Pandrecht op aandelen
Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/4.6.3:4.6.3 Verpanding financiële rechten bij voorbaat
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/4.6.3
4.6.3 Verpanding financiële rechten bij voorbaat
Documentgegevens:
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706190:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur is mijns inziens terecht geschreven dat financiële voordelen die ten laste komen van de niet tot winstuitkering bestemde reserves te beschouwen zijn als zulke vorderingen, zie Steneker 2022/2.19; Schuijling 2016/234 en 264 (§4.3.2).
Van der Heijden/Van der Grinten 1955/176 en alle opvolgende drukken, waaronder Dortmond 2013/176. In gelijke zin (algemeen) Schuijling 2016/253-254.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
180. Wanneer een aandeelhouder bij voorbaat zijn toekomstige vorderingen op de vennootschap heeft verpand aan een persoon, en zijn aandelen heeft verpand aan een ander, dan rijst de vraag welke rang beide pandhouders tot elkaar innemen indien er een financieel voordeel ontstaat. Voor zover de financiële voordelen vorderingen zijn ‘tot vergoeding die in de plaats van het verbonden goed treden’ is artikel 3:229 lid 1 BW toepasselijk.1 Het bepaalt dat het substitutiepandrecht voorgaat boven ieder op de vordering gevestigd pandrecht. Voor zover van substitutie geen sprake is – zoals bij dividend – is de kwestie naar geldend recht onbeslist.
Wanneer men aansluiting zoekt bij de in de wet geregelde gevallen, zijn er verschillende oplossingen die in aanmerking komen. Zo bepaalt artikel 3:97 lid 2 jo. 3:98 BW, dat het geval van een dubbele verpanding bij voorbaat regelt, dat een verpanding bij voorbaat niet werkt tegenover iemand die het goed ingevolge een eerdere verpanding bij voorbaat heeft verkregen. Voor dit geval zou dat naar analogie betekenen dat degene voor wie als eerste een pandrecht wordt gevestigd, voorgaat op de ander ondanks dat het twee verschillende pandobjecten betreft en er dus van zuivere samenloop geen sprake is. Mijn voorkeur gaat echter uit naar de analoge toepassing van het hiervoor genoemde artikel 3:229 lid 2 BW. Mijns inziens zou deze regel moeten worden toegepast op alle opbrengsten van aandelen. Ik kom tot die opvatting omdat zowel bij een substitutiepandrecht als bij een pandrecht dat van rechtswege op een financieel voordeel komt te rusten, een van de twee personen een aanspraak heeft op het ‘bronniveau’. Dat rechtvaardigt mijns inziens dat deze persoon een hogere aanspraak heeft dan degene die ‘slechts’ een pandrecht bij voorbaat heeft. Dat het van belang is dat de een aanspraak heeft op bronniveau, komt ook naar voren indien de pandgever zijn aandelen overdraagt in plaats van verpandt. In dat geval waren vanaf het moment van de overdracht de opbrengsten immers niet meer toegekomen aan de pandgever, waardoor degene voor wie eerder bij voorbaat een pandrecht was gevestigd ‘misgrijpt’.2 Gelet op dit alles past de toepassing van de substitutieregeling mijns inziens beter dan artikel 3:97 BW bij het wettelijk stelsel.