Rb. Rotterdam, 29-05-2019, nr. C/10/515415 / HA ZA 16-1320
ECLI:NL:RBROT:2019:4601
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
29-05-2019
- Zaaknummer
C/10/515415 / HA ZA 16-1320
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2019:4601, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 29‑05‑2019; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2018:6016, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 25‑07‑2018; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2017:2455, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 29‑03‑2017; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 29‑05‑2019
Inhoudsindicatie
Duurovereenkomst met geclausuleerde exclusieve afnameverplichting. Niet inachtneming van een termijn voor opzegging leidt niet tot een verplichting tot schadevergoeding omdat er in de gegeven omstandigheden geen verplichting tot afname was. Eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2018:6016).
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/515415 / HA ZA 16-1320
Vonnis van 29 mei 2019
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HORREX HORREN B.V.,
gevestigd te Alblasserdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. L. Ritzema te 's-Hertogenbosch,
tegen
de vennootschap naar Duits recht
HANS HOLZHAUER GMBH & CO KG,
gevestigd te Iserlohn, Duitsland
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.
Partijen zullen hierna Horrex en Hartal genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 25 juli 2018 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- -
de conclusie houdende reactie op de akte vermeerdering van eis in conventie van 26 september 2018 van Hartal;
- -
de conclusie naar aanleiding van tussenvonnis d.d. 25 juli 2018 in conventie en reconventie van 21 november 2018 van Horrex, met producties;
- -
de conclusie van antwoord naar aanleiding van het tussenvonnis d.d. 25 juli 2018 van 23 januari 2019 van Hartal;
- -
de akte van 12 maart 2019 van Horrex, met producties;
- -
de akte van 10 april 2019 van Hartal;
- -
het productieoverzicht van 10 april 2019 van Hartal, met een productie;
- -
de akte overlegging producties van 7 mei 2019 van Horrex, met producties;
- -
de akte overlegging productie van 7 mei 2019 van Hartal, met een productie;
- -
de pleitaantekeningen van Horrex;
- -
de pleitnota van Hartal;
- -
het proces-verbaal van de zitting van 7 mei 2019;
- -
het faxbericht van 14 mei 2019 van Hartal, met een reactie op het proces-verbaal;
- -
het faxbericht van 16 mei 2019 van Horrex, met een reactie op het proces-verbaal.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie
2.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis. Zulks mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen en beslist.
2.2.
De overeenkomst van 26 oktober 2005 tussen partijen (zie het tussenvonnis onder 2.1 en 2.2) zal ook in dit vonnis verder worden aangeduid als "de Overeenkomst".
2.3.
Ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank de door Horrex ingestelde vorderingen hierna nogmaals weergeven (zie ook het tussenvonnis onder 3.1 en 3.2).
2.4.
Horrex vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. te verklaren voor recht dat Hartal de duurovereenkomst d.d. 26 oktober 2005 met Horrex onregelmatig heeft opgezegd door geen opzegtermijn in acht te nemen;
2. te verklaren voor recht dat Hartal een opzegtermijn van 8 maanden in acht had moeten nemen bij het opzeggen van de duurovereenkomst d.d. 26 oktober 2005 met Horrex, althans een opzegtermijn die de rechtbank in goede justitie juist acht;
3. Hartal te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan Horrex ter hoogte van EUR 573.712,80 althans een bedrag dat uw rechtbank in goede justitie juist acht, althans, subsidiair, Hartal te veroordelen tot een schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
4. Hartal te veroordelen tot het betalen van de wettelijke handelsrente over het bedrag van EUR 573.712,80 vanaf 12 juni 2012 tot het moment van voldoening door Hartal, althans te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over het bedrag van EUR 573.712,80 vanaf 12 juni 2012 tot het moment van voldoening door Hartal;
5. Te verklaren voor recht dat Hartal jegens Horrex toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, meer in het bijzonder de verplichtingen genoemd sub 1, 2 en 3 van de op 26 oktober 2005 tussen partijen gesloten overeenkomst (de Overeenkomst);
6. Hartal te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 50.000,-- op voet van artikel 5 van de overeenkomst d.d. 26 oktober 2005 en de daarover te berekenen rente vanaf de datum indiening van deze vordering;
7. Hartal te veroordelen tot de schadevergoeding die Horrex heeft geleden en alsnog zal lijden ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming door Hartal in de nakoming van de verplichtingen ex artikel 1, 2 en 3 van de overeenkomst jegens Horrex en wel op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
8. Hartal te veroordelen in de kosten van deze procedure."
2.5.
De rechtbank oordeelt als volgt over deze vorderingen.
Ad 1. De verklaring voor recht omtrent onregelmatige opzegging van de duurovereenkomst
2.6.
In het tussenvonnis onder 4.17.5 en 4.17.6 is beslist dat sprake is van een onregelmatige beëindiging van de Overeenkomst. Daarbij is overwogen dat een dergelijke onregelmatige beëindiging de opzeggende partij aansprakelijk maakt tot vergoeding van de schade. Die schade laat zich volgens het tussenvonnis begroten door een vergelijking te maken tussen de hypothetische vermogenspositie van de wederpartij indien de Overeenkomst wel met inachtneming van een redelijke termijn zou zijn beëindigd en de werkelijke vermogenspositie van de wederpartij.
2.7.
Horrex heeft geen belang bij toewijzing van deze verklaring voor recht, maar slechts bij toewijzing van - de eveneens door haar gevorderde - vergoeding van de door haar als gevolg van de onregelmatige opzegging eventueel geleden schade. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.
Ad 2. De verklaring voor recht omtrent de duur van een in acht te nemen opzegtermijn
2.8.
Ook deze gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen. Horrex heeft geen belang bij toewijzing daarvan. Het gaat om de eventueel toewijsbare schadevergoeding. De rechtbank is echter van oordeel dat Horrex geen voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden als gevolg van het feit dat Hartal haar heeft medegedeeld geen bestellingen meer bij haar te zullen plaatsen. De duur van een in acht te nemen opzegtermijn is daarom ook niet relevant. De rechtbank zal dat hierna toelichten.
2.9.
In het tussenvonnis is onder 4.14.1 beslist dat Hartal een geclausuleerde exclusieve afnameverplichting had tot afname van (de componenten van) het horsysteem voor alleen de HartaLux-deur. Op grond van artikel 4 van de Overeenkomst was er slechts sprake van een verplichting tot exclusieve afname zolang Horrex marktconforme prijzen bleef hanteren. Hartal was echter al langer van oordeel dat Horrex jegens haar misbruik maakte van een ontstane feitelijke monopoliepositie. Horrex was tot op zekere hoogte in staat de door haar gewenste prijzen aan Hartal op te leggen omdat Hartal het product (nog) niet elders kon betrekken.
2.10.
Over de hoogte van de prijzen die Horrex wenste te hanteren is veelvuldig tussen partijen gediscussieerd. Niettemin voerde Horrex prijsverhogingen door. In 2011 heeft Hartal Horrex er (nogmaals) op gewezen dat zij van oordeel was dat Horrex te hoge prijzen in rekening bracht en dat zij de producten tegen lagere kosten, zo nodig elders, wenste in te kopen. Horrex was niet bereid het prijsniveau aan te passen.
2.11.
Hartal heeft aangevoerd dat zij in 2011 in het kader van het gesprek/de discussie over de prijzen aan Horrex heeft gevraagd of zij een nieuwe leverancier kon nemen indien die bereid zou zijn voor een lagere prijs te leveren. Horrex heeft niet betwist dat zij daarmee toen heeft ingestemd.
2.12.
In 2012 was Hartal in staat de horsystemen tegen aanzienlijk lagere kosten bij een derde in te kopen. Bij conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte uitlating, tevens houdende aktevermeerdering van eis in conventie, onder 34 verwijt Horrex Hartal dat zij achter de rug van Horrex om gedurende de looptijd van de Overeenkomst contacten met derden is gaan leggen over de prijs. In de visie van Horrex lieten de Overeenkomst en de redelijkheid en billijkheid dit niet toe. De rechtbank deelt die visie niet. Hartal mocht, mede gelet op de inhoud van artikel 4 van de Overeenkomst, onderzoeken of Horrex marktconforme prijzen hanteerde. In dat kader mocht zij ook contacten met derden leggen over te hanteren prijzen. Uit die contacten bleek dat Hartal de producten elders inderdaad aanzienlijk voordeliger kon inkopen. Dat dit het geval was, is door Horrex niet betwist.
2.13.
In de gegeven omstandigheden was Hartal niet verplicht om de producten van Horrex af te blijven nemen. Hartal was immers tot het oordeel gekomen, en mocht tot het oordeel komen, dat Horrex geen marktconforme prijzen hanteerde. De kennelijke visie van Horrex dat haar producten wel degelijk een marktconforme prijs hadden omdat zij de enige partij was die horsystemen leverde die precies waren afgestemd op de deuren die Hartal vervaardigde zodat er geen concurrentie bestond, acht de rechtbank onjuist. Waar het om gaat is of Hartal de benodigde horsystemen bij een derde voor een aanzienlijk lagere prijs kon verwerven. Dat bleek na enig onderzoek door Hartal het geval te zijn. Nu Hartal in de gegeven omstandigheden op grond van artikel 4 van de Overeenkomst niet verplicht was om de onder de Overeenkomst vallende producten nog van Horrex af te nemen, is van een verplichting tot vergoeding door Hartal van door Horrex geleden schade wegens het niet in acht nemen van een opzegtermijn bij opzegging van de Overeenkomst geen sprake. Hartal was immers niet verplicht om de producten van Horrex in de gegeven omstandigheden te blijven afnemen. Dat geldt ten aanzien van het horsysteem voor de HartaLux-deur (zie het tussenvonnis onder 4.14.5), maar het zou ook gelden met betrekking tot het horsysteem voor de HartaLight-deur indien de Overeenkomst ook ten aanzien van laatstbedoeld horsysteem zou hebben gegolden.
2.14.
Voor zover schade is ontstaan doordat Hartal geen bestellingen meer bij Horrex plaatste, komt die schade in de gegeven omstandigheden voor rekening van Horrex. Welke exacte termijn in acht had behoren te worden genomen bij het formeel opzeggen van de Overeenkomst is daarom niet relevant. Producten die niet onder de Overeenkomst vielen hoefde Hartal evenmin van Horrex af te blijven nemen. Dat er sprake was van een langdurige handelsrelatie tussen partijen maakt dat niet anders. Het enkele bestaan van een langdurige handelsrelatie brengt niet mee dat men gehouden is producten bij de contractuele wederpartij te blijven bestellen, ook al slaagt men er niet in overeenstemming te bereiken over de prijs. Van bijzondere omstandigheden waarom dat in dit geval anders zou zijn, is niet gebleken.
Ad 3. en 4. Schadevergoeding en wettelijke rente
2.15.
Uit het voorgaande vloeit voort dat Horrex jegens Hartal geen aanspraak kan maken op schadevergoeding.
Ad 5. De verklaring voor recht dat Hartal jegens Horrex toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, meer in het bijzonder de verplichtingen genoemd sub 1, 2 en 3 van de Overeenkomst
2.16.
Horrex heeft gesteld dat Hartal onder de Overeenkomst vallende kennis in strijd met de artikelen 1, 2, 3, 4 en 5 van de Overeenkomst - Horrex noemt de in haar visie relevante artikelen in verschillende combinaties - heeft gedeeld met derden (conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende aktevermeerdering van eis in conventie, onder 33). Meer in het bijzonder heeft, volgens Horrex, Hartal buiten haar om octrooi aangevraagd op een uitvinding die een doorontwikkeling was, voortbordurend op de kennis en knowhow van Horrex. Hiermee is Hartal in de visie van Horrex jegens haar toerekenbaar in de nakoming van haar verplichtingen als genoemd in voormelde artikelen tekortgeschoten. Horrex stelt dat zij hierdoor schade heeft geleden, welke niet gemakkelijk is vast te stellen.
2.17.
Horrex heeft deze stellingen na gemotiveerde betwisting door Hartal niet (alsnog) deugdelijk onderbouwd. Weliswaar stelt Horrex dat een vergelijking met het Hartal octrooi laat zien dat door Horrex aangereikte kennis en knowhow door Hartal is gebruikt in het octrooi, maar op basis van hetgeen verder door Horrex is gesteld en de door haar overgelegde producties kan de rechtbank dit niet vaststellen. Horrex heeft ook geen verklaring verstrekt voor het feit dat zij zich kennelijk niet heeft verzet tegen verlening van het betreffende octrooi aan Hartal. In de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om zich omtrent de technische aspecten van deze stellingen van Horrex te laten voorlichten door een daartoe eventueel te benoemen deskundige. Nu Horrex deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd, zal de rechtbank deze afwijzen.
Ad 6. en 7. Betaling van een bedrag ad € 50.000,-- op voet van artikel 5 van de Overeenkomst en schadevergoeding op te maken bij staat
2.18.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zullen ook de vorderingen om Hartal te veroordelen tot betaling van de contractuele boete van artikel 5 van de Overeenkomst en om Hartal te veroordelen tot vergoeding van bij staat op te maken schade, bij gebreke van een voldoende feitelijke onderbouwing worden afgewezen.
Ad 8. De proceskosten
2.19.
Horrex zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hartal worden begroot op:
- griffierecht € 3.903,00
- salaris advocaat 13.945,50 (4,5 punten × tarief € 3.099,00)
Totaal € 17.848,50
in reconventie
2.20.
De reconventionele vordering is in het tussenvonnis weergegeven onder 3.6. Hartal vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
"(i) Horrex Horren B.V. te veroordelen om aan Hans Holzhauer GmbH & Co KG te betalen de som van € 4.825,10, vermeerderd met handelsrente vanaf 11 december 2012, althans vanaf 10 mei 2017;
(ii) voorwaardelijk, voor zover uw Rechtbank mocht oordelen dat de Overeenkomst een duurovereenkomst is van onbepaalde duur met daarin een exclusieve afnameverplichting, te verklaren voor recht dat de Overeenkomst, althans het exclusiviteitsbeding in artikel 4 van de Overeenkomst, nietig is, althans vernietigbaar, en partijen te bevrijden uit de rechtsgevolgen van de Overeenkomst;
(iii) Horrex Horren B.V. te veroordelen in de proceskosten."
Ad i. De vordering van € 4.525,10
2.21.
Hartal heeft bij conclusie van eis in reconventie onder 56 tot en met 59 aangevoerd dat zij € 4.825,10 van Horrex vordert als schadevergoeding ter zake van gebrekkige leveringen. Hartal heeft de betreffende bestellingen gespecificeerd (productie 10 bij conclusie van eis in reconventie). Voorts heeft Hartal toegelicht dat het in 2012 aan Hartal geleverde horren betreft welke wegens defecten door afnemers werden gereclameerd en teruggezonden. Voorts heeft Hartal gesteld dat Horrex na de bestelstop in juni 2012 niet meer bereid was om - zoals voorheen gebruikelijk onder de garantie - de gereclameerde horren terug te nemen en nieuwe te leveren. Daarnaast heeft Hartal gesteld dat Horrex de vorderingen als zodanig niet heeft betwist, maar zich op verrekening heeft beroepen wegens opzegging van de Overeenkomst door Hartal. Horrex heeft bij conclusie van antwoord in reconventie onder 77 slechts betwist dat sprake was van gebrekkigheden in door haar verrichte leveringen. Dat is een onvoldoende betwisting van de gespecificeerde en gedocumenteerde stellingen die Hartal aan deze vordering ten grondslag heeft gelegd. De vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na de eerste ingebrekestelling, derhalve vanaf 26 december 2012.
Ad ii. De voorwaardelijke vordering
2.22.
Gelet op hetgeen in conventie is overwogen en beslist, heeft Hartal geen belang meer bij de voorwaardelijke vordering om te verklaren voor recht dat de Overeenkomst, althans het exclusiviteitsbeding van artikel 4 uit de Overeenkomst, nietig is, althans vernietigbaar, en partijen te bevrijden uit de rechtsgevolgen van de Overeenkomst. Uit hetgeen in het tussenvonnis onder 4.16.3 is overwogen, vloeit voort dat deze vordering zou dienen te worden afgewezen.
Ad iii. De proceskosten
2.23.
Nu partijen in reconventie over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van het geding in reconventie tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
3.1.
wijst de vorderingen af,
3.2.
veroordeelt Horrex in de proceskosten, aan de zijde van Hartal tot op heden begroot op € 17.848,50,
3.3.
verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
3.4.
veroordeelt Horrex om aan Hartal te betalen een bedrag van € 4.821,10 (vierduizend achthonderdéénentwintig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 26 december 2012 tot de dag van volledige betaling,
3.5.
verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.
[1729;2221]
Uitspraak 25‑07‑2018
Inhoudsindicatie
Internationale zaak. Samenwerking bij ontwikkeling en productie van horsystemen. Toepasselijk recht op de overeenkomst volgens Rome I-Vo. Uitleg overeenkomst. Beëindiging duurovereenkomst.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/515415 / HA ZA 16-1320
Vonnis van 25 juli 2018
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HORREX HORREN B.V.,
gevestigd te Alblasserdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. L. Ritzema te 's-Hertogenbosch,
tegen
de vennootschap naar Duits recht
HANS HARTAL GMBH & CO KG,
gevestigd te Iserlohn, Duitsland,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.
Partijen zullen hierna Horrex en Hartal genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 24 december 2015, met producties 1 tot en met 9;
- -
het tussenvonnis van 29 maart 2017, waarin de incidentele vordering van Hartal tot onbevoegdverklaring is afgewezen, alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- -
de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 11;
- -
de beslissing van de rechtbank, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
- -
de zittingsagenda;
- -
de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte uitlating en akte vermeerdering van eis in conventie, met producties 18 tot en met 28;
- -
de akte van Horrex ter rectificatie van laatstgenoemde conclusie;
- -
de akte toelichting van standpunten, vermindering van eis en overlegging producties van Hartal, met producties 12 tot en met 18.
1.2.
Op 14 november 2017 heeft de comparitie van partijen plaatsgehad.
Hartal heeft op de comparitie bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering, omdat deze te laat was ingesteld en Hartal geen reactie daarop heeft kunnen voorbereiden en indienen. De rechter heeft dit bezwaar voor die gelegenheid gehonoreerd maar daarbij bepaald dat Hartal in het verdere verloop van de procedure voldoende gelegenheid krijgt om schriftelijk te reageren. Tijdens de zitting heeft de advocaat van Horrex pagina’s 2 tot en met 4 voorgedragen van haar uit vier pagina’s bestaande spreeknotitie, welk stuk zij aan de rechtbank heeft overhandigd. Deze drie pagina’s maken dan ook deel uit van de processtukken.
1.3.
Partijen hebben vonnis gevraagd als hierna in 4.1 vermeld.
2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende betwist gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1.
Partijen hebben op 26 oktober 2005 een overeenkomst gesloten (hierna: de Overeenkomst).
2.2.
De Overeenkomst luidt - aangehaald voor zover relevant voor de beoordeling - als volgt:
“Vereinbarung über die Entwicklung und den Vertrieb von einem Fliegenschutzsystem für Tür “HartaLux”
Die Hans Holzhauer GmbH & Co KG
[…]
und die Horrex BV
[…]
im folgenden kurz HARTAL und HORREX genannt, schließen nachstehende Vereinbarung über die Entwicklung und den Vertrieb von einem Fliegenschutzsystem für die Wohnwagenindustrie, speziell für die von HARTAL entwickelte Tür mit der Bezeichnung HartaLux.
1. HARTAL plant die Einführung einer neuen Tür für Wohnwagen- und Reisemobile. Im Rahmen dieses Projektes ist in vertraulicher Zusammenarbeit von HORREX das Fliegenschutzsystem zu konstruieren und im Falle einer Einigung auch zu liefern.
2. HARTAL wird sich im Rahmen ihrer Möglichkeiten an der Entwicklung des Fliegenschutzsystems unterstützend beteiligen. Sollten im Rahmen der gemeinsamen Entwicklung technische Lösungen erarbeitet werden, die zu Schutzrechten führen, wird in Abstimmung zwischen HARTAL und HORREX dieses in den einzelnen technischen Gesprächen protokolliert. Hierbei wird auch die Verwertung festgelegt und in separaten Verträgen geregelt.
Ausgenommen hiervon sind Komponenten die HORREX bereits jetzt im Serieneinsatz hat, bzw. Patente besitzt und für dieses neue Projekt Anwendung finden können.
3. HORREX und HARTAL verpflichten einander, alle technischen und wirtschaftlichen Informationen über diese Entwicklung und deren Termine vertraulich und mit Stillschweigen zu behandeln und Dritten nicht zugänglich zu machen. Davon ausgenommen sind technische Informationen, soweit sie für Lieferanten und Zulieferer von Einzelkomponenten notwendig sind.
4. Die von HORREX neu zu entwickelnden Profile und einzelne Komponenten (insbesondere Kunststoffspritzgussteile ) für das Fliegenschutzsystem HartaLux werden exklusiv nur an HARTAL angeboten und vertrieben. Die gemeinsam entwickelte integrierte Lösung “Fliegenschutz bildet gleichzeitig die Türinnenabdeckung” wird bis Ende der Saison 2006/2007 ausschließlich an HARTAL geliefert. Serienlieferungen von HORREX an andere Partner können frühestens ab Ende Mai 2007 erfolgen. HARTAL verpflichtet sich für die HartaLux Tür nur ein Fliegenschutzsystem von HORREX einzusetzen solange von HORREX eine der allgemeinen Marktlage entsprechende Preisentwicklung eingehalten wird.
5. Bei Vertragsverletzungen haben HORREX und HARTAL einander eine Schadenersatzsumme von mindestens 50.000 Euro zu zahlen. Sollte die Schadenssumme für HARTAL oder HORREX nachgewiesen höher liegen, so ist die nachgewiesene Summe von HARTAL oder HORREX zu entrichten.
6. HORREX übernimmt die konstruktive Ausarbeitung des Fliegenschutzsystems sowie deren Detaillösungen, die Erstellung der technischen Dokumentationen, Zeichnungen, Stücklisten. sowie die Erstellung der notwendigen Werkzeuge. Die erforderlichen Tests werden in Zusammenarbeit mit HARTAL durchgeführt und ausgewertet.
7. Die Entwicklung/Werkzeugkosten für ein Fliegenschutzsystem werden sowohl von HORREX als auch von HARTAL getragen. Die Entwicklungskosten an die HARTAL beteiligt wird, betragen maximal 37.500 €. (Grundlage ist der derzeitige technische Stand der Entwicklung.) Diese Kosten werden sich noch reduzieren, nähere Informationen hierzu, sowie zu den Zahlungsterminen, sind in dem “Beiblatt Werkzeugkosten” aufgeführt.
Die Entwicklungskosten werden zwischen HORREX und HARTAL im Verhältnis 40% zu 60% aufgeteilt. HARTAL wird 60% der Entwicklungskosten zu den im Beiblatt “Werkzeugkosten/Liefervereinbarung” aufgeführten Termine zahlen. Die restlichen 40% Entwicklungskosten werden durch 20.000 geteilt und als Aufpreis dem Preis des Fliegenschutzsystems aufgeschlagen. Beim Erreichen von 10.000 verkauften Systemen zahlt HORREX an HARTAL 20% der Entwicklungskosten in einer Summe zurück.
Bei Erreichen von 20.000 verkauften Systemen zahlt HORREX die restlichen 20 % Entwicklungskosten an HARTAL in einer Summe zurück. Diese Vereinbarung gilt max. 3 Jahre, danach erlischt der Rückzahlungsanspruch von HARTAL.
8. HORREX stellt die technische Betreuung, die notwendigen Fertigungskapazitäten und die Logistik für die Belieferung von HARTAL bereit um im Auftragsfall pünktlich und ordnungsgemäß liefern zu können.
9. Das Beiblatt “Werkzeugkosten / Liefervereinbarung” ist Bestandteil dieses Vertrages.
10. Dieser Vertrag bleibt auch dann gültig, wenn einzelne Bestimmungen sich als Ungültig erweisen sollten. Die betreffende Bestimmung ist dann so auszulegen. dass die mit ihre ursprünglich angestrebte wirtschaftliche und rechtlichen Zwecke soweit wie möglich erreicht werden.”
2.3.
Van de Overeenkomst maakt een bijlage (“Beiblatt WERKZEUGKOSTEN/ LIEFERVEREINBARUNG”, hierna: de Bijlage) deel uit, eveneens gedateerd 26 oktober 2005. De Bijlage luidt - aangehaald voor zover relevant voor deze beoordeling - als volgt:
“Die Entwicklungs/Werkzeugkosten für das Fliegenschutzsystem betragen für HARTAL max. 37.500 €.
Die Werkzeugkosten werden sich noch in den nächsten Wochen reduzieren:
- a.
Aufgrund der Umgestaltung der Kunststoffspritzgussteile, aus 4 Werkzeugen wird ein Werkzeug. Die Höhe der reduzierten Kosten gibt HORREX vor dem ersten Zahlungstermin noch an
- b.
Aufgrund der Amortisation der Aluminiumwerkzeuge. Die Kosten dieser Werkzeuge werden über die gelieferte Tonnage von dem Presswerk amortisiert. Die Summe der Werkzeugkosten beträgt 7.500 €. HORREX wird HARTAL einmal pro Jahr 60% der erreichten Amortisationssumme gutschreiben.
HARTAL zahlt am 04.10.2005 12.500 € der Entwicklungs/Werkzeugkosten an HORREX.
HARTAL zahlt 4 Wochen nach Musterfreigabe des Fliegenschutzsystems die Differenz zwischen 60% der gesamten Entwicklungs/Werkzeugkosten und den bereits gezahlten 12.500 €.
Lieferbedingungen für die Serie:
Frei Haus, incl. Verpackung, ohne weiter Nebenkosten
Zahlung: 14 Tage nach Lieferdatum/Rechnungsdatum mit 2% Skonto oder
30 Tage nach Lieferdatum/Rechnungsdatum netto
Menge pro Lieferung: 400 Stück, bis Mai 2006 200 Stück
Teilepreise:
Fliegenschutzsystem 1940 x 640 mm 51,23 € / Stück plus Amortisation (40% der WZK aufgeteilt
auf 20.000 Stück)
Abdeckrahmen HartaLux 1940 x 640 mm 23,22 € / Stück
Rahmen für Klappe 1200 x 1200 mm 21,84 € / Stück
Rahmen für Klappe 1500 x 1200 mm 19,14 € / Stück
Plissee Verdunklung 1 x 122 x 1542 mm 8,87 € / Stück
Plissee Verdunklung 2 x 122 x 1542 mm 13,28 € / Stück
Hierbei handelt es sich um max Teilepreise. Eine Reduzierung der Teilepreise ist noch möglich aufgrund der Änderung der Kunststoffspritzgussteile.
Die Teilepreise sind verbindlich bis Ende der Saison 2006/2007. Weiter Einzelheiten werden vor Serienstart in einem Rahmenliefervertrag fixiert.”
3. Het geschil
in conventie
3.1.
Horrex vorderde bij dagvaarding – samengevat weergegeven – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
voor recht zal verklaren dat Hartal de Overeenkomst met Horrex onregelmatig heeft beëindigd door geen passende opzegtermijn in acht te nemen;
voor recht zal verklaren dat Hartal een opzegtermijn van acht maanden in acht had moeten nemen bij het beëindigen van de Overeenkomst, althans een opzegtermijn die de rechtbank in goede justitie juist acht;
Hartal zal veroordelen tot betaling aan Horrex van een schadevergoeding van € 573.712,80, althans van een bedrag dat de rechtbank in goede justitie juist acht;
Hartal zal veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente, althans de gewone wettelijke rente het bedrag van € 573.712,80 vanaf 12 juni 2012 tot de dag van de algehele voldoening;
Hartal in de proceskosten zal veroordelen.
3.2.
Horrex heeft in haar ter comparitie genomen akte tot vermeerdering van eis haar in 3.1 genoemde eis aldus vermeerderd dat de aldaar onder 3 genoemde vordering wordt aangevuld met een subsidiaire vordering tot veroordeling van Hartal tot betaling van een bij staat op te maken schadevergoeding en daarnaast de volgende extra vorderingen ingesteld:
- -
een verklaring voor recht dat Hartal jegens Horrex toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, meer in het bijzonder haar in de artikelen 1, 2 en 3 van de Overeenkomst genoemde verplichtingen;
- -
een veroordeling van Hartal tot betaling van een bedrag van € 50.000,00 op voet van artikel 5 van de Overeenkomst, te vermeerderen met rente vanaf de datum van het instellen van deze vordering;
- -
een veroordeling van Hartal tot vergoeding van de schade die Horrex heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van Hartal in de nakoming van haar verplichtingen uit de artikelen 1, 2 en 3 van de Overeenkomst, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Zoals gezegd, heeft de rechtbank deze eisvermeerdering op bezwaar van Hartal in dit stadium geweigerd, maar toegelaten voor het stadium na dit tussenvonnis en bepaald dat Hartal gelegenheid zal krijgen op de vermeerderde eisen te reageren. In dit tussenvonnis worden dus alleen de bij dagvaarding ingestelde vorderingen beoordeeld.
3.3.
Aan de bij dagvaarding ingestelde vorderingen legt Horrex – kort gezegd – de stellingen ten grondslag. Hartal en Horrex hebben op 26 oktober 2005 de Overeenkomst gesloten ten aanzien van de ontwikkeling en distributie van hordeuren. Hartal heeft de Overeenkomst op 14 juni 2012 met onmiddellijke ingang beëindigd. Als gevolg hiervan heeft Horrex schade geleden ten bedrage van € 573.712,80. Voor deze schade is Hartal jegens Horrex aansprakelijk.
3.4.
Hartal voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Horrex, met veroordeling van Horrex in de proceskosten bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.
3.5.
De rechtbank bespreekt de standpunten van partijen verder bij de beoordeling.
in reconventie
3.6.
Hartal vordert na eisvermindering dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Horrex zal veroordelen tot betaling aan Hartal van € 4.825,10, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te berekenen vanaf 11 december 2012, althans vanaf 10 mei 2017;
voorwaardelijk, namelijk voor het geval de rechtbank oordeelt dat de Overeenkomst een overeenkomst is voor onbepaalde duur met daarin een exclusieve afnameverplichting: voor recht zal verklaren dat de Overeenkomst, althans het exclusiviteitsbeding in de Overeenkomst, nietig is, althans vernietigbaar, en de partijen zal bevrijden van de rechtsgevolgen van de Overeenkomst;
Horrex zal veroordelen in de proceskosten.
3.7.
Horrex voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Hartal.
3.8.
De rechtbank bespreekt de standpunten van partijen verder bij de beoordeling.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Met partijen is afgesproken dat dit vonnis beperkt zal blijven tot het toepasselijke recht op de rechtsverhouding tussen hen zowel in conventie als in reconventie en, voor zover mogelijk, de uitleg van de Overeenkomst.
4.2.
Hier is sprake van een internationale zaak, omdat partijen in verschillende staten gevestigd zijn.
4.3.
De internationale bevoegdheid van deze rechtbank in conventie is vastgesteld in het hiervoor in 1.1 genoemde tussenvonnis van 29 maart 2017. Ook in reconventie is deze rechtbank (internationaal) bevoegd, onder meer omdat Horrex, verweerster in reconventie, woonplaats heeft in Nederland en binnen het rechtsgebied van deze rechtbank. De rechtbank baseert zich daarbij op artikel 4 lid 1 Brussel Ibis-Vo en artikel 99 lid 1 Rv.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat hun rechtsverhouding contractueel van aard is en in beginsel slechts is belichaamd in de Overeenkomst en de Bijlage.
4.5.
De Overeenkomst is gesloten op 26 oktober 2005, derhalve voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Rome I-Vo, die daarom niet van toepassing is. Van toepassing, zowel in materieel, formeel als temporeel opzicht, is het EVO.
4.6.
Bij de beoordeling van het toepasselijke recht op een overeenkomst wordt in het systeem van het EVO voorrang gegeven aan een (uitdrukkelijke of duidelijk blijkende) rechtskeuze in de zin van artikel 3 EVO, behoudens gevallen die zich in deze zaak niet voordoen.
4.7.
Hartal stelt dat partijen een rechtskeuze hebben uitgebracht voor Duits recht, Horrex betwist dat. Derhalve is als eerste vraag aan de orde of een rechtsgeldige rechtskeuze is uitgebracht voor Duits recht, of enig ander rechtsstelsel. Deze vraag beantwoordt de rechtbank als volgt.
4.7.1.
Tussen partijen staat vast dat Horrex in een procedure tegen Hartal voor het Landgericht Hagen, Duitsland, vorderingen heeft ingesteld die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten in de zin van artikel 29 lid 1 Brussel Ibis-Vo als haar vorderingen tegen Hartal in de onderhavige zaak.
4.7.2.
De gestelde rechtskeuze voor Duits recht in de onderhavige zaak ontleent Hartal aan de rechtskeuze voor Duits recht die Horrex volgens Hartal heeft uitgebracht op bladzijden 21 en 22 van haar Klageschrift, het procesinleidende stuk met daarin de vordering, in genoemde Duitse procedure. De tekst op de genoemde bladzijden waarop Horrex doelt, luidt als volgt:
“1. Anwendbares Recht
Wesentlich vor einem tieferen Einstieg in die materiellrechtliche Würdigung erscheint die Klärung des anwendbaren Rechts.
Auf den vorliegenden Sachverhalt findet gem. Art. 28 EGBGB in der Fassung vom 1. Januar 2000 (EGBGB a.F.) deutsches Recht Anwendung. Da der Vertrag vor dem 17. Dezember 2009 geschlossen wurde, ist die Rom I VO gemäß Art. 28 Rom I VO nicht anwendbar. Für vor diesem Datum geschlossene Verträge sind Art. 27 ff, EGBGB a.F. weiterhin anwendbar. Die Parteien haben kein Recht gewählt, so dass nach Art. 28 Absatz 1 EGBGB a.F. das Recht des Staates Anwendung findet, zu welchem die Vereinbarung zwischen den Parteien die engsten Verbindungen aufweist.
Zwar mag man annehmen, dass hier die charakteristische Leistung die maßgefertigte Fertigung und Herstellung sowie Lieferung der fraglichen Produkte durch die Klägerin an die Beklagte war, so dass man nach Art. 28 Abs. 2 EGBGB a.F. die Anwendbarkeit niederländischen Rechts vermuten mag.
Allerdings weisen die vorstehend dargestellten Umstände darauf hin, dass der Schwerpunkt des hier gelebten Vertrages eher im Einbau in eigene Produkte und Vertrieb der zusammengesetzten Endprodukte durch die Beklagte lag. Die Beklagte erwarb bei der Klägerin Produkte, setzte sie in ihre eigenen ein und vertrieb diese dann gemeinsam an ihre Abnehmer. Auch die Wahl deutscher Sprache als Vertragssprache der vorliegenden Dokumente kann ein hierfür sprechendes Indiz sein. Die Produkte der Klägerin wurden nach Deutschland geliefert und dort verarbeitet bzw. an den deutschen Markt vertrieben.”
4.7.3.
Anders dan Hartal betoogt, ligt in deze passage van het Klageschrift van Horrex geen keuze van Horrex besloten ten aanzien van de toepasselijkheid van een bepaald recht, bijvoorbeeld Duits recht. Integendeel: in deze passage stelt Horrex dat partijen geen rechtskeuze gemaakt hebben (“Die Parteien haben kein Recht gewählt”). Wat Horrex hier wel doet, is haar standpunt weergeven ten aanzien van het recht dat van toepassing is bij gebreke van een rechtskeuze. Dit wordt bevestigd door de volzin “so dass nach Art. 28 Absatz 1 EGBGB a.F. das Recht des Staates Anwendung findet, zu welchem die Vereinbarung zwischen den Parteien die engsten Verbindungen aufweist”. Vervolgens geeft Horrex haar uiteenzetting welk recht van toepassing is op de tussen partijen bestaande rechtsverhouding uit de Overeenkomst.
4.7.4.
De omstandigheid dat de Overeenkomst in het Duits is opgesteld vindt de rechtbank onvoldoende om daaruit af te leiden dat partijen voor toepasselijkheid van Duits recht hebben gekozen.
4.7.5.
De rechtbank kan Hartal niet in haar standpunt volgen dat de processuele opstelling van Horrex in de onderhavige zaak blijk zou geven van een keuze voor de toepasselijkheid van Duits recht. De omstandigheid dat Horrex vorderingen over dezelfde onderwerpen heeft voorgelegd aan gerechten in Duitsland en Nederland brengt niet mee dat Horrex daarom geacht moet worden te hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Duits recht.
4.7.6.
Aangezien andere feiten of omstandigheden voor het bestaan van een geldige rechtskeuze op de rechtsverhouding gesteld noch gebleken zijn, concludeert de rechtbank dat partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt.
4.8.
Vervolgens beantwoordt de rechtbank de vraag welk recht van toepassing is op de rechtsverhouding tussen partijen ingevolge de maatstaven van artikel 4 EVO.
4.8.1.
Aangehaald voor zover in de onderhavige zaak relevant luidt dit artikel als volgt:
Artikel 4
1. Voor zover geen keuze overeenkomstig artikel 3 van het op de overeenkomst toepasselijke recht is gedaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Indien evenwel een deel van de overeenkomst kan worden afgescheiden en dit deel nauwer verbonden is met een ander land, kan hierop bij wijze van uitzondering het recht van dat andere land worden toegepast.
2. Behoudens lid 5 wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip; van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een vennootschap, vereniging of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft. Indien de overeenkomst evenwel in de uitoefening van het beroep of het bedrijf van deze partij werd gesloten, is dit het land waar zich haar hoofdvestiging bevindt of, indien de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de hoofdvestiging moet worden verricht, het land waar zich deze andere vestiging bevindt.
3. […]
4. […]
5. Lid 2 vindt geen toepassing, indien niet kan worden vastgesteld welke de kenmerkende prestatie is. De vermoedens van leden 2, 3 en 4 gelden niet wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land.
4.8.2.
De rechtbank zal dus eerst moeten onderzoeken of een partij bij deze Overeenkomst de kenmerkende prestant is en, zo ja, welke partij dat is, Horrex of Hartal. De rechtbank zal dat onderzoek aldus uitvoeren dat eerst de verschillende artikelen van de Overeenkomst afzonderlijk onder de loep zullen worden genomen en vervolgens de Overeenkomst in haar geheel zal worden bezien, dat laatste met inachtneming van aanvullende feiten en omstandigheden die de rechtbank daarbij van belang acht.
4.8.3.
Volgens de titel van de Overeenkomst gaat deze over de ontwikkeling en de afzet van het voor de HartaLux-deur bestemde ‘Fliegenschutzsystem’ (hierna: horsysteem).
4.8.4.
In de considerans van de Overeenkomst wordt beschreven de aard van de afspraken tussen Horrex en Hartal die zijn opgenomen in artikelen 1 tot en met 10 van de Overeenkomst. Volgens de considerans hebben deze afspraken betrekking op de ontwikkeling en de afzet van een horsysteem ten behoeve van de caravanindustrie, in het bijzonder ten behoeve van de door Hartal ontwikkelde HartaLux deur.
4.8.5.
Op grond van de tweede volzin van artikel 1 van de Overeenkomst dient Horrex het horsysteem te vervaardigen en dit na het bereiken van overeenstemming met Hartal aan deze te leveren. Beide partijen verplichten zich vertrouwelijk om te gaan met de uitkomsten van hun onderlinge samenwerking op dit gebied.
4.8.6.
In artikel 2 van de Overeenkomst is een ondersteunende rol voor Hartal bepaald bij de ontwikkeling van het horsysteem. De rest van dit artikel heeft betrekking op intellectuele eigendomsrechten die zouden kunnen ontstaan tijdens de ontwikkeling van het horsysteem.
4.8.7.
Artikel 3 van de Overeenkomst heeft betrekking op technische en financieel-economische gegevens die verband houden met de ontwikkeling van het horsysteem. Beide partijen verplichten zich vertrouwelijk om te gaan met deze gegevens.
4.8.8.
Artikel 4 van de Overeenkomst houdt enkele exclusiviteitsverplichtingen in. Horrex is verplicht zowel de componenten van het horsysteem als de gezamenlijk ontwikkelde geïntegreerde oplossing “Fliegenschutz bildet gleichzeitig die Türinnenabdeckung” exclusief aan Hartal te verkopen en te leveren. Laatstgenoemde verplichting geldt tot het einde van het seizoen 2006/2007. Serieleveringen door Horrex aan andere partijen kunnen op zijn vroegst vanaf eind mei 2007 plaatsvinden. De laatste volzin van artikel 4 van de Overeenkomst houdt de verbintenis van Hartal in om in haar HartaLux-deur uitsluitend het van Horrex verkregen horsysteem te plaatsen mits Horrex marktconforme prijzen hanteert.
4.8.9.
In artikel 5 van de Overeenkomst is de verplichting geregeld tot betaling van schadevergoeding door de (toerekenbaar) tekortkomende partij aan de andere partij alsmede de hoogte van deze schadevergoeding.
4.8.10.
In artikel 6 van de Overeenkomst worden behandeld werkzaamheden betreffende de ontwikkeling van het horsysteem tot de productiefase, waaronder het vervaardigen van gereedschap. Horrex is belast met deze werkzaamheden. Slechts op het punt van het uitvoeren en analyseren van testen is een rol weggelegd voor Hartal, zij het dat deze rol niet meer dan samenwerking inhoudt, zo volgt uit de woorden “in Zusammenarbeit mit HARTAL”.
4.8.11.
Artikel 7 van de Overeenkomst betreft de kosten die gemoeid zijn met de in artikel 6 van de Overeenkomst geregelde ontwikkelingswerkzaamheden en werkzaamheden tot vervaardiging van het gereedschap. Uit artikel 9 in samenhang met artikel 7 van de Overeenkomst volgt dat de Bijlage deel uitmaakt van de Overeenkomst.
Voor zover in artikel 7 verbintenissen van Horrex en Hartal zijn geregeld, zien die verbintenissen uitsluitend op de draagplicht van de ontwikkelings- en gereedschapskosten. Voor zover uit deze draagplicht al een verbintenis voortvloeit, is dat een verbintenis tot betaling van deze kosten.
4.8.12.
In artikel 8 van de Overeenkomst is bepaald dat Horrex de technische begeleiding, de noodzakelijke productiecapaciteit en de logistiek voor de bevoorrading van Hartal ter beschikking stelt om in het geval van een order stipt en volgens de voorschriften te kunnen leveren. Uit dit artikel volgt dat met deze verbintenissen van Horrex is beoogd dat Hartal zoveel als mogelijk aan haar toekomstige verbintenissen tot levering van de deur met het horsysteem aan haar toekomstige klanten kan voldoen. Anders dan met betrekking tot genoemde drie verbintenissen van Horrex is met betrekking tot deze verbintenis van Hartal tot levering aan haar klanten geen (nadere) regeling getroffen in artikel 8 van de Overeenkomst en evenmin in andere artikelen van de Overeenkomst of de Bijlage; op deze verbintenis van Hartal wordt in artikel 8 van de Overeenkomst uitsluitend gezinspeeld.
4.8.13.
In artikel 9 en artikel 10 van de Overeenkomst, ten slotte, zijn geen prestaties of verplichtingen van partijen geformuleerd.
4.8.14.
De eerste fase van de samenwerking tussen Horrex en Hartal is de onderzoeks- en ontwikkelingsfase van het horsysteem. De werkzaamheden waaruit deze fase bestaat komen aan de orde in de considerans en de artikelen 4 en 6 van de Overeenkomst. Horrex is steeds de partij die belast is met deze werkzaamheden, zo volgt uit deze bepalingen van de Overeenkomst. Voor zover Hartal al een aandeel heeft in deze werkzaamheden, heeft zij slechts een rol bij de beoordeling van hetgeen door Horrex is vervaardigd. Derhalve heeft Horrex te gelden als de kenmerkende prestant in de zin van artikel 4 lid 2 EVO waar het gaat om de onderdelen van de Overeenkomst die betrekking hebben op de onderzoeks- en ontwikkelingsfase van het horsysteem.
Uit de artikelen 1, 4 en 8 in onderling verband volgt dat Horrex voor de productie van (de componenten van) het horsysteem dient zorg te dragen en deze aan Hartal dient te leveren. In de Bijlage zijn nadere bepalingen over de leveringen en de door Hartal te betalen prijzen opgenomen. De Overeenkomst en de Bijlage vormen het raamwerk van de leveringsafspraken en bevatten geen concrete bestellingen door Hartal bij Horrex of leveringstoezeggingen door Horrex. Dat spoort met de opzet van de Overeenkomst en de Bijlage, namelijk eerst de ontwikkeling van het nieuwe horsysteem en het testen ervan en pas na aanvaarding volgen bestellingen door Hartal bij Horrex. Uit het vorenstaande volgt dat Horrex ook ten aanzien van de productie en levering van (de componenten van) het horsysteem de kenmerkende prestaties te verrichten heeft.
Nu het bij de Overeenkomst om raamafspraken gaat en niet om bestellingen of leveringstoezeggingen van (componenten van) het horsysteem, speelt de CISG hier geen rol.
4.8.15.
Hartal betwist weliswaar niet dat de componenten van het horsysteem volgens afspraak met Horrex door of in opdracht van Horrex zijn geproduceerd, maar stelt dat zijzelf als kenmerkende prestant in de productiefase van het horsysteem moet worden beschouwd, omdat (niet Horrex maar) zijzelf de van Horrex verkregen componenten heeft geassembleerd voor het laten ontstaan van de horsystemen.
De rechtbank kan Hartal niet volgen in deze redenering. Een wezenlijk gedeelte van de Overeenkomst en, in meer algemene zin, van de samenwerking tussen Horrex en Hartal, is de ontwikkeling door Horrex van het horsysteem. Zoals gezegd, ligt het zwaartepunt van deze ontwikkeling bij Horrex. Deze ontwikkeling van het horsysteem door Horrex bestaat niet slechts uit het verrichten van onderzoek en het technische of grafische ontwerp van het horsysteem, maar ook uit het vervaardigen van een model van het horsysteem, zo volgt uit artikel 1 van de Overeenkomst. Ook indien Horrex inderdaad niet de volledig geassembleerde horsystemen aan Hartal zou leveren, maar slechts de componenten daarvan, blijft Hartal om die componenten tot het horsysteem in elkaar te kunnen zetten in wezenlijke mate afhankelijk van de toelevering door Horrex.
4.8.16.
Ook indien uit de regelingen in de Overeenkomst en de Bijlage zou voortvloeien dat Hartal het grootste deel van de kosten van de ontwikkeling of van het vervaardigen van de werktuigen te dragen krijgt, volgt daaruit niet dat Hartal de kenmerkende prestaties heeft te leveren. Voor het bepalen van de kenmerkende prestaties dient, immers, gekeken te worden naar de prestaties zelf en niet naar de (verdeling van de) kosten daarvan.
4.8.17.
Kennelijk was het de bedoeling van partijen dat Horrex de (componenten voor de) nieuw te ontwikkelen horsystemen (voorlopig uitsluitend) aan Hartal zou leveren en dat deze die systemen (ingebouwd in de betreffende deuren) op de markt zou brengen (zie in de aanhef en de considerans “Vertrieb” en de artikelen 4 en 8 van de Overeenkomst). Ook indien uit de Overeenkomst en de Bijlage zou voortvloeien dat Hartal (het leeuwendeel van) zodanige “Vertrieb” zou verrichten, brengt die omstandigheid niet mee dat Hartal daarom als kenmerkende prestant moet worden aangemerkt, omdat de Overeenkomst en de Bijlage de strekking hebben de ontwikkeling, productie en levering van de (componenten van de) horsystemen onderling te regelen en niet de afzet naar derden. Ten aanzien van de afzet naar derden zijn slechts enkele (exclusiviteits)afspraken gemaakt (in artikel 4 van de Overeenkomst).
4.8.18.
Voor zover in de Overeenkomst nog andere prestaties (verbintenissen) zijn geregeld, zijn dit geen prestaties (verbintenissen) die de Overeenkomst kenmerken.
4.8.19.
Horrex moet derhalve worden aangemerkt als de karakteristieke prestant in de zin van artikel 4 lid 2 EVO.
Aangezien de gewone verblijfplaats van Horrex is gelegen in Nederland, leidt de conflictregel van artikel 4 lid 2 EVO tot toepasselijkheid van Nederlands recht op de rechtsverhouding tussen partijen.
4.8.20.
Aangezien geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken zijn op grond waarvan de overeenkomst niettemin nauwer is verbonden met een ander land dan Nederland, in de zin van artikel 4 lid 5 EVO, wordt de rechtsverhouding tussen partijen daarom beheerst door Nederlands recht.
de uitleg van de Overeenkomst en de Bijlage
4.9.
Aangezien Nederlands recht toepasselijk is op de Overeenkomst, dient de Overeenkomst ingevolge artikel 10 lid 1 onder a EVO naar Nederlands recht te worden uitgelegd.
4.10.
Het gaat hier om de uitleg van geschriften waarin de verhouding tussen partijen is geregeld. Die uitleg kan niet worden gegeven op grond van alleen een taalkundige uitleg van de bepalingen ervan, maar daarbij is beslissend de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (artikel 3:33 en 3:35 BW; HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 – Haviltex; HR 7 februari 2014 ECLI:NL: HR:2014:260 – Afvalzorg/Slotereind; HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 – Lundiform/Mexx).
Dat is niet zonder meer anders waar een beding verstrekkende gevolgen heeft (Afvalzorg/Slotereind; HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0727 – Gemeente Rotterdam/Eneco).
Bij de uitleg van een geschrift zijn van belang alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Verder zijn bij de uitleg van belang de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan – waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door ter zake kundige raadslieden – en de overige bepalingen ervan.
Weliswaar is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van belang (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 – DSM/Fox), maar ook dan kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht (Lundiform/Mexx; Afvalzorg/Slotereind).
De rechter kan, zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen, groot gewicht toekennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van het geschrift en aldus komen tot een voorshands oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst. Maar vervolgens zal de rechter dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg van het geschrift verdedigt voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel tegenbewijs te worden toegelaten. Indien dit laatste het geval is, is de rechter gehouden deze partij in de gelegenheid te stellen dit (tegen)bewijs te leveren (Lundiform/Mexx; HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178 – Meyer/Pont Meyer; HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4909 – Uni-Invest).
4.11.
Partijen hebben weinig gesteld over de totstandkoming van de Overeenkomst en de Bijlage.
De Overeenkomst en de Bijlage bevatten vrij gedetailleerde regelingen.
Gezien artikel 10 van de Overeenkomst en de bewoordingen daarvan, gaat de rechtbank ervan uit dat (een van) partijen zich hebben (of heeft) voorzien van juridisch advies bij het opstellen van de Overeenkomst.
Daarom gaat de rechtbank bij de uitleg vooralsnog uit van de taalkundige betekenis van de bewoordingen van de Overeenkomst en de Bijlage, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben.
4.12.
Het tussen partijen gerezen en nog niet beslechte geschil leidt tot de volgende vragen van uitleg van de Overeenkomst en de Bijlage:
- -
Is sprake van een duurovereenkomst? Zo ja, in hoeverre?
- -
Heeft Hartal een exclusieve afnameverplichting ten opzichte van Horrex?
- -
Was de overeenkomst tussen partijen uitgewerkt voorafgaande aan de gestelde beëindiging door Hartal op 14 juni 2012?
- -
Voor zover de overeenkomst tussen partijen op 14 juni 2012 nog voortduurde: heeft Hartal de overeenkomst toen regelmatig beëindigd?
Deze vragen beantwoordt de rechtbank als volgt.
4.13.
Is sprake van een duurovereenkomst? Zo ja, in hoeverre?
4.13.1.
Van een duurovereenkomst naar Nederlands recht is sprake in het geval een overeenkomst strekt tot het voortdurend of periodiek verrichten van prestaties, kortom, een overeenkomst waaruit voortdurende verbintenissen voortvloeien. Een duurovereenkomst eindigt niet van rechtswege. Voor het eindigen van een duurovereenkomst is een beëindigingshandeling, zoals opzegging, vereist.
4.13.2.
De Overeenkomst noch de Bijlage bevat een bepaling van de geldingsduur van deze geschriften of de duur van de relatie tussen partijen. Evenmin bevatten deze geschriften een bepaling over de wijze van beëindiging van de relatie tussen partijen.
4.13.3.
Zoals hiervoor is overwogen, zijn in de Overeenkomst en de Bijlage regelingen getroffen voor het ontwikkelen, vervaardigen en leveren van (de componenten van) het HartaLux-horsysteem. Die regelingen hebben de strekking geruime tijd te werken.
Artikel 4 van de Overeenkomst (“Ende der Saison 2006/2007”; “ab Ende Mai 2007”; “solange von HORREX eine der allgemeinen Marktlage entsprechende Preisentwicklung eingehalten wird”) en de Bijlage (“Menge pro Lieferung: 400 Stück, bis Mai 2006 200 Stück”) bevatten bepalingen voor de toekomst, zodat de Overeenkomst en de Bijlage de strekking hebben tot in ieder geval (na de afloop van) die tijdsaanduidingen tussen partijen werking te hebben. De aan het slot van artikel 4 opgenomen afnameverplichting van Hartal is niet in de tijd beperkt.
In zoverre is sprake van een duurovereenkomst tussen partijen met voor partijen voortdurende verbintenissen.
4.14.
Heeft Hartal een exclusieve afnameverplichting ten opzichte van Horrex?
4.14.1.
De Overeenkomst bevat slechts in artikel 4 exclusiviteitsverplichtingen. Het betreft daar een verplichting voor Horrex tot exclusieve levering aan Hartal, ten minste tot einde seizoen 2006/2007 of eind mei 2007. Anderzijds bepaalt artikel 4 voor Hartal een verplichting tot exclusieve afname van (de onderdelen voor) het door Horrex ontwikkelde horsysteem voor toepassing in haar HartaLux-deur, mits Horrex marktconforme prijzen blijft hanteren (“solange von HORREX eine der allgemeinen Marktlage entsprechende Preisentwicklung eingehalten wird”).
Derhalve heeft Hartal een geclausuleerde exclusieve afnameverplichting tot afname van (de componenten van) het horsysteem voor de HartaLux-deur.
4.15.
Horrex stelt dat zodanige exclusiviteitsverplichting ook geldt voor (de componenten van) het horsysteem voor de inmiddels ontwikkelde HartaLight-deur. Hartal betwist dat de Overeenkomst of de Bijlage van toepassing is op het horsysteem voor de HartaLight-deur.
Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
4.15.1.
Reeds betrekkelijk kort na de totstandkoming van de Overeenkomst en de Bijlage op 26 oktober 2005 zijn Hartal en Horrex gaan overleggen over samenwerking met betrekking tot het horsysteem voor de HartaLight-deur. Dat blijkt uit de van 8 december 2005 daterende notulen (Besprechungsprotokoll; productie 22b van Horrex) van een bespreking tussen partijen op 7 december 2005:
“5. Insektenschutz HartaLight
- -
das Package wurde besprochen, Konzepte diskutiert; der InsSchu HartaLight ist für ein- und zweiteilige Türen geplant
- -
es wird davon ausgegangen, dass insgesamt neue Profile, teilweise neue Konzepte für HartaLight benötigt werden, die zwischen 1- und 2-Teiler variieren
- -
die Lösung kann eine Kombination aus Al- und Kunststoffprofilen sein (Stückzahl-Invest-Verhältnis)
- -
als Zieltermin Muster wurde Feb ’06, als Zieltermin Serie Mai ’06 angegeben
- -
als geplantes Volumen werden 20.000 Stück p.a. angenommen; Zielkosten sind max. 30€; Zielkosten für Werkzeuge/Design wurden nicht genannt
- -
Horrex und Hartal werden an Konzepten gemeinsam arbeiten; diese sollen in Dez. ’05 stehen (Werkzeugstart); die Invest-Seite (Stunden Designer) ist noch abzustimmen.”
4.15.2.
Uit de van 2 april 2007 daterende notulen van een bespreking tussen partijen van 29 maart 2007 (onderdeel van productie 6 van Horrex) blijkt dat inmiddels het hortsysteem voor de HartaLight-deur is ontwikkeld en dat bestellingen daarvan werden besproken. Verder blijkt uit die notulen dat het voornemen bij partijen bestond om met betrekking tot het horsysteem voor de HartaLight-deur een nieuwe overeenkomst te sluiten (“Für Hartalight wird ein neuer Vertrag gemacht”).
Niet in geschil is dat een dergelijke overeenkomst over het horsysteem voor de HartaLight-deur er niet is gekomen.
4.15.3.
Uit de stellingen van partijen en de in het geding gebrachte stukken volgt dat Hartal (de componenten van) het horsysteem voor de HartaLight-deur bij Horrex is gaan afnemen. Bij besprekingen en in correspondentie tussen partijen zijn, naast technische details, herhaaldelijk de prijzen voor het horsysteem voor (zowel de HartaLux als) de HartaLight-deuren het onderwerp (zie bijvoorbeeld de e-mails van 4 maart 2009 en 16 en 25 april 2010; productie 4 van Hartal). In geen van die stukken wordt verwezen naar de Overeenkomst of de Bijlage.
4.15.4.
Op Horrex rust de stelplicht van feiten of omstandigheden die de stelling kunnen dragen dat de Overeenkomst of de Bijlage (ook) is gaan gelden ten aanzien van het horsysteem voor de HartaLight-deur. Horrex heeft, echter, geen voldoende concrete (voor bewijslevering vatbare) feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat ten aanzien van (de ontwikkeling, verkoop en levering van) het horsysteem voor de HartaLight-deur een soortgelijk arrangement tussen partijen is gaan gelden als ten aanzien van het horsysteem voor de HartaLux-deur in de Overeenkomst en de Bijlage is getroffen. Het moge zo zijn, zoals Horrex stelt, dat het horsysteem van de HartaLight-deur een doorontwikkeling is van dat van de HartaLux-deur, maar daarmee is nog niet gezegd dat ten aanzien van die doorontwikkeling hetzelfde contractuele regime is gaan gelden, nu (i) partijen in maart 2007 besproken hebben dat daarvoor een nieuw contract zou worden opgesteld en (ii) Horrex naast (de componenten van) het horsysteem voor de HartaLight-deur ook (die van) het horsysteem voor de HartaLux-deur aan Hartal is blijven leveren.
4.15.5.
Daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat de Overeenkomst en de Bijlage alleen ten aanzien van het horsysteem voor de HartaLux-deur gelden en niet voor dat voor de HartaLight-deur. De exclusiviteitsbepalingen daarin gelden dus niet ten aanzien van de laatstbedoelde horsystemen.
4.16.
Was de Overeenkomst al uitgewerkt voorafgaande aan de gestelde beëindiging van door Hartal op 14 juni 2012?
4.16.1.
Zoals hiervoor overwogen, dient de Overeenkomst, althans onderdelen daarvan, als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd te worden aangemerkt. Zonder gedraging ter beëindiging bleef de duurovereenkomst voortduren.
4.16.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat Hartal tot in juni 2012 horsystemen bij Horrex is blijven bestellen. Horrex heeft bij productie 6 bestellingen door Hartal van 12 juni, 8 juni en 7 mei 2012 overgelegd. Feiten of omstandigheden die erop duiden dat zodanige bestellingen buiten het bereik van de Overeenkomst of de Bijlage vielen zijn gesteld noch gebleken. Daarom concludeert de rechtbank dat de Overeenkomst op 14 juni 2012 nog van kracht was tussen partijen.
4.16.3.
Hieraan kunnen niet afdoen de argumenten die Hartal aanvoert waarom de Overeenkomst nietig zou zijn vanwege strijdigheid met het Europese en/of het Nederlands mededingingsrecht.
Hartal stelt geen feiten of omstandigheden op grond waarvan de Overeenkomst (en de Bijlage) in het geheel nietig is. De Overeenkomst bevat in artikel 10 een regeling die erin voorziet dat bij eventuele nietigheid van een onderdeel ervan de overeenkomst als geheel niet wordt aangetast. Derhalve geldt dat, zelfs indien enig gedeelte ven de Overeenkomst wegens strijdigheid met het Europese en/of Nederlandse mededingingsrecht nietig is, de Overeenkomst voor het overige in stand is gebleven.
Overigens, wegens de vrijheid voor Horrex om ook aan andere afnemers te leveren en het beding over marktconforme prijzen in artikel 4 van de Overeenkomst, bevatten de Overeenkomst en de Bijlage niet zodanige mededinging beperkende bepalingen dat deze daarom nietig zouden zijn.
4.16.4.
Op 14 juni 2012 duurde de Overeenkomst derhalve nog voort. Zonder beëindigingshandeling zou de Overeenkomst blijven voortduren.
4.17.
Voor zover de Overeenkomst op 14 juni 2012 nog voortduurde: heeft Hartal de Overeenkomst rechtsgeldig beëindigd?
4.17.1.
Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is aan deze voorwaarde voldaan.
4.17.2.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Overeenkomst (in ieder geval) wat betreft de fase van de productie en levering van (de componenten voor) het horsysteem van de HartaLux-deur te gelden als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd.
4.17.3.
In het onderhavige geval voorziet noch de Overeenkomst noch de wet in een regeling voor de beëindiging van de Overeenkomst. Ook in een dergelijk geval geldt dat de Overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat (vgl. HR 3 december 1999 , ECLI:NL:HR:1999:AA3821 – Latour). Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (vgl. HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 – Gemeente De Ronde Venen/Stedin).
4.17.4.
De door Hartal gestelde omstandigheid dat Horrex hogere dan marktconforme prijzen vroeg, levert geen wanprestatie van Horrex op. Uit het slot van artikel 4 van de Overeenkomst (“solange von HORREX eine der allgemeinen Marktlage entsprechende Preisentwicklung eingehalten wird”) volgt, immers, dat Horrex de vrijheid had om zelfstandig de prijzen voor (de componenten van) het horsysteem te bepalen en dat Hartal slechts dan tot afname bij Horrex verplicht was indien de door Horrex gevraagde prijzen de in het algemeen op de betreffende markt geldende prijzen volgden.
Nu gesteld noch gebleken is dat van anderszins wanprestatie vanwege Horrex of een anderszins zwaarwegende grond sprake was, betekent het vorenstaande dat Hartal voor beëindiging de Overeenkomst diende op te zeggen met in achtneming van een redelijke termijn. Opzegging geschiedt bij een tot de wederpartij gerichte verklaring die ertoe strekt de overeenkomst te beëindigen (eenzijdig gerichte rechtshandeling).
4.17.5.
Voor zover Hartal aanvoert dat zij de Overeenkomst niet heeft beëindigd, maar slechts een beroep heeft gedaan op het beding over marktconforme prijzen aan het slot van artikel 4 van de Overeenkomst, verwerpt de rechtbank dat verweer. Tussen partijen is immers niet in geschil dat tijdens een bijeenkomst op 14 juni 2012 namens Hartal aan Horrex is medegedeeld dat Hartal in het vervolg geen hor- en verduisteringssystemen meer van Horrex zou kopen. Voorts heeft Hartal bij e-mail van 25 juni 2012 om 13:27 uur aan Horrex (productie 5 van Horrex) klip en klaar medegedeeld: “In Zukunft wird HARTAL die Insektenschutze und Verdunklungen bei HORREX nicht mehr kaufen”.
Mede in het licht van het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 BW heeft Horrex deze mededelingen mogen opvatten als handelingen ter onmiddellijke beëindiging van de Overeenkomst, dus zonder inachtneming van een redelijke termijn.
4.17.6.
Opzegging van een duurovereenkomst zonder inachtneming van een redelijke termijn maakt de opzegging niet ongeldig. Het levert een onregelmatige beëindiging op die de opzeggende partij aansprakelijk maakt tot vergoeding van de schade wegens onregelmatige opzegging. Zodanige schade laat zich begroten door een vergelijking te maken tussen de hypothetische vermogenspositie van de wederpartij indien de overeenkomst wel met inachtneming van een redelijke termijn zou zijn beëindigd en de werkelijke vermogenspositie van de wederpartij.
4.17.7.
Partijen dienen zich nader uit te laten over de duur van de in het onderhavige geval in acht te nemen redelijke termijn en over andere factoren die voor de beoordeling van een vordering tot schadevergoeding wegens onregelmatige beëindiging van belang kunnen zijn. Daarbij speelt onder meer een rol de omstandigheid dat de Overeenkomst en de Bijlage slechts betrekking hebben op het horsysteem voor de HartaLux-deur en niet voor de HartaLight-deur, terwijl nog niet inzichtelijk is welke omzetten en winst Horrex in 2012 maakte met de verkoop en levering van (de componenten voor) het horsysteem voor de HartaLux-deur aan Hartal.
4.18.
Uit het vorenstaande volgt tevens dat het beëindigen van de Overeenkomst door Hartal zonder inachtneming van een redelijke termijn geen wanprestatie van Hartal oplevert in de zin van artikel 5 van de Overeenkomst.
4.19.
Feiten of omstandigheden die op een andere uitleg van de Overeenkomst of de Bijlage duiden, zijn niet gesteld of gebleken.
vervolg van de procedure
4.20.
De rechtbank houdt er rekening mee dat ieder van partijen haar standpunten zal willen aanpassen naar aanleiding van dit tussenvonnis. Daarom zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen voor:
- -
een conclusie aan de zijde van Hartal voor een reactie op de vermeerderde eis van Horrex in conventie;
- -
een conclusie van Horrex naar aanleiding van dit tussenvonnis;
- -
een conclusie van Hartal naar aanleiding van dit tussenvonnis.
Het staat Hartal vrij om in haar conclusie voor een reactie op de vermeerderde eis van Horrex in conventie tevens haar standpunten aan te passen naar aanleiding van dit tussenvonnis.
4.21.
Iedere (verdere) beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
verwijst de zaak naar de rol van 29 augustus 2018 voor conclusies als hiervoor in 4.20 bedoeld, om te beginnen aan de zijde van Hartal;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.
901/1928
Uitspraak 29‑03‑2017
Inhoudsindicatie
Bevoegdheidsincident. Internationale bevoegdheid. De in Nederland gevestigde eiseres is niet alleen in Nederland (rechtbank Rotterdam) maar ook in Duitsland (Landgericht Hagen) een zaak begonnen tegen de in Duitsland gevestigde gedaagde over hetzelfde geschil. Brussel Ibis-Verordening. Litispendentie. Eiseres wijzigt in de loop van het incident van opvatting ten aanzien van het slechts voorwaardelijke karakter van de Nederlandse zaak. Misbruik van procesrecht? Strijdigheid met de eisen van een goede procesorde of met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid?
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/515415 / HA ZA 16-1320
Vonnis van 29 maart 2017
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HORREX HORREN B.V.,
gevestigd te Ridderkerk,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. L. Ritzema te 's-Hertogenbosch,
tegen
de vennootschap naar Duits recht
HANS HOLZHAUER GMBH & CO KG,
gevestigd te Iserlohn, Duitsland,
gedaagde,
eiseres in het incident,
advocaat mr. E.H. Bakker te Utrecht.
Partijen zullen hierna Horrex en Holzhauer genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 24 december 2015, met negen producties;
- -
de conclusie houdende de exceptie van nietigheid tevens exceptie van onbevoegdheid, met zes producties;
- -
de conclusie van antwoord in het incident, met acht producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De vordering in de hoofdzaak
2.1.
Horrex vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- 1.
voor recht verklaart dat Holzhauer de duurovereenkomst d.d. 26 oktober 2005 met Horrex onregelmatig heeft opgezegd door geen opzegtermijn in acht te nemen;
- 2.
voor recht verklaart dat Holzhauer een opzegtermijn van acht maanden in acht had moeten nemen bij het opzeggen van de duurovereenkomst d.d. 26 oktober 2005, althans een opzegtermijn die de rechtbank in goede justitie juist acht;
- 3.
Holzhauer veroordeelt tot betaling aan Horrex van een schadevergoeding ter hoogte van € 573.712,80, althans van een bedrag dat de rechtbank in goede justitie juist acht;
- 4.
Holzhauer veroordeelt tot betaling van de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, over genoemd bedrag van € 573.712,80 vanaf 12 juni 2012 tot de dag van de algehele voldoening;
- 5.
Holzhauer in de proceskosten veroordeelt.
2.2.
Hieraan legt Horrex - kort samengevat - de volgende stellingen ten grondslag:- Horrex heeft op 26 oktober 2005 met Holzhauer een overeenkomst (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst) gesloten ten aanzien van de ontwikkeling en distributie van hordeuren;- Holzhauer heeft deze overeenkomst op 14 juni 2012 onregelmatig opgezegd;- Als gevolg hiervan heeft Horrex schade geleden ten bedrage van € 573.712,80;- Voor deze schade is Holzhauer jegens Horrex aansprakelijk.
3. Het geschil in het incident
3.1.
Holzhauer vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de dagvaarding nietig verklaart, subsidiair dat de rechtbank de zaak aanhoudt totdat het Landgericht Hagen zich over haar bevoegdheid heeft uitgesproken en meer subsidiair dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart van de vorderingen van Horrex kennis te nemen, met veroordeling van Horrex in de proceskosten.
3.2.
Hieraan legt Holzhauer de volgende stellingen ten grondslag:
- -
het exploot van dagvaarding is nietig omdat daarin is opgenomen dat Holzhauer diende te verschijnen in persoon of vertegenwoordigd door een gemachtigde, zodat daaruit niet bleek of Holzhauer voor de afdeling kantonzaken dan wel de afdeling voor andere civiele zaken van de rechtbank werd gedagvaard;
- -
Horrex heeft als eiseres tegen Holzhauer als gedaagde in december 2015 niet alleen de onderhavige zaak aanhangig gemaakt maar ook een zaak voor het Landgericht Hagen in Duitsland; het feitencomplex, de gronden en de vorderingen van deze zaken vertonen grote overeenkomsten; de Duitse zaak is eerder aanhangig gemaakt dan de onderhavige zaak; gelet op de strekking van artikel 29 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel Ibis-Vo) moet deze rechtbank de zaak aanhouden totdat het Landgericht Hagen zijn bevoegdheid heeft vastgesteld.
3.3.
Horrex voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Holzhauer, met veroordeling van Holzhauer in de proceskosten bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.
3.4.
Volgens Horrex is deze rechtbank bevoegd. Bij dagvaarding en in haar incidentele conclusie van antwoord voert zij hiertoe aan dat deze rechtbank bevoegd is op grond van de artikelen 6 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) juncto 6a sub b Rv juncto 7 lid 1 sub a Brussel Ibis-Vo, omdat de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de door Horrex ingestelde vorderingen moest worden uitgevoerd in het arrondissement Rotterdam, waar Horrex is gevestigd. Subsidiair is de rechtbank Rotterdam volgens Horrex bevoegd op grond van de artikelen 6 sub e Rv juncto 102 Rv juncto 7 lid 2 Brussel Ibis-Vo, omdat het een verbintenis uit onrechtmatige daad betreft (buitencontractuele opzegging van een duurovereenkomst) en de schade zich voordoet in Nederland, meer in het bijzonder het arrondissement Rotterdam, waar Horrex is gevestigd (Erfolgsort). Eerst in haar incidentele conclusie van antwoord voert Horrex ook nog aan dat deze rechtbank primair bevoegd is op grond van een forumkeuze, namelijk een forumkeuzebeding in artikel 17.1 van haar algemene leveringsvoorwaarden, dat als volgt luidt: “Only the Dutch court within whose jurisdiction User’s place of business is situated is competent to pass judgment on disputes, unless such is at odds with any mandatory rules of law”. Verder betwist Horrex dat de Duitse zaak eerder aanhangig is gemaakt dan de onderhavige zaak.
4. De beoordeling
in de incidenten
nietigheid van het exploot van dagvaarding
4.1.
Hier is sprake van een internationale zaak, omdat een van de partijen, Holzhauer, woonplaats heeft buiten Nederland. De hier aan de orde zijnde stelling van Holzhauer is procesrechtelijk van aard, terwijl zij niet wordt geregeld in voor Nederland geldende internationale regelingen. Op grond van artikel 10:3 BW (Op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter is het Nederlandse recht van toepassing) is Nederlands recht dan ook toepasselijk.
4.2.
Het beroep op nietigheid van het exploot van dagvaarding wordt door Holzhauer gebaseerd op het bepaalde in artikel 120 van Rv juncto artikel 111 lid 2 onder h Rv. In artikel 122 lid 1 Rv, dat deel uitmaakt van dezelfde afdeling als voornoemde wetsartikelen, is het volgende bepaald - aangehaald voor zover van belang in dit geval:
1. Verschijnt de gedaagde in het geding […] en beroept hij zich op de nietigheid van het exploot van dagvaarding, dan verwerpt de rechter dat beroep indien naar zijn oordeel het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad.
4.3.
Holzhauer is op de eerst dienende dag in het geding verschenen. Holzhauer heeft bij B2 formulier Stellen op 25 november 2016 aan de rechtbank medegedeeld dat zij zich “Voorzorgshalve [..] ook bij de afdeling kanton gesteld” heeft. Holzhauer heeft niet gesteld dat en waarom zij onredelijk in haar belang is geschaad. Het beroep van Holzhauer op de nietigheid van het exploot van dagvaarding faalt derhalve.
litispendentie
4.4.
Holzhauer stelt aan de orde de (on)bevoegdheid van deze rechtbank in het licht van litispendentie met de door Horrex tegen Holzhauer aangebrachte zaak bij het Landgericht Hagen in Duitsland die is ingeleid met een “Klage” van 30 december 2015, dat kennelijk op 31 december 2015 bij het Amts- und Landgericht in Hagen is ontvangen (prod. 2 van Holzhauer).
4.5.
Gezien de vestigingsplaatsen van partijen, de datum waarop de dagvaarding in de hoofdzaak is uitgebracht en de aard van de vorderingen in de hoofdzaak, namelijk vorderingen in een burgerlijke of handelszaak, dient de vraag of deze rechtbank internationaal bevoegd is te worden beantwoord aan de hand van de Brussel Ibis-Vo. Partijen gaan daar ook van uit.
4.6.
Litispendentie is geregeld in de artikelen 29, 31 en 32 van de Brussel Ibis-Vo.Artikel 29 Brussel Ibis-Vo luidt als volgt:
1. Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, onverminderd artikel 31, lid 2, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.
2. In de in lid 1 bedoelde gevallen wordt op verzoek van een gerecht waarbij de zaak is aangebracht door een ander aangezocht gerecht onverwijld aan het eerstbedoelde gerecht meegedeeld op welke datum het in overeenstemming met artikel 32 is aangezocht.
3. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.
Artikel 31 Brussel Ibis-Vo luidt - voor zover voor deze beoordeling van belang - als volgt:
1. Wanneer voor de vorderingen meer dan één gerecht bij uitsluiting bevoegd is, worden partijen verwezen naar het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt.
2. Wanneer een zaak aanhangig wordt gemaakt bij een gerecht van een lidstaat dat op grond van een in artikel 25 bedoelde overeenkomst bij uitsluiting bevoegd is, houdt elk gerecht van de andere lidstaten, onverminderd artikel 26, de uitspraak aan totdat het krachtens de overeenkomst aangezochte gerecht verklaart geen bevoegdheid aan de overeenkomst te ontlenen.
3. Indien het in de overeenkomst aangewezen gerecht zijn bevoegdheid in overeenstemming met de overeenkomst heeft vastgesteld, verklaart elk gerecht van de overige lidstaten zich onbevoegd ten gunste van dat gerecht.
Artikel 32 Brussel Ibis-Vo luidt als volgt:
1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt een zaak geacht te zijn aangebracht bij een gerecht:
a. a) op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen, of
b) indien het stuk betekend of meegedeeld moet worden voordat het bij het gerecht wordt ingediend, op het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving het stuk ontvangt, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de indiening van het stuk bij het gerecht moest doen.
De onder b) bedoelde autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving is de eerste autoriteit die de te betekenen of mee te delen stukken ontvangt.
2. Het gerecht dat, of de autoriteit die belast is met de betekening als bedoeld in lid 1, noteert, respectievelijk, de datum van indiening van het gedinginleidende stuk of het gelijkwaardige stuk, of de datum van ontvangst van de te betekenen of mee te delen stukken.
In artikel 25 Brussel Ibis-Vo is de exclusieve forumkeuze geregeld. Dit artikel luidt - voor zover voor deze beoordeling van belang - als volgt:
1. Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:
a. a) hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;
b) hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;
c) hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.
Overweging 22 van de Brussel Ibis-Vo luidt als volgt:
Om evenwel de doeltreffendheid van overeenkomsten inzake exclusieve forumkeuze te verbeteren en misbruik van procesrecht te voorkomen, moet een uitzondering op de algemene litispendentieregel worden getroffen met het oog op een bevredigende oplossing voor bepaalde situaties waarin zich een samenloop van procedures kan voordoen. Dat is het geval wanneer een ander dan het bij exclusieve forumkeuze aangewezen gerecht is aangezocht, en vervolgens tussen dezelfde partijen vorderingen voor het aangewezen gerecht worden aangebracht die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten. In een dergelijk geval moet het eerst aangezochte gerecht de procedure aanhouden zodra het aangewezen gerecht wordt aangezocht, en wel totdat dit laatste gerecht verklaart geen bevoegdheid te ontlenen aan de exclusieve forumkeuze. Dit dient om ervoor te zorgen dat het aangewezen gerecht in een dergelijke situatie voorrang krijgt om te beslissen over de geldigheid van het forumkeuzebeding en de mate waarin het beding geldt voor het voor hem dienende geschil. Het aangewezen gerecht moet aan de behandeling van de zaak kunnen beginnen, ongeacht of het niet-aangewezen gerecht al heeft besloten over aanhouding van de zaak.
4.7.
Gelet op de artikelen 25 en 31 Brussel Ibis-Vo - in onderling verband en samenhang bezien - dient de rechtbank eerst te beoordelen of partijen een rechtsgeldige forumkeuze voor deze rechtbank of de gerechten van Nederland hebben gemaakt.
4.8.
Uit vaste rechtspraak van het HvJEU (en zijn rechtsvoorganger, te weten de arresten van 14 december 1976, 24/76 - RÜWA/Colzani, Jur. 1976, p. 1831; 14 december 1976, 25/76 - Segoura/Bonakdarian, Jur. 1976, p. 1851; 11 november 1986, 313/85 - Iveco/Van Hool, Jur. 1986, p. 3337; 20 februari 1997, C-106/95 - MSG/Les Gravières Rhénanes, Jur. 1997, p. I-911; 7 juli 2016, C-222/15 - Höszig Kft./Alstom Power Termal Services, ECLI:EU:C:2016:525) volgt dat artikel 25 Brussel Ibis-Vo (in navolging van artikel 17 EEX-verdrag en artikel 23 Brussel I-Vo) autonoom dient te worden uitgelegd en dat uit die uitleg voortvloeit dat de aangezochte rechter verplicht is in de eerste plaats te onderzoeken of het beding dat hem bevoegd verklaart, inderdaad het voorwerp heeft uitgemaakt van een wilsovereenstemming tussen partijen.
4.9.
Uit de stellingen van Horrex volgt niet dat het forumkeuzebeding in artikel 17.1 van haar algemene voorwaarden het voorwerp heeft uitgemaakt van wilsovereenstemming tussen haarzelf en Holzhauer in de zin van bovengenoemde rechtspraak. Feiten of omstandigheden waaruit zou moeten volgen dat Holzhauer het forumkeuzebeding in artikel 17.1 van de algemene voorwaarden van Horrex heeft aanvaard worden immers door Horrex niet gesteld. Een andere forumkeuze voor deze rechtbank, dan in artikel 17.1 van de algemene voorwaarden van Horrex is gesteld noch gebleken. Dit alles betekent dat een forumkeuze voor deze rechtbank niet is komen vast te staan.
4.10.
Volgens Holzhauer heeft Horrex ervoor gekozen aan de Duitse zaak de voorkeur te geven boven de onderhavige zaak. Anders dan Horrex (randnr. 3.35 e.v. conclusie van antwoord in het incident) vat de rechtbank dit argument van Holzhauer niet op als een stelling dat Horrex een forumkeuze zou hebben uitgebracht voor het Landgericht Hagen in de zin van artikel 25 Brussel Ibis-Vo. Ook een forumkeuze die de bevoegdheid van deze rechtbank opzij zet - een zogeheten ‘derogerende’ forumkeuze - is derhalve niet komen vast te staan.
4.11.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of sprake is van litispendentie.
4.12.
Niet in geschil is dat de vorderingen in de onderhavige zaak en de vorderingen in de zaak voor het Landgericht Hagen tussen dezelfde partijen aanhangig zijn, hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten in de zin van artikel 29 lid 1 Brussel Ibis-Vo.
4.13.
Met betrekking tot de vraag wanneer een zaak aanhangig is, geldt in Nederland een stelsel als bedoeld onder b) en in Duitsland een stelsel als bedoeld onder a) van lid 1 van artikel 32 Brussel Ibis-Vo. Betekening van de dagvaarding in de onderhavige zaak heeft plaatsgehad op 24 december 2015. Anders dan Holzhauer meent, levert de omstandigheid dat Horrex Holzhauer heeft gedagvaard om pas op de roldatum van 30 november 2016 te verschijnen geen nalatig gedrag op van Horrex als bedoeld onder b) van het eerste lid van artikel 32 Brussel Ibis-Vo. Als tijdstip van aanhangigheid van de onderhavige zaak heeft dus te gelden 24 december 2015. Volgens § 261 Zivilprozeßordnung (ZPO) is in een Duitse civiele procedure een vordering (“Klage”) aanhangig op het moment van instellen van deze vordering. Het instellen vindt plaats door het indienen (“Zustellung”) van het proces inleidende stuk (“Klageschrift”) bij het betreffende gerecht (§ 253 ZPO). In dit geval geschiedde dat (niet eerder dan) op 31 december 2015. Op die datum is het Klageschrift van Horrex immers door het Amts- und Landgericht Hagen ontvangen (“Eing.”, derhalve: eingegangen), zo blijkt uit de datumstempel die op het Klageschrift is gezet (prod. 2 van Holzhauer; prod. 11 van Horrex). Het bovenstaande betekent dat de onderhavige zaak eerder aanhangig is gemaakt dan de zaak voor het Landgericht Hagen.
4.14.
Holzhauer wijst verder op het “voorwaardelijke karakter” van de procedure in de onderhavige zaak, dat volgens haar zou blijken uit de randnummers 45-47 van de dagvaarding in deze zaak en “de proceshandelingen van Horrex” (randnr. 8 exceptie van nietigheid tevens exceptie van onbevoegdheid).
4.15.
De teksten met randnummers 45-47 van de dagvaarding maken deel uit van paragraaf VI, dat de titel “Toepasselijke recht” draagt. Deze teksten luiden als volgt:
“45. Horrex is tegelijkertijd met het uitbrengen van deze dagvaarding eveneens een procedure in Duitsland gestart ten aanzien van hetzelfde geschil. De reden voor het uitbrengen van een dagvaarding in Nederland is dat mogelijk Nederlands recht op de relatie Horrex-Hartal [Holzhauer; Rechtbank] van toepassing is en mogelijk (eveneens) een Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het onderhavig geschil.
46. Daarenboven dient Horrex op grond van Duits recht voor 31 december 2015 een procedure te zijn gestart voor de bevoegde rechter om verjaring van haar vordering op Hartal te voorkomen. Mocht de Duitse rechter zich dus onbevoegd verklaren dan zou dat voor Horrex vergaande consequenties kunnen hebben. Teneinde alle betrokken rechten zeker te stellen, heeft Horrex ervoor gekozen zowel in Duitsland als in Nederland een dagvaarding uit te brengen.
47. Voor het geval de Duitse rechter zich onbevoegd zou verklaren, stelt Horrex zich in deze kwestie op het standpunt dat Nederlands recht op de het onderhavige bodemgeschil van toepassing is.”
4.16.
Wat betreft de proceshandelingen van Horrex waaruit dit voorwaardelijk karakter zou blijken, heeft Holzhauer het volgende op het oog. In haar op 24 december 2015 uitgebrachte dagvaarding in de onderhavige zaak heeft Horrex Holzhauer pas tegen de roldatum van 30 november 2016 gedagvaard opdat intussen de bevoegdheid van het Landgericht Hagen zou komen vast te staan. In het Klageschrift waarmee de zaak voor het Landgericht Hagen is ingeleid is geen zodanig uitstel bewerkstelligd en stelt Horrex zich uitdrukkelijk op het standpunt dat dit Duitse gerecht bevoegd is.
4.17.
Horrex betwist dat de onderhavige procedure slechts een voorwaardelijk karakter heeft.
4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de tekst met randnummers 45-47 uit de dagvaarding, al dan niet in samenhang met bovengenoemde proceshandelingen van Horrex, dat Horrex de onderhavige zaak aanhangig heeft gemaakt voor het geval dat de rechter in Duitsland zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de aldaar door Horrex aanhangig te maken zaak. Waar Horrex zich in de dagvaarding dus op het standpunt stelde dat de onderhavige zaak voorwaardelijk, of subsidiair aan de procedure in Duitsland is ingesteld, heeft zij dit standpunt in haar incidentele conclusie van antwoord verlaten, gelet op de haaks hierop staande stelling van Horrex in randnummer 3.33 van deze conclusie dat de Duitse procedure voortvloeide uit de noodzaak om te voorkomen dat zij haar vorderingen vanwege verjaring zou verliezen. De rechtbank heeft daarom te beoordelen of een dergelijke koerswijziging in rechte aanvaard moet worden, dan wel wegens misbruik van procesrecht of strijdigheid met de eisen van een goede procesorde of de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
4.19.
Ten aanzien van misbruik van procesrecht overweegt de rechtbank in dit verband als volgt.
In beginsel is een procespartij bevoegd een eerder in een procedure ingenomen standpunt later in de procedure te herzien. Van die bevoegdheid kan een procespartij geen gebruik maken indien zij deze misbruikt (art. 3:13 BW). Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
Gesteld noch gebleken is dat Horrex met haar koerswijziging Holzhauer in de onderhavige zaak benadeelt of de bedoeling heeft dat te doen. Holzhauer heeft de mogelijkheid gehad om de roldatum waartegen zij was gedagvaard te vervroegen (als bedoeld in artikel 126 Rv), Holzhauer is (gewoon) verschenen in het geding en Holzhauer kan zich in dit geding behoorlijk verweren.
Horrex heeft niet gesteld welk rechtens te respecteren belang zij heeft bij haar koerswijziging, maar haar betoog komt neer op een betwisting van een wijziging.
Holzhauer wordt door deze koerswijziging van Horrex in de onderhavige zaak niet onredelijk in haar belang is geschaad, nu Holzhauer voor deze rechtbank nog geen verweer ten gronde voert, afgezien van de vertraging die Horrex heeft laten ontstaan (en waarover hieronder nader).
Van misbruik van procesrecht is in de onderhavige zaak dan ook geen sprake.
4.20.
Ten aanzien van strijdigheid met de eisen van een goede procesorde of de tussen partijen in acht te nemen redelijkheid en billijkheid overweegt de rechtbank in dit verband als volgt.
Partijen zijn jegens elkaar verplicht onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen (art. 20 lid 2 Rv). Door Holzhauer op een termijn van meer dan elf maanden te dagvaarden in de onderhavige procedure, met als redengeving dat de vorderingen aan de rechter in Duitsland worden voorgelegd en dat eerst een beslissing over diens bevoegdheid moet worden afgewacht, en vervolgens (vanaf de conclusie van antwoord in het incident) voorrang te geven aan de onderhavige procedure, heeft Horrex onredelijke vertraging laten ontstaan. Had Horrex haar koerswijziging aan Holzhauer medegedeeld voordat laatstgenoemde een conclusie indiende, dan zou de discussie over onbevoegdheid van deze rechtbank wegens litispendentie waarschijnlijk niet zijn ontstaan (omdat de vorderingen van Horrex eerder bij deze rechtbank aanhangig zijn gemaakt dan bij de rechter in Duitsland). Ook die vertraging kan Horrex worden verweten.
Een en ander heeft Holzhauer echter niet zodanig benadeeld dat het met de goede procesorde in strijd zou zijn Horrex die koerswijziging toe te staan. Ook naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid is de koerswijziging niet onaanvaardbaar.
4.21.
Dat Horrex haar processuele houding in zoverre heeft gewijzigd dat zij haar vorderingen niet heeft ingesteld onder de voorwaarde dat de rechter in Duitsland zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de aldaar door Horrex aanhangig gemaakte zaak moet dan ook aanvaard worden.
de bevoegdheid van deze rechtbank
4.22.
Holzhauer heeft geen woonplaats in Nederland in de zin van artikel 63 Brussel Ibis-Vo. Daarom kan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht ontlenen aan de in artikel 4 lid 1 neergelegde bevoegdheidshoofdregel van de Brussel Ibis-Vo dat de gerechten bevoegd zijn van de lidstaat waar de gedaagde woonplaats heeft.
4.23.
Artikel 7 Brussel Ibis-Vo bevat de volgende alternatieve-bevoegdheidsregels met betrekking tot contractuele respectievelijk buitencontractuele vorderingen:
Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
1. a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
b) voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:
- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
- voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;
c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;
2. ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.
4.24.
Horrex heeft bij dagvaarding de hierboven in rov. 3.4 genoemde feiten gesteld op grond waarvan deze rechtbank krachtens artikel 7, aanhef, sub 1 dan wel artikel 7, aanhef, sub 1 Brussel Ibis-Vo bevoegd is. Holzhauer heeft deze feiten niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. De rechtbank is dan ook op grond van artikel 7, aanhef en sub 1 dan wel artikel 7, aanhef en sub 2 Brussel Ibis-Vo bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Horrex.
proceskosten
4.25.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal Holzhauer in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van Horrex worden tot aan deze uitspraak begroot op:
- -
salaris advocaat € 452,00 (1 punt in Liquidatietarief II))
- -
totaal € 452,00.
Zoals is gevorderd en niet zelfstandig is bestreden, zal de rechtbank de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
in de hoofdzaak
4.26.
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor conclusie van antwoord.
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de vorderingen af;
veroordeelt Holzhauer in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak zijn begroot op€ 452,00;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 26 april 2017 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.
901/1928