De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/2.1.1:2.1.1 Distributieve rechtvaardigheid
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/2.1.1
2.1.1 Distributieve rechtvaardigheid
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS364181:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor overzichtsartikelen op het vlak van distributieve rechtvaardigheid, zie: Konow (2003) en Sabbagh (2001).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot 1975 stond het onderzoek naar besluitvormingsprocedures in het teken van de verdeling van uitkomsten (Blau, 1964; Homans, 1961; Leventhal, 1976; Stouffer e.a., 1949). Men ging er toen vanuit dat individuen een besluitvormingsprocedure positief evalueren als de uitkomst als rechtvaardig wordt gezien. De bekendste theorie die van deze gedachte uitgaat is de Equity theorie van Adams (1964). Volgens deze theorie vergelijken mensen hun eigen inbreng-uitkomstverhouding met die van relevante anderen. Indien een individu hierin een ongelijkheid (`inequity) percipieert, zal hij ernaar streven de balans te herstellen. Volgens Adams is het daarbij niet relevant in wiens voordeel de balans uitslaat: ook individuen die profiteren van de ongelijkheid, zullen proberen de balans te herstellen. Dat kan een individu op een aantal manieren doen. Een individu kan zijn eigen inbreng of uitkomsten feitelijk of cognitief aanpassen, het veld verlaten, zich met iemand anders vergelijken of de ander zijn inbreng of uitkomst proberen te beïnvloeden.
Voorbeeld
Als advocaat Jansen een lager salaris heeft dan de advocaten De Vries en Berendse, zal hij de verhouding tussen zijn eigen inbreng (opleiding, leeftijd, eerdere werkervaring, intelligentie, sociale vaardigheden, aantal uren werk/inspanningen) en uitkomsten (salaris, status) vergelijken met die van zijn twee collega’s. Hij komt daarbij tot de conclusie, dat er sprake is van balans als hij zichzelf met mr. De Vries vergelijkt: ‘het is rechtvaardig dat mr. De Vries meer verdient dan ik omdat hij al een aantal jaren langer als advocaat werkzaam is en hij bovendien, in tegenstelling tot mijzelf, ieder weekend ook nog aan het werk is’.
Als hij zichzelf echter met mr. Berendse vergelijkt percipieert hij ongelijkheid: ‘het is niet rechtvaardig dat Mr. Berendse meer verdient dan ik. Hij is tegelijk met mij begonnen als advocaat, werkt niet harder dan ik, is niet slimmer dan ik en wint niet meer zaken dan ik’. Nu advocaat Jansen deze ongelijkheid heeft waargenomen, zal hij proberen de balans tussen zijn eigen inbreng-uitkomstverhouding en die van mr. Berendse te herstellen. Dat kan hij doen door zijn eigen inbreng of uitkomsten feitelijk (minder hard werken, salarisverhoging vragen) of cognitief (`mijn salaris is dan wel wat lager, maar mijn kamer is natuurlijk veel groter’) aan te passen, het veld te verlaten (ontslag nemen), zich met een andere collega vergelijken of mr. Berendse zijn inbreng of uitkomsten proberen te beïnvloeden (hem stimuleren om harder te werken).
Ook uit andere studies kwam naar voren dat gelijkheid (equity) van invloed is op (ervaren) rechtvaardigheid van uitkomsten. Het bleek echter niet de enige verdeelsleutel te zijn die individuen hanteren om te beoordelen of een uitkomst rechtvaardig is Afhankelijk van de situatie, zal een individu het relatieve belang van verschillende verdeelsleutels bepalen om vast te stellen of de uitkomst rechtvaardig is. Zo zal er binnen gezinnen vaker een verdeelsleutel op basis van gelijkwaardigheid (ieder krijgt evenveel) of behoefte (degene die dat het meest nodig heeft, krijgt het meeste) gebruikt worden (Leventhal, 1980).1