het Hof van Justitie van oordeel lijkt te zijn dat ook voldaan is aan de noodzakelijke verbondenheid indien de activiteit met een commercieel oogmerk wordt verricht (HvJ EG 29 oktober 2009, zaak C-174/08, V-N 2009/56.14, r.o. 33 (NCC Construction Danmark)), is naar mijn mening een ‘slip of the pen’. Een activiteit die met commercieel oogmerk wordt verricht kwalificeert immers niet als een beleggersactiviteit (zie paragraaf 3.4.1.2.2.3). Steun voor deze ‘slip-of-the-pen-opvatting’ vind ik in de verwijzing van het Hof van Justitie naar HvJ EG 29 april 2004, zaak C-77/01, BNB 2004/285, m.nt. Van Hilten, r.o. 67 ((EDM) waaruit volgt dat a fortiori sprake is van het handelen als een belastingplichtige indien de activiteit met een bedrijfsmatig of met commercieel oogmerk wordt verricht.
HvJ EG 29 oktober 2009, zaak C-174/08, V-N 2009/56.14, r.o. 33 (NCC Construction Danmark).
Het uitgangspunt is dat per activiteit moet worden beoordeeld of sprake is van een economische activiteit. Verricht een persoon een activiteit die op zichzelf genomen geen economische activiteit is, dan ontbeert hij voor deze activiteit de hoedanigheid van belastingplichtige. In het Régie Dauphinoise-arrest1 heeft het Hof van Justitie op deze regel een uitzondering geformuleerd. Een activiteit die op zichzelf genomen geen economische activiteit is, wordt meegetrokken in de belastingplicht indien zij het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk vormt van een economische activiteit (de ‘core business’2).3 Naar mijn mening doet dit recht aan de economische realiteit, omdat de ene activiteit niet zonder de andere activiteit kan bestaan.4 Dit ‘verlengstukcriterium’ lijkt uitsluitend betrekking te hebben op een beleggersactiviteit die afzonderlijk bezien geen economische activiteit is.5 Hierbij kan gedacht worden aan het sec houden van aandelen, maar in het kader van dit onderzoek kan met name gedacht worden aan het leveren van vastgoed als particuliere belegger. Het oprekken van het begrip ‘economische activiteit’ op grond van het verlengstukcriterium heeft tot gevolg dat handelingen, zoals het verkopen en leveren van vastgoed, in het kader van deze verlengstukactiviteit per definitie als belastingplichtige – want in het kader van een economische activiteit – plaatsvinden (zie paragraaf 4.5).
Een beleggersactiviteit die afzonderlijk bezien geen economische activiteit is, wordt meegetrokken in de belastingplicht indien deze activiteit het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk is van een economische activiteit. Van een rechtstreeks verlengstuk van een economische activiteit is sprake indien de activiteit voortvloeit uit de economische activiteit (de core business) van de belastingplichtige.6 Dit rechtstreekse verband veronderstelt dat de activiteit zonder de economische activiteit niet zou zijn verricht.7 Met andere woorden: de economische activiteit is een conditio sine qua non voor de beleggersactiviteit. Hierbij kan gedacht worden aan een aannemer die een klein aantal gebouwen voor eigen rekening bouwt met het voornemen om deze later te verkopen.8 Zonder de bouwactiviteit van de aannemer zou de verkoop van vastgoed niet zijn verricht. De activiteit is een duurzaam verlengstuk van de economische activiteit indien zij niet incidenteel plaatsvindt (zie paragrafen 3.4.1.2.2.2 en 3.4.2.2.2.1).9 De activiteit vormt het noodzakelijke verlengstuk van een economische activiteit indien zij bijdraagt aan de doelstelling van de onderneming.10 Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien een aannemer bewust ernaar streeft om in het kader van zijn core business (de economische activiteit) ook vastgoed te verkopen.11