Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.10:20.10 Procedurele waarborgen
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.10
20.10 Procedurele waarborgen
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492260:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Of het doel van art. 6 EVRM – een behoorlijk strafproces – wordt gerealiseerd, moet worden beoordeeld op grond van de gehele (straf)procedure, inclusief de waarborgen die tijdens het vooronderzoek en het strafgeding zelf aan de verdachte zijn toegekend (‘the existence of relevant safeguards in the procedure’). Het Hof heeft deze waarborgen, die een wezenlijk onderdeel van de ‘balancing test’ van het EHRM vormen, aangemerkt als tweede toetsingsfactor voor schending. Procedurele waarborgen kunnen een aantasting van het recht tegen gedwongen zelfbelasting compenseren. Zij dragen eraan bij dat een eventuele veroordeling van de verdachte steunt op deugdelijk bewijs dat op integere wijze is vergaard. In dit opzicht zijn de waarborgen voor de verdediging in de nationale strafprocedure een exponent van het recht op een behoorlijk strafproces. Met de nemo tenetur-problematiek hebben zij traditioneel niet veel van doen.
De precieze compenserende werking van waarborgen volgt niet duidelijk uit de Straatsburgse rechtspraak. Aangenomen moet worden dat zij een potentiële strijdigheid bij voorbaat kunnen wegnemen en ook achteraf kunnen herstellen.
Tijdens het vooronderzoek en de strafzitting kunnen tal van waarborgen spelen. Typische waarborgen tijdens het vooronderzoek zijn het recht op (tijdige) bijstand door een advocaat en de cautieplicht. Zij dragen bij aan de keuzevrijheid van de verdachte om kortweg te spreken of te zwijgen. Een typische waarborg tijdens het strafgeding is het rechterlijk toezicht op de bewijsgaring bij en de bewijsvoering tegen de verdachte.
Inmiddels moet het ervoor moet worden gehouden dat verdragsstaten het EVRM-zwijgrecht in de eigen rechtsorden voldoende kunnen waarborgen door de formulering van een voldoende duidelijke regel die potentieel belastende verklaringen bij voorbaat van het bewijs in punitieve zaken uitsluit. Wanneer de gevorderde verklaringen voor het bewijs van de criminal charge worden uitgesloten, door de autoriteiten zelf of door de rechter, dan kunnen die wel voor andere doeleinden worden gebruikt, zoals (fiscaal) nalevingstoezicht. Welke precieze eisen het Hof aan een dergelijke bewijsuitsluitingsregel stelt, is nog niet duidelijk. De regel dient in ieder geval kenbaar te zijn voor de verdachte op het moment dat de autoriteiten potentieel belastende verklaringen (na het ‘charge’-moment) van hem afdwingen. Of bewijsuitsluiting steunt op art. 6 EVRM c.q. het daarin belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting, is niet van belang.
Het Hof heeft zich nog niet uitgesproken over de betekenis van bewijsuitsluiting voor wat betreft het niet-meewerkrecht. Op zichzelf ligt het voor de hand dat ook dat recht door bewijsuitsluiting voldoende kan worden gewaarborgd.