Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.8.8
1.8.8 De actio ad exhibendum: een persoonlijke actie met zakelijke kenmerken
mr. J.C.T.F. Lokin , datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644866:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. 10, 4, 3, 3: “Est autem personalis haec actio et ei competit qui in rem acturus est qualicumque in rem actione, etiam pigneraticia Serviana sive hypothecaria, quae creditoribus competunt.”
Over de actio ad exhibendum is een lange discussie gevoerd over de vraag of de actie een zakelijke was of niet, welke discussie in het ius commune is gestart bij Donellus die de actie als een zakelijke bestempelde. Donellus, Vol. 13, lib. 20, cap. 9, §2 (1830), p. 64: “Non dubium igitur ex definitione in rem actionis, quin et actio ad exhibendum sit in rem actio” “Uit de definitie van een zakelijke actie blijkt daarom zonder twijfel dat ook de actie tot productie een zakelijke actie is.” Zie voor een samenvatting over deze kwestie Birr (2013). Zie hierover: Birr (2013).
Brinz (1882), p. 687.
D. 10, 1, 1 (Paulus): “Finium regundorum actio in personam est, licet pro vindicatione rei est.”
Van Oven (1948), p. 358.
D. 4, 2, 9, 8 (Ulpianus): “Cum autem haec actio in rem scripta nec personam vim facientis coerceat, sed adversus omnes restitui velit quod metus causa factum est: non inmerito Iulianus a Marcellus notatus est scribens, si fideiussor vim intulit, ut accepto liberetur, in reum non esse restituendam actionem, sed fideiussorem, nisi adversus reum quoque actionem restituat, debere in quadruplum condemnari. Sed verius est, quod Marcellus notat: etiam adversus reum competere hanc actionem, cum in rem sit scripta.”
Gaius. 4, 2: “In personam actio est, qua agimus cum aliquo qui nobis vel ex contractu vel ex delicto obligatus est, id est intendimus DARE, FACERE PRAESTARE OPORTERE.” “Een persoonlijk actie is de actie waarmee wij procederen tegen iemand die uit contract of uit delict jegens ons verbonden is, d.w.z. wanneer wij als rechtsbewering stellen DAT HIJ BEHOORT TE GEVEN, TE DOEN, TE PRESTEREN.”
Harke (2019); Bühler (1859), p. 16 e.v. Zie voorts onder andere: Demelius (1872), p. 47-48; Lenel (1927), p. 220 e.v; Kaser (1971), p. 128; Goudsmit, De Gids/1872, p. 11.
Ulpianus leek geen enkele twijfel te hebben toen hij schreef dat de actio ad exhibendum een persoonlijke actie was:
“Deze actie nu is een persoonlijke en zij komt aan hem toe die van plan is een zaak op te eisen met ongeacht welke zakelijke actie, ook met de Serviaanse pandactie of de hypothecaire actie die aan schuldeisers ter beschikking staan.”1
Ondanks de duidelijke taal van Ulpianus zag niet iedereen de actio ad exhibendum als een persoonlijke actie.2 Doordat de actio ad exhibendum in uiteenlopende gevallen kon worden gebruikt, was zij moeilijk in een zakelijk of persoonlijk “hok” te plaatsen. De actie tot productie vertoonde namelijk zakelijke trekken, waardoor de verleiding op de loer lag om de actie als een zakelijke actie te beschouwen. De verplichting van het exhibere van de zaak werd toegekend in het geval de gedaagde in staat was om de zaak te produceren (facultas exhibendi). Deze laatste maatstaf ontbrak als de gedaagde op arglistige wijze het bezit van de zaak had verloren. In dat geval was het toch mogelijk om de actio ad exhibendum tegen hem in te stellen. Maar indien iemand, zonder arglist, de mogelijkheid tot productie had verloren (bijvoorbeeld door bezitsverlies), dan moest de eiser tegen de nieuwe bezitter van de zaak de actie tot productie instellen, aangezien laatstgenoemde wél in staat was om te produceren. Daardoor kreeg de actie een zakelijk element. De veranderlijkheid van de partijen die gehouden waren tot productie was tegen de natuur van een persoonlijke actie. De afhankelijkheid van het belang van het bezitten of houden van de zaak was juist kenmerkend voor de zakelijke acties.3 Een zekere verwantschap was te zien tussen de actio ad exhibendum en de grensregelingsactie (actio finium regundorum). Daarin zei immers Paulus:
“De grensregelingsactie is een persoonlijke actie, ofschoon zij dient tot vordering van een zaak.”4
Ook de andere delingsacties (de actio familiae erciscundae en de actio communi dividundo) hebben die combinatie van een persoonlijke vordering ten aanzien van zaken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat boek 10 van de Digesten bestaat uit de beschrijvingen van de scheidings- en delingsacties en de actio ad exhibendum.
Een verwantschap bestaat ook met de actio quod metus causa. De actio quod metus causa werd evenals de actio ad exhibendum gekwalificeerd als een actie in rem scripta. Zij was een persoonlijke actie, die iemand kon instellen als hij onder bedreiging een handeling had verricht. Deze actie kon hij niet alleen instellen tegen de bedreiger, maar ook tegen eenieder die voordeel had gehad van de onder bedreiging verrichte handeling. De actie was dus ook tegen een partij te gebruiken, die niets met de bedreiging van doen had. In het geval A door bedreiging zijn zaak aan B had verkocht en B vervolgens de zaak had doorverkocht aan C, dan kon A de zaak bij C opeisen, ook als C niets met de bedreiging te maken had.
“’t Was de formula die dit resultaat mogelijk maakte, doordat ze niet als voorwaarde voor de veroordeeling stelde, dat de dwang zou zijn gepleegd door den gedaagde, maar alleen, dat de eischer door wien ook gedwongen, de handeling had verricht.”5
Doordat latere verkrijgers van een gedwongen verkochte zaak aangesproken konden worden door de bedreigde eigenaar, leek de actio quod metus causa op een zakelijke actie. Zij was letterlijk “tegen de zaak geschreven” zoals blijkt uit een principieel meningsverschil tussen Julianus en Marcellus:
“Aangezien nu deze actie [quod metus causa, JCTF] zaaksgericht geformuleerd is en niet de persoon van degene die geweld uitoefent afstraft, maar de strekking heeft tegenover een ieder herstel plaats te laten vinden van hetgeen onder bedreiging is geschied, wordt Julianus niet ten onrechte door Marcellus erom bekritiseerd dat hij schrijft: als een borg geweld heeft aangewend om door kwijtschelding bevrijd te worden, moet tegenover de schuldenaar de actie niet worden hersteld, maar moet de borg tot het viervoudige worden veroordeeld, als hij niet ook de actie tegen de schuldenaar herstelt. Juister is daarentegen wat Marcellus opmerkt, dat deze actie ook tegen de schuldenaar kan worden ingesteld, omdat zij zaaksgericht is geformuleerd.”6
Met het instellen van de actio ad exhibendum beweerde de eiser een belang bij de productie van de zaak te hebben. Met de hoofdactie (actio directa) beweerde hij een recht op de zaak te hebben. De actio ad exhibendum is kortom een persoonlijke actie.7 Of anders gezegd: het recht op productie was een “aus einem Zustande entspringendes” persoonlijk recht.8