Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/7.1
7.1 Inleiding
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS484809:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
De wetgever heeft zich bij de omschrijving van het eigendomsbegripwillen onthouden van een ideologische stellingname (Parl. Gesch. Boek 5, p. 21 en 220). Van Maanen merkt terecht opdat ook een dergelijk uitgangspunt van ideologische aard is (Van Maanen 1987, p. 64 en 66; zie recentelijk over het eigendomsbegrip in een kapitalistische maatschappij: Alfons Heyvaert, De mens gemaakt door ons recht, in: Over Erven, Liber amicorum Mieken Puelinckx-Coene, Kluwer Mechelen 2006). Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 17.
Zwalve 1993, p. 53.
Mede-eigenaren kunnen ingevolge het bepaalde in art. 3:168 lid 1 een overeenkomst sluiten met betrekking tot het genot, het gebruik en het beheer van een gemeenschappelijke zaak. De betreffende gemeenschappelijke zaak kan voorts door de deelgenoten mandelig worden gemaakt door de zaak bij overeenkomst te bestemmen tot gemeenschappelijk nut van de erven (art. 5:60). Teneinde een nadere invulling te kunnen geven aan de inhoud van de twee genoemde overeenkomsten verdient het eigendomsbegrip een nadere analyse voor wat betreft de daaraan verbonden bevoegdheden en rechten. Het positieve recht is daarbij het onderzoeksveld. (Rechts)filosofische bespiegelingen worden – zoveel mogelijk – vermeden.1 Eigendom wordt hier derhalve beschreven als een puur ‘technisch instrument’.2