De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.2.3:9.2.3 De verhouding tot art. 1 EP en art. 11 EVRM
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.2.3
9.2.3 De verhouding tot art. 1 EP en art. 11 EVRM
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372119:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.4.3, respectievelijk par. 6.4.
Zie par. 5.2.1.
Zie par. 5.4.3.1.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 27 april 2005, ARO 2005, 77 (Dolphin Watercompany),r.o. 3.5. Zie ook Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2013, ARO 2013/26 (Thermen).
Zie 9.2.2.6.
Zie ook 8.3.2.4.
Zie par. 5.4.3.1 en 5.4.3.3, alsmede Barkhuysen en Van Emmerik Preadvies, p. 63.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 1 EP en art. 11 EVRM kennen elk een eigen proportionaliteitstoets.1 De vraag is hoe deze zich verhouden tot de proportionaliteitstoets uit het enquêterecht.
Art. 1 EP en art. 11 EVRM bieden de Nederlandse rechter de ruimte om zelf bepalen hoe hij ervoor zorgt dat zijn uitspraken voldoen aan het proportionaliteitsvereiste van art. 1 EP en art. 11 EVRM.2 De proportionaliteitstoets van art. 1 EP en art. 11 EVRM kan dus volledig worden geïncorporeerd in de proportionaliteitstoets die reeds op grond van het Nederlandse recht moet worden toegepast bij het treffen van eindvoorzieningen. Mijns inziens komt het echter de kwaliteit van de rechterlijke beslissing en de motivering daarvan ten goede, indien afzonderlijk wordt stilgestaan bij de proportionaliteitstoets van art. 1 EP en art. 11 EVRM. Deze proportionaliteitstoetsen hebben elk een eigen karakter en perspectief, dat niet verloren mag gaan in meer omvattende proportionaliteitstoetsen waarin alles op één hoop wordt gegooid.3
Dat is in het enquêterecht wel een aandachtspunt. Het (collectieve) belang van de vennootschap is immers leidend4 bij het bepalen welke eindvoorzieningen geboden zijn, terwijl het bij de toets van art. 1 EP toch primair gaat om de vraag in hoeverre een individueel belang ondergeschikt mag worden gemaakt aan het belang van de vennootschap en art. 11 EVRM een bijzondere status aan religieuze en ideële belangen geeft.
Zo vind ik dat in Dolphin Watercompany-beschikking5 wel heel makkelijk wordt heengestapt over het betoog van beide aandeelhouders dat hun positie niet zou moeten worden aangetast door eindvoorzieningen, omdat zij geen schuld dragen aan het ontstane wanbeleid. In par. 9.2.2.6 is uiteengezet dat zich dit slecht verhoudt met het Nederlandse recht.6 Mijns inziens verplicht art. 1 EP om de schuldvraag in het proportionaliteitsoordeel te betrekken, indien gemotiveerd wordt gesteld dat het niet proportioneel is om de rechten van een partij aan te tasten omdat deze geen schuld draagt aan het wanbeleid en het wanbeleid eveneens kan worden verholpen door het aantasten van de rechten van een partij die wel schuld draagt aan het wanbeleid.7 De schuldvraag hoeft dan niet doorslaggevend te zijn, maar partijen waarvan de rechten worden aangetast zal moeten worden uitgelegd waarom dit nodig is.