Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.13:IV.1.13. Quasi-legaten en het centraal testamentenregister
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.13
IV.1.13. Quasi-legaten en het centraal testamentenregister
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS582729:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook de Wet op het centraal testamentenregister besteedt aandacht aan de quasi-legaten. Zo wordt in art. 1 lid 1 onder e van de Wet vermeld dat in het register kunnen worden opgenomen:
‘notariële akten bevattende schenkingsovereenkomsten of andere giften met de strekking dat zij pas na het overlijden van de schenker of gever zullen worden uitgevoerd, bedingen als bedoeld in artikel 126, tweede lid, onder a, van het Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek en omzettingen als bedoeld in artikel 126, tweede lid, onder c, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.’
Als motivering voor de verruiming met de rechtshandelingen in de zin van art. 4:126 BW geldt de verwantschap met legaten.1 In de parlementaire stukken wordt gelezen:2
‘Op praktische gronden is de verplichting tot registratie hierbij beperkt tot de gevallen dat het verblijvensbeding of de omzetting is opgenomen in een notariële akte.’
Ik ben van mening dat de wetgever bij het opzetten van deze bepaling een denkfout heeft gemaakt. Het is de wetgever die hier de quasi-legaten als een nieuw fenomeen beschouwt, en uit het oog verliest dat in art. 4:126 BW slechts sprake is van een regeling in het kader van schuldeisersbescherming. De wetgever lijkt ook hier in de veronderstelling te leven dat in art. 4:126 BW sprake is van dé quasi-erfrechtelijke regelingen.
Er is geen enkele reden om niet ook andere bedingen (in notariële akten) met werking bij overlijden, die niet zijn quasi-legaten, in het register te laten opnemen om zo opsporing te vergemakkelijken. Een ‘verwantschap’ met legaten kan immers ook bestaan voor rechtshandelingen ter zake des doods die niet begrepen zijn onder art. 4:126 BW. Een verblijvingsbeding werkend bij overlijden met vergoeding van de werkelijke waarde heeft toch ook sterke gelijkenissen met een legaat? Dat een dergelijk beding geen wanorde schept tussen de verschillende soorten schuldeisers is toch geen motief om het niet in te laten schrijven? Aanpassing is geboden, omdat het koppelen van het centraal testamentenregister aan een regeling die de rangorde tussen de verschillende soorten schuldeisers regisseert niet strook met het doel dat met een register van dergelijke aard beoogd wordt, te weten het kunnen traceren van regelingen met werking bij overlijden. In ieder geval had men moeten beginnen met aansluiting te zoeken bij art. 7:177 BW, en niet direct bij art 4:126 BW.