De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.2.2:1.2.2 Autonomie van de leraar bij het afnemen van examens
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.2.2
1.2.2 Autonomie van de leraar bij het afnemen van examens
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949613:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 13 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1795, AB 2002, 384, m.nt B.P. Vermeulen.
Artikel 31a, tweede lid, van de Wpo, artikel 7.8, tweede lid, van de Wvo 2020, artikel 4.1a.1, tweede lid, van de Web en artikel 31a, tweede lid, van de Wec.
Artikel 7.12c, eerste lid, van de Whw.
Artikel 10a Wpo, 2.94 van de Wvo 2020, 6.1.4b van de Web en artikel 5.7, eerste lid, onder a, van de Whw.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De autonomie van de leraar lijkt het grootst te zijn bij het beoordelen van de onderwijsprestaties van de leerling, zoals bij het afnemen van toetsen, tentamens en examens. Dit zijn zogenaamde beoordelingsbeslissingen die 1) een oordeel inhouden over het kennen of kunnen 2) van een leerling of student 3) aan de hand van een proef.1 De autonomie van de leraren is in dit geval groot omdat een dergelijke beoordeling van de onderwijsprestaties van een leerling vaak niet aan de hand van precieze maatstaven kan plaatsvinden. De betreffende leraar betrekt in zijn beoordeling zijn eigen vakdeskundigheid, deze beoordeling is dan ook in meer of mindere mate subjectief of intuïtief. Hierdoor komt aan de leraar beoordelingsvrijheid toe.
Dat aan leraren autonomie toekomt bij het nemen van deze beoordelingsbeslissingen, kan onder meer afgeleid worden uit de Awb, de bijbehorende jurisprudentie en verschillende onderwijswetten. Uit artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb vloeit voort dat geen bezwaar en beroep ingesteld kan worden tegen beoordelingsbeslissingen in het onderwijs. De Afdeling heeft geoordeeld dat deze bepaling de rechtsbescherming van de leerling beperkt, maar dat dit legitiem is omdat een dergelijk oordeel overgelaten moet worden aan personen en instanties die daartoe de vereiste deskundigheid bezitten.2 Ook uit de onderwijswetten blijkt dat aan leraren autonomie toekomt bij het beoordelen van de onderwijsprestaties van leerlingen. Voor het primair voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs is in de betreffende onderwijswet bepaald dat aan leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid toekomt voor wat betreft het beoordelen van de onderwijsprestaties van de leerling.3 In het hoger onderwijs is de bevoegdheid om het examen af te nemen en beoordelen exclusief geattribueerd aan de examinator.4 Duidelijk is dan ook dat aan leraren juridisch gezien een zekere mate van autonomie toekomt waar het de beoordeling van de onderwijsprestaties van de leerling betreft, hoewel onduidelijk blijft hoe ver die reikt.
De autonomie van leraren bij het beoordelen van de leerling kan, net als zijn autonomie bij het geven van onderwijs, leiden tot spanningen met de leerling en het bevoegd gezag. Dit geldt in het bijzonder waar het gaat om de beoordeling van examens. In dit proefschrift wordt een brede definitie van het begrip ‘examen’ gehanteerd, namelijk: de beoordelingsbeslissingen waarmee het onderwijs in een bepaalde sector wordt afgesloten. Hieronder wordt verstaan het schooladvies in het primair onderwijs, de school/instellings- en centrale examens in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs en de tentamens in het hoger onderwijs die gezamenlijk het examen vormen. De autonomie van de leraar is in het bijzonder van belang bij het beoordelen van een examen, omdat de gevolgen van deze beoordelingen voor het bevoegd gezag, de leerling en de maatschappij groot kunnen zijn. Het examen leidt immers tot een diploma. Dit diploma heeft rechtsgevolg. Dit betekent bijvoorbeeld dat de leerling kan doorstromen naar een andere vorm van onderwijs, hij een bepaald beroep mag uitoefenen of een titel of graad in zijn naamsvermelding mag opnemen. Het diploma is daarnaast van belang bij het bepalen of de kwaliteit van onderwijs binnen de betreffende school of opleiding op orde is, ook heeft het diploma grote maatschappelijke waarde.
De grote gevolgen die het examen met zich brengt, kan echter leiden tot spanning met leraren die een zekere mate van autonomie hebben om (een deel van) het examen te beoordelen. Vanwege hun autonomie is het niet eenvoudig voor het bevoegd gezag, de leerling of de maatschappij in het algemeen om invloed uit te oefenen op de beoordeling van een examen en de vraag of aan een leerling een diploma verstrekt moet worden, terwijl zij wel door deze beoordeling worden geraakt. Dit kan problematisch zijn voor het bevoegd gezag, omdat het niveau van de afstuderende uiteindelijk bepalend is voor het kunnen halen van een voldoende in het kader van het toezicht van de Inspectie of om accreditatie in het hoger onderwijs te behalen of behouden.5 Als de examinering niet op orde is, kan dit grote gevolgen hebben voor het bevoegd gezag. De uitslag van het examen is logischerwijs ook van groot belang voor de leerling. Het behalen van een diploma is vaak bepalend voor het kunnen volgen van vervolgonderwijs of het zetten van stappen op de arbeidsmarkt. Voor de beoordeling van zijn examen is de leerling evenwel afhankelijk van leraren met autonomie. De autonomie van de leraren bij het beoordelen van examens is ten slotte van belang voor de maatschappij in brede zin. De maatschappij moet erop kunnen vertrouwen dat degene die in het bezit is van een diploma, daadwerkelijk beschikt over de benodigde kennis, inzicht en vaardigheden voor het behalen van dat diploma. Voor een oordeel hierover is de maatschappij evenwel afhankelijk van een oordeel van een leraar dat lastig te controleren is. Het is dan ook van belang te onderzoeken hoever de autonomie van de leraar bij het nemen van examenbeslissingen reikt en welke gevolgen dit heeft voor andere belanghebbenden in het onderwijs.