Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/6.6.1
6.6.1 Inleiding
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS604574:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 26 februari 2013, C-617/10 (Åkerberg Fransson), r.o. 16-23. Het Hof week hiermee in zoverre af van de conclusie van de A-G, die juist voorstelde een restrictievere uitleg aan de reikwijdte van het Handvest te geven (conclusie A-G P. Cruz Villalón, HvJ EU 12 juni 2012, C-617/10 (Åkerberg Fransson), i.h.b. overweging 5 en overwegingen 56-65. Zie over het arrest en de conclusie uitgebreid: Hancox 2013). Zie over de reikwijdte van het Handvest ook Sarmiento 2013, p. 1274-1287.
Lenaerts 2012, p. 394-397. Zie ook artikel 6 lid 3 VEU en Sarmiento 2013, p. 1289, 1291 en 1292. Wel volgt uit de jurisprudentie van het Hof dat nationale fundamentele rechten (bijv. nationale constitutionele rechten) niet aan de volle werking van het EU-recht in de weg kunnen staan, wanneer de lidstaat geen discretionaire bevoegdheid heeft bij de uitvoering daarvan. In dat geval beperkt de werking van het Handvest dus de rechtsbescherming die uit nationale fundamentele rechten voortvloeit. De EU-bepaling kan dan slechts worden getoetst aan dat Handvest of ander hoger EU-recht (HvJ EU 26 februari 2013, C-399/11 (Melloni), r.o. 55-64. Zie teven Sarmiento 2013, p. 1289-1294 en Hancox 2013, p. 1427-1429). Mocht in de toekomst artikel 120 Gw dus worden aangepast om toetsing van formele wetgeving aan de Grondwet mogelijk te maken, dan zal die toetsing niet aan de uitvoering van nationale wetgeving in de weg kunnen staan wanneer het in feite de uitvoering van een gebonden EU-bevoegdheid betreft (denk hierbij bijvoorbeeld aan de verplichte oplegging van de bestuurlijke boete van € 100,- * EU CPI bij het niet tijdig inleveren van emissierechten die wordt voorgeschreven door artikel 16 Richtlijn ETS. Indien die boete met een beroep op artikel 193 VwEU hoger zou worden vastgesteld is toetsing aan nationale fundamentele rechten wel weer toegestaan (HvJ EU 26 februari 2013, C-617/10 (Åkerberg Fransson), r.o. 29. Zie hierover tevens Sarmiento 2013, p. 1294-1296 en Hancox 2013, p. 1427-1429)).
Vgl. Lenaerts 2012, p. 394-397 en ‘Toelichtingen bij het Handvest van de Grondrechten’, onder ‘Toelichting ad artikel 17 - Het recht op eigendom’.
Het eigendomsrecht wordt beschermd door zowel artikel 1 eerste protocol EVRM, als door artikel 17 Handvest van de grondrechten van de EU. Artikel 1 eerste protocol EVRM is bindend voor de lidstaten, waaronder dus Nederland. Artikel 17 Handvest is bindend voor de EU, alsook voor de lidstaten voor zover zij het EU-recht uitvoeren. ‘Uitvoeren’ moet hier echter niet restrictief worden uitgelegd, onder de reikwijdte van het Handvest vallen alle situaties die onder de reikwijdte van het EU-recht vallen. Dus ook situaties waarin de handhaving van implementatiebepalingen van het EU-recht aan de orde is.1
In het kader van het ETS zijn beide grondrechtbepalingen van toepassing op Nederland. De bescherming die uitgaat van artikel 17 Handvest zal over het algemeen niet snel afwijken van de bescherming die uitgaat van artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Artikel 52 lid 3 en artikel 53 Handvest garanderen dat de rechtsbescherming van artikel 17 Handvest niet de bescherming van artikel 1 Eerste Protocol EVRM beperkt.2 Bovendien volgt uit artikel 52 lid 3 Handvest dat fundamentele rechten die daarin zijn vastgelegd en overeenkomen met fundamentele rechten in het EVRM dezelfde omvang hebben. Hieruit volgt dus dat het beschermingsniveau van artikel 17 Handvest en artikel 1 Eerste Protocol gelijk moeten zijn. 3