Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/12.3.0
12.3.0 Introductie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458987:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
J.E.A.M. van Dijck, De voorgestelde nieuwe aanmerkelijkbelangregeling, WFR 1996/6206, blz. 992-993. Zie de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 6-7. In genoemd artikel somt J.E.A.M. van Dijck vijf situaties op, waarin de aanmerkelijkbelangheffing de winst van de vennootschap niet raakt en aldus geen relatie heeft met de heffing van vennootschapsbelasting, t.w.: 1. waardestijgingen van de blote eigendom bij de blote eigenaar resp. waardedaling van het vruchtgebruik bij de vruchtgebruiker; 2. valutawinsten en -verliezen; 3. interingen op het gestorte kapitaal van de vennootschap; 4. op de reguliere voordelen drukkende aftrekbare (financierings)kosten; 5. niet in Nederland belaste winsten van vennootschappen.
In deze zin mijns inziens terecht de staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag F.l). Zie tevens genoemd besluit tot welke ingewikkelde berekeningen dergelijke samenlopen tussen naar het 25%-tarief en het tabeltarief te belasten voordelen kan leiden. Vgl. verder mijn: 49 vragen en antwoorden over het aanmerkelijk belang. Fiscaal Actueel, blz. 114 e.v., Kluwer, Deventer, 1998.
Zie het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag F.l).
Zoals hierboven is uiteengezet, wordt het 25%i-tarief verklaard vanuit de gedachte dat op de voordelen van aanmerkelijkbelangaandelen tevens een voordruk vennootschapsbelasting van 35% rust. Waar deze voordruk ontbreekt, dient dan ook het reguliere tabeltarief van maximaal 60% van toepassing te zijn. Om te voorkomen dat steeds opnieuw moet worden onderzocht of in een concrete situatie inderdaad vennootschapsbelasting is geheven naar een niveau van 35%o over de winst van de vennootschap, is in art. 57a, derde lid, Wet IB bij wetsfictie een drietal situaties genoemd, waarin dit in elk geval niet het geval zal zijn. Hiermee is de suggestie van J.E.A.M. van Dijck om te trachten tot een nadere verfijning van de toepassing van het 25%-tarief te komen afgewezen.1 In de volgende drie situaties blijft ingevolge art. 57a, derde lid, Wet IB het proportionele tarief van 25% buiten toepassing:
reguliere voordelen uit en vervreemdingsvoordelen ter zake van aandelen in en winstbewijzen van een vennootschap als bedoeld in art. 29a Wet IB, na vermindering van de daarop drukkende kosten;
reguliere voordelen uit en vervreemdingsvoordelen ter zake van aandelen in en winstbewijzen van een lichaam dat als beleggingsinstelling ex art. 28 Wet Vpb. is aangemerkt, daaronder begrepen de reguliere voordelen en de vervreemdingsvoordelen genoten binnen acht maanden na het einde van het tijdvak waarover dat lichaam als beleggingsinstelling is aangemerkt, na vermindering met de daarop drukkende kosten;
reguliere voordelen als bedoeld in art. 20b, eerste lid, onderdeel d, Wet IB (borgtochtvergoedingen), na vermindering van de daarop drukkende kosten.
Hieronder worden bovengenoemde uitzonderingen nader toegelicht. In het voorgaande onderdeel is reeds aandacht besteed aan de aftrek van kosten die betrekking hebben op aanmerkelijkbelangaandelen. Zoals uit de toevoeging aan het slot van art. 57a, derde lid, onderdelen a, b en c, Wet IB blijkt, geldt de uitzondering op het 25%o-tarief niet alleen voor de positieve voordelen maar is tevens doorgetrokken naar de aftrek van kosten.
Op deze plaats wijs ik erop dat in geval van samenloop van tegen het 25%-tarief belaste winst uit aanmerkelijk belang en naar het tabeltarief belaste winst uit aanmerkelijk belang het 25%-tarief moet worden toegepast op het saldo van de winsten en verliezen uit de verschillende vennootschappen gezamenlijk. Art. 20a, eerste lid, Wet IB bepaalt immers dat winst uit aanmerkelijk belang wordt gevormd door het gezamenlijke bedrag van de aldaar genoemde reguliere voordelen en vervreemdingsvoordelen. Dit betekent dat het 25%-tarief van art. 57a Wet IB moet worden toegepast op het saldo van winsten en verliezen uit de verschillende vennootschappen gezamenlijk.2 Dit geldt ook als sprake is van een verlies uit aanmerkelijk belang en zelfs als dit negatieve bedrag wordt veroorzaakt door een verlies ter zake van een fiscale beleggingsinstelling ex art. 28 Wet Vpb. of een 'art. 29a'-lichaam. Met name kan het verlies uit aanmerkelijk belang niet worden gesplitst in een tegen 25% te belasten te bate en een groter tegen het tabeltarief te verdisconteren verlies.3