Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.5.4:IX.5.4 Afstandelijke relatie: het materieelrechtelijk schuldbeginsel
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.5.4
IX.5.4 Afstandelijke relatie: het materieelrechtelijk schuldbeginsel
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595145:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
§ III.4.1.
Zie ter illustratie Van Kempen & Fedorova 2015, p. 13-66 (over ‘jihadgangers’); Lestrade 2018, hfdst. 4 (over mensenhandel).
§ III.4.1.
§ III.5.2.
Dat heeft de ogenschijnlijk paradoxale consequentie dat de onschuldpresumptie niet in de weg staat aan het niet-stellen van een verwijtbaarheidseis, maar wel grenzen stelt aan vermoedens van verwijtbaarheid die de verdachte door middel van een verweer kan weerleggen. Zie daarover § III.5.2 en § V.4.
§ V.4.1.
§ V.4.2.
§ V.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook tussen de onschuldpresumptie en het materieelrechtelijke schuldbeginsel wordt dikwijls een innig verband verondersteld. Het materiële schuldbeginsel stelt inhoudelijke kwaliteitseisen en grenzen aan de voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Aldus beschermt het tegen aansprakelijkheid voor gedragingen en gebeurtenissen die weliswaar hebben plaatsgevonden, maar waaraan de verdachte niets heeft kunnen doen. Door te dicteren welke minimumvoorwaarde(n) aan strafrechtelijke aansprakelijkheid moet(en) zijn verbonden, voorkomt het beginsel de veroordeling en bestraffing van personen aan wie de gedragingen waarvan zij zijn beschuldigd niet kunnen worden verweten. Ook de onschuldpresumptie verwijst naar de schuld van de verdachte: niemand mag schuldig worden geacht voordat zijn ‘schuld’ in rechte is bewezen. En ook de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie voorkomt de veroordeling en bestraffing van onschuldigen.1
Toch is het verband tussen de onschuldpresumptie en het materiële schuldbeginsel bij nadere beschouwing beduidend minder natuurlijk dan veelal wordt gedacht. Beide beschermen weliswaar de onschuldige tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar zij doen dat op wezenlijk andere manieren. Het materieelrechtelijke schuldbeginsel waakt tegen aansprakelijkheidsvormen die onterecht zijn omdat de feitelijke toedracht van hetgeen is voorgevallen strafbaarheid niet billijkt. Het beginsel staat daarin niet alleen. Daartoe strekken bijvoorbeeld ook het daadstrafrechtbeginsel, het wederrechtelijkheidsbeginsel en het schadebeginsel.2 Zij beogen stuk voor stuk grenzen te stellen aan de voorwaarden waaronder iemand strafrechtelijk aansprakelijk is, met dien verstande dat hun erkenning en werking in het Nederlandse materiële strafrecht minder volmaakt zijn dan die van het schuldbeginsel.
De onschuldpresumptie is daarentegen procesrechtelijk van aard. Dat blijkt onder meer uit de historische ontwikkeling ervan, de plaats in de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR en uit de (overige) eruit voortvloeiende normen. De aan onschuldigen geboden bescherming bestaat er niet in voor te schrijven wat wel en niet afdoende voorwaarden zijn voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Verzekerd wordt dat de voorwaarden die samen de aansprakelijkheid construeren en vervuld worden geacht ook daadwerkelijk in feitelijke zin vervuld zijn.3 De presumptie van onschuld vergt aldus een zorgvuldig onderzoek naar de ‘schuld’ van de verdachte aan het hem aangerekende strafbare feit. In hoofdstuk III bleek echter dat het beginsel zelf aan die ‘schuld’ geen autonome inhoud kan verlenen, maar neutraal moet worden begrepen.4 Schuld verwijst derhalve primair naar het daadwerkelijk hebben vervuld van de – op aan de onschuldpresumptie exterieure gronden gebaseerde – voorwaarden voor strafbaarheid. Is een strafbaarheidsvoorwaarde eenmaal gesteld (in de delictsomschrijving, in de vorm van een exceptie, of in vaste rechtspraak), dan beheerst het beginsel de bewijsrechtelijke vervulling ervan.5 Dienovereenkomstig gaan de rechtspraak van het VN Mensenrechtencomité en de richtlijn uit van een procedurele benadering van ‘schuld’.6
Dit neemt niet weg dat aan het begrip ‘schuld’ autonome voorwaarden kunnen worden verbonden, maar dat betreft een keuze waartoe de onschuldpresumptie niet noopt en waarvoor deze ook geen argument vormt. Anders gezegd: een aan de te bewijzen ‘schuld’ te stellen voorwaarde als verwijtbaarheid of wederrechtelijkheid volgt niet uit erkenning van de onschuldpresumptie, maar uit erkenning van het congruerende materieelrechtelijke beginsel (schuldbeginsel resp. wederrechtelijkheidsbeginsel). De rechtspraak van het EHRM bevestigt dit. Het Hof geeft een zekere invulling aan het materiële schuldbeginsel, zij het een beperkte. Beperkter bijvoorbeeld dan de invulling die de Hoge Raad aan dat schuldbeginsel geeft. Niet steeds hoeft de verdachte volgens het EHRM namelijk ten tijde van het begaan van het feit in een verwijtbare mentale toestand te hebben verkeerd. Zuivere risicoaansprakelijkheid voor de gedraging van een ander is echter ontoelaatbaar.7 Argumentatie waarom juist de onschuldpresumptie die persoonlijke schuld vereist, ontbreekt. Veeleer gaat het om een afzonderlijke fundamental rule of criminal law en om de onverenigbaarheid van risicoaansprakelijkheid met the standards of criminal justice in a society governed by the rule of law. Dat blijkt ook eruit dat het EHRM soortgelijke conclusies verbindt aan de term guilty in artikel 7 EVRM.8 Noch het onschuldvermoeden, noch het legaliteitsbeginsel houdt als zodanig het materiële schuldbeginsel in. Nu strafrechtelijke risicoaansprakelijkheid desalniettemin onwenselijk is, dienen beide rechten als kapstok waaraan een zuinige variant van dat beginsel door het Hof desondanks wordt opgehangen.