Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.3.3
14.3.3 (In)direct bewijs en vrije waardering
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940620:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 13.3, in het bijzonder paragraaf 13.3.4.
Zie paragraaf 7.3.5.4.
Zie ook paragraaf 13.3.3.1.
Vgl. in dit verband HR 14 oktober 2016, V-N 2016/53.7, r.o. 3.3.3 (slot), waarin de Hoge Raad benadrukt dat het Hof voor het bewijs van opzet ‘geen gebruik heeft gemaakt van enig bewijsvermoeden’. Kennelijk acht de Hoge Raad het dus van belang dat dit oordeel louter was gebaseerd op andersoortige (sterkere) bewijsmiddelen. Zie voorts paragraaf 13.3.5.3.
Zie paragraaf 7.3.9.4 en paragraaf 10.2.2.2. Vgl. ten aanzien van vermoedens (in algemene zin) HR 9 juni 1993, BNB 1993/253, r.o. 3.5. Zie verder paragraaf 14.3.1 hiervoor.
Het bewijs van de centrale stellingen moet ‘beyond reasonable doubt’ worden geleverd, hetgeen overeenkomt met de zware gradatie ‘doen blijken’.1 In paragraaf 7.3.9.3.3 heb ik verdedigd dat het onderscheid tussen direct bewijs en indirect bewijs betekenis heeft voor de vraag of de vereiste bewijsgradatie is behaald. Bewijs dat louter bestaat uit indirecte bewijsmiddelen (of uit vermoedens)2 zal niet snel voldoende bewijskracht bezitten om de zware gradatie te halen. Dat laat onverlet dat de uiteindelijke weging van het bewijs ook in boetezaken is voorbehouden aan de rechter.3 Wel strekt het tot aanbeveling dat de rechter zijn bewijsoordeel dat het beboetbare feit is begaan, uitgebreider motiveert naarmate hij zwaarder heeft geleund op indirecte bewijsmiddelen en vermoedens.4 Dat oordeel kan dan niet snel worden vernietigd omdat het onbegrijpelijk zou zijn.5