Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/11.1
11.1. Inleiding
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS615669:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
A. Verbeke, De legitieme ontbloot of dood? Leve de echtgenoot! (oratie Tilburg), Overdruk T.P.R. 2000, randnummer, p. 31. Het nieuwe Nederlandse erfrecht is volgens hem een overloper van de Romaanse traditie naar de Germaanse rechtsfamilie.
A. Verbeke, De legitieme ontbloot of dood? Leve de echtgenoot! (oratie Tilburg), Overdruk T.P.R. 2000, randnummer, p. 36.
Ik abstraheer thans van eventuele verzorgingsaanspraken op grond van art. 4: 29, 4:30 en art. 4:35 BW, van het salaire différé van art. 4:36 BW en van het andere wettelijke recht van art. 4:38 BW Deze andere wettelijke rechten zouden onder omstandigheden nog juridische en/of economische hindernissen kunnen opwerpen voor de voortzetting van erflaters onderneming, zij het dat in een gepland opvolgingsscenario mijns inziens tevens in de verzorging van de achtergelaten levensgezel en van eventuele kinderen voorzien dient te worden, terwijl de planning als zodanig in beginsel in de weg zal staan aan een succesvol beroep op art. 4:38 BW. Zie W Burgerhart, Het ondernemerstestament, eerste hulp bij bedrijfsopvolging, FTV 2002/1, en Burgerhart 2007 (T & C BW), art. 4:38, aant. 1. Het salaire différé zal doorgaans aan de voortzetter toekomen en derhalve geen economische hindernis maar een economische ‘meevaller’, derhalve een financieringsfaciliteit voor de bedrijfsopvolging, zijn. Zie daarover bijvoorbeeld, W. Burgerhart, Als de knecht niet krijgt wat hem toekomt, zorgt de wetgever daar wel voor! Het salaire différé, TAR 2005, nr. 11.
Behoudens toepassing van art. 4: 5 BW.
Zo onderzocht Mellema-Kranenburg in het kader van haar dissertatie het Zwitserse Bäuerliche Erbrecht, dat aan haar voorstel voor een nieuwe, erfrechtelijke bedrijfsopvolgingregeling ten grondslag lag. Zij kwam tot de – mijns inziens terechte – conclusie dat voor de bedrijfsopvolging de ‘oplossing’ gelegen was in met name de waardering van de tot de nalatenschap behorende goederen. Haar van een ontwerptekst voorziene voorstel kwam dan ook – in grote lijnen – neer op een overnamerecht voor de voortzetter van erflaters onderneming, tegen vergoeding van een waarde die het voor hem mogelijk maakt om de onderneming winstgevend voort te zetten, rekening houdend met de intrinsieke waarde daarvan. De te vergoeden waarde wordt – ook – bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking genomen. Bij ‘staking’ binnen vijftien jaren na de verkrijging dient de ‘overwaarde’ met de andere erfgenamen te worden verrekend. T.J. Mellema-Kranenburg, De legitieme portie (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1988, p. 115 e.v.
De eventuele invloed van het huwelijksvermogensrecht op de voortzetting van erflaters onderneming laat ik buiten beschouwing. Evenmin zal ik aandacht besteden aan de vermogensoverheveling door erflater tijdens leven, de bedrijfsopvolging daaronder begrepen.
Zoals in hoofdstuk 3 uiteengezet is, kan het erfrecht juridische en economische hindernissen opwerpen voor de voortzetting van erflaters onderneming na diens overlijden. Met de gedaantewisseling van de legitieme portie in het Nederlandse erfrecht per 1 januari 2003, is de belangrijkste juridische hindernis uit het oude erfrecht echter van het toneel verdwenen.
De legitieme portie is thans als zodanig nog slechts een geldvordering, en kan mitsdien uitsluitend in economische zin een hindernis voor een geslaagde voortzetting vormen. De huidige legitiemeregeling van Boek 4 BW kan, zoals Verbeke dat doet, worden geschaard onder de Germaanse en Scandinavische traditie; hij spreekt in dat kader van een ‘ontblote reserve’.1 Kenmerkend voor de Germaanse en Scandinavische rechtsfamilies is volgens hem onder meer dat de legitimaris geen zakelijk recht in natura op de erfgoederen heeft; hij is slechts schuldeiser van een vordering in geld.2
De in hoofdstuk 3 bedoelde economische hindernissen kunnen voortvloeien uit de – al dan niet goederenrechtelijke – deelgerechtigdheid van anderen dan de voortzetter(s)in – de waarde van – erflaters onderneming; de waarde – daarvan – dient immers in beginsel op grond van de wil van de erflater en/of van de wetgever aan bedoelde anderen te worden vergoed. De – goederen-rechtelijke – deelgerechtigdheid van een wettelijke erfgenaam is door een onterving eenvoudig te ecarteren. In beginsel resteert – afgezien van erflaters mogelijke wens dat niet-voortzetters in – de waarde van – diens onderneming participeren – dan ook slechts de legitieme portie als potentiele ‘economische deelgerechtigdheid’, en derhalve als economische hindernis.3
De impact van de legitieme portie als economische hindernis wordt primair bepaald door de omvang daarvan en het moment van opeisbaarheid. De omvang van de legitimaire geldvordering hangt, afgezien de ‘toerekenregels’ van art. 4:70 tot en met art. 4:75 BW, af van de omvang van de legitimaire massa en het breukdeel waarmee de legitieme portie daarin wordt bepaald. Het breukdeel ligt vast in de wet (art. 4:64 BW). De omvang van de legitimaire massa niet; daarvoor is een waardering van de daarvan deel uitmakende vermogensbestanddelen vereist. Zoals in hoofdstuk 5, § 8.1 betoogd, zal voor de waardering ter bepaling van de omvang van de legitimaire massa in beginsel de waarde in het economische verkeer als uitgangspunt dienen, een zuiver objectieve waarde derhalve, gebaseerd op de ‘hoogst haalbare prijs’. De omvang van de legitieme portie als economische hindernis wordt als gevolg van de toe te passen waarderingsmaatstaven derhalve ‘gemaximaliseerd’, zoals ik in hoofdstuk 9, § 6 heb geconcludeerd.
De legitimaire vordering is in beginsel zes maanden na erflaters overlijden opeisbaar (art. 4:81 lid 1 BW).4Erflater heeft twee middelen om de opeisbaarheid van de legitieme portie bij uiterste wilsbeschikking uit te stellen, te weten door in zijn uiterste wil de in art. 4:82 BW bedoelde voorwaarde op te nemen dan wel door de legitimaris te bedenken met een in termijnen opeisbaar ‘art. 4:74-legaat’. Het eerste middel is, afgezien van de (on)mogelijkheden die men aanwezig acht voor een ruime toepassing daarvan buiten de sfeer van het ongestoord voortleven door de langstlevende, door de wetgever in ieder geval niet als bedrijfsopvolgingsfaciliteit bedoeld, en laat ik als zodanig verder buiten beschouwing. Art. 4:74 BW resteert als faciliteit ter beteugeling van de economische impact van de legitieme portie. Zoals in hoofdstuk 10, § 3.2.4 betoogd valt mijns inziens wel een en ander af te dingen op de ‘techniek’ en de ‘functionaliteit’ van deze faciliteit; de achilleshiel van de faciliteit blijkt voornamelijk de waardering in het kader van de legitiemeregeling te zijn.
De erfrechtelijke faciliëring van een bedrijfsopvolging in Nederland lijkt derhalve onvolkomenheden te vertonen, althans voor verbetering vatbaar te zijn. Om onder meer de (on)juistheid van deze opvatting te onderbouwen, maar tevens om te bezien ‘hoe anderen het doen’, is het dienstig om te onderzoeken op welke wijze in een vergelijkbaar erfrechtelijk systeem, dat wil zeggen binnen de Germaanse en Scandinavische rechtsfamilie, wordt omgegaan met ‘bedrijfsopvolging en legitieme portie’, waarbij mijn keuze is gevallen op het Duitse erfrecht.5
Mijn beschouwing betreft primair de rol van de legitiemeregeling in relatie tot de voortzetting van erflaters onderneming na overlijden, en de wijze waarop men in Duitsland het hoofd heeft geboden aan erfrechtelijke voortzettingshindernissen. In paragraaf 2 zal ik in algemene zin op ‘Erfrecht en Bedrijf’ in het Duitse erfrecht ingaan, toegespitst op de legitiemeregeling, om in paragraaf 3 uiteen te zetten welke bedrijfsopvolgingsfaciliteiten en/of -regelingen in Duitsland beschikbaar zijn.6 Ik besluit dit hoofdstuk met enkele conclusies, waarin ik onder meer zal terugkomen op mijn hiervoor gegeven opvatting ten aanzien van het Nederlandse erfrecht voor wat betreft de behandeling en/of faciliëring van bedrijfsopvolgingen.