Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/2.3
2.3 Samenvatting
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950477:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2014/15, 34100, nr. 6, p. 24 (Wet implementatie Omnibus II-richtlijn) zegt hier mooi samenvattend over: “Het verzetsrecht van de polishouders zoals verwoord in de Wft komt niet voor in artikel 39 (toevoeging AM: van de Solvency II richtlijn). Dit is een regeling die van oudsher in de Nederlandse toezichtwetgeving heeft gestaan en afkomstig is uit de Wet op het Levensverzekeringbedrijf (Staatscourant 1922, 716). De richtlijn noemt wel de opzeggingsrechten van verzekeringnemers, maar werkt die niet uit.”
1. Met betrekking tot de overdracht van een levenportefeuille is vanaf de Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923 in de toezichtwetgeving opgenomen, dat de toestemming van de toezichthouder de medewerking van de polishouders vervangt, in combinatie met een proces in twee fasen met een “verklaring van aanvankelijk geen bezwaar” van de toezichthouder in de eerste fase en daarna de fase waarin de polishouders in verzet kunnen komen gevolgd door de definitieve “verklaring van geen bezwaar” van de toezichthouder.
2. Met betrekking tot de overdracht van een schadeportefeuille is al vanaf de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf per 1 september 1966 in de toezichtwetgeving opgenomen (en van kracht per 1 maart 1967), dat de toestemming van de toezichthouder de medewerking van de polishouders vervangt. Dit werd gecombineerd met een proces waarin de betrokken verzekeringnemers gedurende 90 dagen na de dagtekening van de Staatscourant, waarin de bekendmaking is geplaatst, bevoegd zijn de verzekeringsovereenkomst op te zeggen met ingang van de 91ste dag na die dagtekening.
3. De parlementaire geschiedenis bevat uitsluitend een algemene toelichting op de verschillen tussen de procedure voor de overdracht van een levenportefeuille en een schadeportefeuille. De wetgever vond dat de verschillen tussen deze twee sectoren van het verzekeringswezen het noodzakelijk maken op verschillende punten een afwijkende regeling te treffen.
4. Het belangrijkste verschil is het toekennen van een verzetrecht aan polishouders in het geval van een overdracht van een levenportefeuille, ten opzichte van het toekennen van een opzegrecht in het geval van een schadeportefeuille. Bij het sluiten van een levensverzekering bindt men zich in sterkere mate aan een verzekeraar dan in het geval van het sluiten van een schadeverzekering. Om die reden heeft de polishouder van een levensverzekering door middel van het verzetrecht voorafgaand aan de portefeuilleoverdracht meer invloed op het wel of niet doorgaan daarvan.
5. De drie schaderichtlijnen en de drie levenrichtlijnen bevatten geen concrete aanwijzingen over de processtappen (“vormvoorschriften”) die lidstaten in hun toezichtwetgeving moeten opnemen met betrekking tot portefeuilleoverdrachten. De regels gaan met name over welke toezichthoudende autoriteit “in de lead” is. Hetzelfde geldt voor de Solvency II richtlijn.1 Dat heeft tot gevolg dat de regelingen voor portefeuilleoverdracht in de lidstaten qua processtappen van elkaar afwijken (zie hierover verder hoofdstuk 9).
6. De belangrijkste kenmerken van de Nederlandse regelingen (het verzetrecht bij de overdracht van een levenportefeuille en het opzegrecht bij de overdracht van de schadeportefeuille) komen al uit de Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923 en de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf die per 1 september 1966 werd ingevoerd. Deze kenmerken zijn dus van Nederlandse origine in die zin dat zij geen Europeesrechtelijke achtergrond hebben.
7. De wettelijke regeling voor de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering is ingevoerd op 1 januari 1996 (Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf). Deze regeling is gebaseerd op de regeling voor de overdracht van een levenportefeuille. Er is géén Europese richtlijn die het toezicht op natura-uitvaartverzekeringen regelt. Alle kenmerken van de Nederlandse regeling van de overdracht van een natura-uitvaartverzekeringen portefeuille zijn dus ook van Nederlandse origine, in die zin dat zij geen Europeesrechtelijke achtergrond hebben.
8. De wettelijke regeling voor portefeuilleoverdracht door een herverzekeraar is ingevoerd op 1 september 2008. Terwijl de wettelijke regeling voor overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering gebaseerd werd op de regeling voor de overdracht van een levenportefeuille, is deze regeling daarentegen juist gebaseerd op de regeling voor de overdracht van de schadeportefeuille. De partijen die met de overdragende herverzekeraar een herverzekeringsovereenkomst hebben gesloten hebben echter géén opzegrecht, tenzij dit voor deze partij al besloten lag in de herverzekeringsovereenkomst die onderdeel uitmaakt van de portefeuille die wordt overgedragen.
9. De wettelijke regeling voor de overdracht van herverzekeringen is ook van toepassing voor directe verzekeraars die herverzekeringsactiviteiten verrichten. Ook zij zijn “herverzekeraar” in de zin van de definitie van art. 1:1 Wft. Indien zij rechten en verplichtingen uit die herverzekeringsovereenkomsten willen overdragen, dan moeten zij de procedure van art. 3:114a Wft en niet die van art. 3:112 Wft, art. 3:113 Wft of art. 3:114 Wft volgen. Het staat de herverzekeraar overigens wel vrij om voor de overdracht van de herverzekeringsovereenkomsten in plaats daarvan de weg van het Burgerlijk Wetboek te volgen.
10. De Wft kent per 1 januari 2016 de zogenoemde verzekeraar met beperkte risico-omvang. Op dergelijke verzekeraars is de Solvency II richtlijn niet van toepassing. Een Solvency II verzekeraar kan zijn rechten en verplichtingen uit verzekering uitsluitend overdragen aan een andere Solvency II verzekeraar. DNB kan echter toestaan dat de rechten en verplichtingen uit verzekering worden overgedragen aan een verzekeraar met beperkte risico-omvang, die onder prudentieel toezicht staat. Een Nederlandse verzekeraar met beperkte risico-omvang die zijn portefeuille wil overdragen, moet zich ook gewoon aan de Wft-regels voor een portefeuilleoverdracht houden.
11. De Nederlandse wetgever is er (bijna) altijd vanuit gegaan dat de toezichthouder bij een portefeuilleoverdracht een brede toetsing uitvoert. Daar werd een toetsing onder verstaan waarbij DNB zowel de belangen van de polishouders van de overdragende verzekeraar, als de belangen van de polishouders van de verkrijgende verzekeraar, in de beoordeling van het verzoek betrok. Alleen in de periode van 1 januari 2007 (invoering Wet op het financieel toezicht) tot 1 januari 2015 (invoering Wijzigingswet financiële markten 2015) was er twijfel of DNB inderdaad wel zo’n brede toets mocht uitvoeren. Blijkens de Kamerstukken voor de Wijzigingswet financiële markten 2015 stelde de wetgever zich op het standpunt dat inderdaad in de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2015 geen brede toetsing mogelijk was voor schadeverzekeraars, hetgeen per 1 januari 2015 door de Wijzigingswet financiële markten 2015 werd hersteld. Zie over de brede toetsing door DNB verder hoofdstuk 6.2.