Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.2.2.1
4.2.2.1 De verplichte benoeming
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701972:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nog eens nadrukkelijk: HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3993.
Het woord ‘verzoeken’ is ongelukkig gekozen, want wekt de indruk dat deze mogelijkheid is voorbehouden aan verzoekers in een verzoekschriftprocedure. Aangenomen moet echter worden dat ook partijen in een dagvaardingsprocedure gewoon met een conclusie of akte hun verlangen kenbaar kunnen maken om een deskundige te benoemen. Zie: Rutgers, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 194, aant. 2 (online, bijgewerkt 1 oktober 2009).
Snijders, Klaassen & Meijer 2017, p. 314; Hugenholtz & Heemskerk 2018, p. 154. Zie ook: HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3135. De Groot wijst erop dat zeer beperkte en indirecte toetsing mogelijk is via de band van het motiveringsbeginsel; de beslissing van de feitenrechter moet begrijpelijk en controleerbaar zijn in het licht van het processuele debat van partijen (De Groot 2008, § 4.5.1 en § 4.7.1.1).
Noch de wetgever noch de Hoge Raad legt deze vrijheid aan banden (Rutgers, Flach & Boon 1988, p. 318, 320, 326 en 330; HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1902, NJ 2008/401), ondanks een daartoe strekkende roep in de literatuur (De Groot 2008, § 4.5.1 en § 4.7.1; De Bock 2011, § 7.4 en § 7.5.
Rutgers, Flach & Boon 1988, p. 327.
Het feit dat de onteigeningsrechter – volgens art. 27 onteigeningswet en art. 15.39 Omgevingswet – altijd verplicht is om deskundigen te benoemen, is het eerste aspect dat opvalt aan de positie van onteigeningsdeskundigen. Deskundigen maken daardoor onderdeel uit van iedere schadeloosstellingsprocedure (uitgebreid § 2.2.2).
Anders dan de schadeloosstellingsprocedure in het onteigeningsrecht, kent een ‘normale’ civiele procedure geen verplichte inschakeling van deskundigen. Krachtens art. 194 lid 1 Rv ‘kan’ de rechter een of meer deskundigen benoemen. De rechter heeft te dier zake een discretionaire bevoegdheid.1 De rechter kan de benoeming ambtshalve gelasten óf op verzoek van (een der) partijen.2
Anders dan in het onteigeningsrecht hebben partijen dus geen wettelijke aanspraak op de inschakeling van deskundigen. De rechter hoeft een daartoe strekkend verzoek niet te honoreren. Andersom kan de rechter ook een deskundigenadvies gelasten zonder dat partijen daarom hebben gevraagd. De keuze van de rechter kan in cassatie niet – of slechts zeer beperkt – worden getoetst.3 Het is, met andere woorden, volledig aan het inzicht van de feitenrechter overgelaten of hij deskundige voorlichting behoeft.4 De rechter kan bijvoorbeeld op grond van diens eigen kennis, ervaring en kunde het inwinnen van advies niet nodig achten.5 In het onteigeningsrecht is dat onmogelijk, zelfs al beschikt de onteigeningsrechter over de vereiste expertise.