CBb, 02-08-2022, nr. 20/783, 20/801 en 20/802
ECLI:NL:CBB:2022:485
- Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum
02-08-2022
- Zaaknummer
20/783, 20/801 en 20/802
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CBB:2022:485, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 02‑08‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:CBB:2022:198, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25‑04‑2022; (Wraking)
ECLI:NL:CBB:2022:185, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20‑04‑2022; (Wraking)
- Wetingang
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑08‑2022
Inhoudsindicatie
Artikel 2:19a Burgerlijk Wetboek Ontbinding rechtspersoon op grond van artikel 2:19a van het BW. Niet gebleken dat rechtspersoon nog volop actief was in het maatschappelijk verkeer. De beroepen van de andere twee rechtspersonen moeten gelet op artikel 6:15 van de Awb worden behandeld als bezwaar.
Partij(en)
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 20/783, 20/801 en 20/802
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 augustus 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V.,
[naam 2] B.V. en
[naam 3] B.V., allen te [woonplaats] , samen: appellanten
en
de Kamer van Koophandel, verweerster
(gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende).
Procesverloop
Bij de afzonderlijke besluiten van 13 januari 2020 (de primaire besluiten 1 en 2) heeft verweerster op grond van artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechtspersonen [naam 2] B.V. en [naam 3] B.V. ontbonden.
Bij besluit van 22 april 2020 (het primaire besluit 3) heeft verweerster eveneens op grond van artikel 2:19a van het BW de rechtspersoon [naam 1] B.V. ontbonden.
Bij besluit van 3 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van [naam 1] B.V. tegen het primaire besluit 3 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld tegen de ontbindingsbesluiten.
Bij uitspraak van 1 juni 2021 heeft het College de drie beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van de griffierechten. Bij uitspraak van 21 september 2021 heeft het College de verzetten hiertegen gegrond verklaard.
Verweerster heeft voor de drie zaken samen een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2022. Namens appellanten was aanwezig [naam 4] . Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Tijdens de zitting hebben appellanten een verzoek gedaan tot wraking van de behandelend rechters (eerste wrakingsverzoek).
Tijdens de zitting bij de wrakingskamer hebben appellanten een verzoek gedaan tot wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer (tweede wrakingsverzoek).
Bij beslissing van 20 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:185) heeft de wrakingskamer, in een nieuwe samenstelling, beslist dat het tweede wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen en bepaald dat een volgend verzoek om wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer in geval van misbruik niet in behandeling wordt genomen.
Bij beslissing van 25 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:198) heeft de wrakingskamer, in eerste samenstelling, het eerste wrakingsverzoek afgewezen en bepaald dat een volgend verzoek om wraking van rechters van het College in geval van misbruik niet in behandeling wordt genomen.
Op 11 juli 2022 heeft het College het onderzoek ter zitting voortgezet. Appellanten en verweerster waren hierbij, zoals zij hebben bericht, niet aanwezig.
Overwegingen
De beroepen van [naam 2] B.V. (20/801) en [naam 3] B.V. (20/802)
1. Het College stelt vast dat [naam 2] B.V. en [naam 3] B.V. geen bezwaar hebben gemaakt tegen de primaire besluiten 1 en 2 en er dus ook geen beslissingen op bezwaar zijn genomen. Het College ziet zich daarom voor de vraag gesteld hoe de beroepen van [naam 2] B.V. en [naam 3] B.V. moeten worden geduid. Appellanten waren niet op de (tweede) zitting aanwezig en hebben hierover geen toelichting kunnen geven. Het is dus onduidelijk of zij de bedoeling hebben gehad om de bezwaarprocedure over te slaan en rechtstreeks beroep in te stellen, wat alleen kan met instemming van verweerster. Dat laatste is bepaald in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu appellanten hierover geen uitsluitsel hebben kunnen geven en er niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:1a van de Awb, moeten de beroepen naar het oordeel van het College worden aangemerkt als bezwaarschriften tegen de primaire besluiten 1 en 2. Deze beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Verweerster zal de al doorgezonden beroepschriften, zoals volgt uit artikel 6:15 van de Awb, als bezwaarschriften in behandeling moeten nemen. Gelet op het voorgaande ligt het in de rede dat verweerster navraagt of appellanten nog wel een beslissing op bezwaar wensen. Het College merkt daarbij op dat de bezwaartermijn ten tijde van het indienen van de beroepschriften ruimschoots was overschreden.
Het beroep van [naam 1] B.V. (20/783)
2. [naam 1] B.V. voert aan dat de ontbinding ongedaan moet worden gemaakt. De onderneming is onlangs overgenomen en de vorige eigenaar heeft de boekhouding niet overgedragen. [naam 1] B.V. gaat ervan uit dat de boekhouder de geconstateerde omissies zal oplossen en kondigt aan over 2019 en 2020 aangifte te zullen doen en jaarstukken te zullen aanleveren.
3. Verweerster heeft in de brief van 25 februari 2020 (voornemenbrief) meegedeeld dat [naam 1] B.V. ten minste één jaar in gebreke is met de nakoming van de verplichting tot openbaarmaking van zijn jaarstukken en ten minste één jaar geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting. Omdat vervolgens niet binnen acht weken is gebleken dat deze omstandigheden zich niet meer voordeden, is verweerster tot ontbinding overgegaan. Ondanks herhaalde verzoeken daartoe is volgens verweerster niet aangetoond dat [naam 1] B.V. ten tijde van de ontbinding nog volop actief was in het maatschappelijk verkeer. De uitdraai van een aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2018 en twee facturen aan [naam 1] B.V. zijn daarvoor onvoldoende. Dat de onderneming onlangs is overgenomen neemt niet weg dat de vennootschap al op 27 december 2012 is opgericht en op de rechtspersoon de verplichting rust jaarstukken te deponeren en belastingaangiften te doen.
4.1
Het College is van oordeel dat verweerster terecht tot ontbinding van [naam 1] B.V. is overgegaan. Hieronder licht het College dit oordeel toe.
4.2
Zoals het College eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2018, ECLI:NL:CBB:2018:287), vloeit uit artikel 2:19a, eerste, derde en vierde lid, van het BW voort dat verweerster tot ontbinding van de rechtspersoon dient over te gaan, indien na verloop van de termijn van acht weken twee of meer van de in het eerste lid genoemde aan de rechtspersoon in de voornemenbrief medegedeelde omstandigheden zich nog steeds voordoen. Slechts indien voor verweerster volstrekt duidelijk is of behoort te zijn dat sprake is van een rechtspersoon die nog volop activiteiten verricht in het maatschappelijk verkeer brengt een redelijke toepassing van de wettelijke regeling mee dat verweerster de haar toegekende bevoegdheden niet uitoefent. De precieze tekst van het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
4.3
Het College stelt vast dat, na verloop van de achtwekentermijn na dagtekening van de voornemenbrief van 25 februari 2020, de twee in deze brief genoemde omstandigheden in de zin van artikel 2:19a, eerste lid, aanhef en onder b en c, van het BW, zich nog steeds voordeden. [naam 1] B.V. heeft met de door haar overgelegde stukken, te weten twee aan haar gerichte facturen en een uitdraai van de aangifte vennootschapsbelasting over 2018, ook niet aangetoond dat zij nog volop activiteiten verrichte in het maatschappelijk verkeer. In de aangifte vennootschapsbelasting 2018 is overal € 0,- ingevuld; hieruit blijkt dus niet dat de rechtspersoon actief was. Dit kan ook niet uit de twee facturen van 20 december 2019 en 30 december 2019 aan [naam 1] B.V. worden afgeleid. Verweerster was daarom gehouden op grond van artikel 2:19a, vierde lid, van het BW over te gaan tot ontbinding van [naam 1] B.V.
5. Het beroep van [naam 1] B.V. is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College:
- -
verklaart het beroep met zaaknummer 20/783 ongegrond;
- -
verklaart de beroepen met de zaaknummers 20/801 en 20/802 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.W.L. Koopmans en mr. M. Schoneveld, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2022.
w.g. J.H. de Wildt w.g. D. de Vries
Bijlage
Burgerlijk Wetboek Boek 2
“Artikel 19a
1. Een in het handelsregister ingeschreven naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, of vereniging of stichting die een onderneming drijft, wordt door een beschikking van de Kamer van Koophandel ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat ten minste twee van de volgende omstandigheden zich voordoen:
(…)
b.de rechtspersoon is ten minste een jaar in gebreke met de nakoming van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening overeenkomstig de artikelen 394, 395a, 396 of 397;
c.de rechtspersoon heeft ten minste een jaar geen gevolg gegeven aan een aanmaning als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting;
(…)
3 Indien de Kamer op grond van haar bekende gegevens gebleken is dat een rechtspersoon als bedoeld in de leden 1 en 2 voor ontbinding in aanmerking komt, deelt zij de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders bij aangetekende brief aan hun laatst bekende adres mee, dat zij voornemens is tot ontbinding van de rechtspersoon over te gaan, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond. (…)
4 Na verloop van acht weken na de dagtekening van de aangetekende brief of de publicatie in de Staatscourant ontbindt de Kamer de rechtspersoon bij beschikking, tenzij voordien is gebleken dat de gronden, bedoeld in de leden 1 en 2, voor het voornemen zich niet of niet meer voordoen.
(…)”
Uitspraak 25‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissing wrakingskamer. Artikel 8:15 en 8:18, lid 4, Awb. Ter onderbouwing van hun wrakingsverzoek hebben verzoeksters geen op de persoon van de rechters betrekking hebbende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waarin een bezwaar zou zijn gelegen tegen de behandeling van het wrakingsverzoek door die rechters. De wrakingskamer is om dezelfde redenen als in de beslissing van 20 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:185) op het verzoek om wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer van oordeel dat ook het (eerste) verzoek van 8 april 2022, tot wraking van de rechters van de meervoudige kamer, moet worden afgewezen. Met de eis dat iedere rechter, op straffe van wraking, een machtiging moet overleggen waaruit blijkt dat die rechter een mandaat heeft van de ‘Volkentrust’, stellen verzoeksters een onredelijke eis, waar geen enkele rechter aan kan voldoen. Door op deze grond rechters te wraken, maken verzoeksters evident misbruik van het wrakingsmiddel. Het College wijst het (eerste) wrakingsverzoek van 8 april 2022 af en bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van rechters van het College in geval van misbruik niet in behandeling wordt genomen.
Partij(en)
beslissing
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 20/783, 20/801 en 20/802
beslissing op het wrakingsverzoek van
[naam 1] B.V., [naam 2] B.V. en [naam 3] B.V., alle te [woonplaats] , verzoeksters.
Procesverloop
Tijdens de behandeling ter zitting op 8 april 2022 van de beroepen met bovenvermelde zaaknummers hebben verzoeksters een verzoek gedaan tot wraking van de voorzitter, mr. J.H. de Wildt, en de leden, mr. R.W.L. Koopmans en mr. M. Schoneveld, van de meervoudige kamer van het College die deze zaken behandelt. Die zaken hebben betrekking op beslissingen van de Kamer van Koophandel om op grond van artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek de rechtspersonen [naam 1] B.V., [naam 2] B.V. en [naam 3] B.V. te ontbinden.
De rechters van de meervoudige kamer hebben op 8 april 2022 te kennen gegeven dat zij niet in de wraking berusten. Tevens hebben zij te kennen gegeven dat zij geen gebruik wensen te maken van de gelegenheid te worden gehoord.
Het College heeft het verzoek om wraking van de rechters van de meervoudige kamer behandeld ter zitting van 8 april 2022, alwaar verzoeksters werden vertegenwoordigd door [naam 4] .
Tijdens deze zitting hebben verzoeksters een verzoek gedaan tot wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer. Bij beslissing van 20 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:185) heeft de wrakingskamer, in een nieuwe samenstelling, beslist dat dit (tweede) wrakingsverzoek van 8 april 2022 niet in behandeling wordt genomen en bepaald dat een volgend verzoek om wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer in geval van misbruik niet in behandeling wordt genomen.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. De beide wrakingsverzoeken van 8 april 2022 berusten op dezelfde grond. Volgens verzoeksters mogen rechters de aan hen voorgelegde zaken niet behandelen zolang zij geen machtiging kunnen overleggen, waaruit blijkt dat de ‘Volkentrust’ hun een mandaat heeft verleend om recht te spreken. De ‘Volkentrust’ is volgens verzoeksters een instantie van de Verenigde Naties. Het feit dat een door deze hoogste, wettige instantie verleend mandaat ontbreekt, betekent dat verzoeksters de (Nederlandse) wet- en regelgeving en rechterlijke instanties niet erkennen. In dit verband verwijzen zij naar de pauselijke brief (motu proprio) van 11 juli 2013. Uit deze brief volgt volgens hen dat iedereen een soeverein mens is waarover de wetgever en de rechtspraak geen jurisdictie hebben. Ook de uitspraken van het College erkennen verzoeksters, zonder bedoeld mandaat, niet.
3. Ter onderbouwing van hun wrakingsverzoek hebben verzoeksters geen op de persoon van die rechters betrekking hebbende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waarin een bezwaar zou zijn gelegen tegen de behandeling van het wrakingsverzoek door die rechters. De wrakingskamer is om dezelfde redenen als in de beslissing van 20 april 2022 van oordeel dat ook het (eerste) verzoek van 8 april 2022, tot wraking van de rechters van de meervoudige kamer die de beroepen met bovengenoemd zaaknummers behandelt, moet worden afgewezen. Het College volstaat hier kortheidshalve met een verwijzing naar die beslissing.
4. Met de eis dat iedere rechter, op straffe van wraking, een machtiging moet overleggen waaruit blijkt dat die rechter een mandaat heeft van de ‘Volkentrust’, stellen verzoeksters een onredelijke eis, waar geen enkele rechter aan kan voldoen. Door op deze grond rechters te wraken, maken verzoeksters evident misbruik van het wrakingsmiddel. Met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb zal het College daarom bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeksters in geval van misbruik niet in behandeling zal worden genomen.
Beslissing
Het College:
- -
wijst het (eerste) wrakingsverzoek van 8 april 2022 af;
- -
bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van rechters van het College in geval van misbruik niet in behandeling wordt genomen.
Aldus genomen door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.O. Kerkmeester en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2022.
De voorzitter is verhinderd de De griffier is verhinderd de
beslissing te ondertekenen beslissing te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 8:18, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen rechtsmiddel open.
Uitspraak 20‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Beslissing wrakingskamer. Artikel 3, lid 4, aanhef en onder g, Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022. Artikel 8:18, lid 4, Awb. Het verzoek om wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer wordt zonder daartoe een zitting te houden niet in behandeling genomen. Het standpunt van verzoeksters is dat zij iedere rechter wraken die geen machtiging kan overleggen waaruit blijkt dat die rechter een mandaat heeft van de ‘Volkentrust’ om recht te spreken. Van een wrakingsgrond die gelegen is in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) behandelend rechter(s) is geen sprake. Het wrakingsverzoek komt neer op een verzoek om wraking van alle rechters van het College. Door op deze grond wrakingsverzoeken in te dienen, zonder op de persoon van de desbetreffende rechter betrekking hebbende feiten of omstandigheden naar voren te brengen, die blijk zouden kunnen geven van twijfel aan de onpartijdigheid van de behandelende rechter, maken verzoeksters evident misbruik van het wrakingsmiddel. Verzoeksters stellen immers een onredelijke eis, waar geen enkele rechter aan kan voldoen. Het College bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer in geval van misbruik niet in behandeling wordt genomen.
Partij(en)
beslissing
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 20/783, 20/801 en 20/802
beslissing op het wrakingsverzoek van
[naam 1] B.V., [naam 2] B.V. en [naam 3] B.V., alle te [plaats] , verzoeksters.
Procesverloop
Tijdens de behandeling ter zitting op 8 april 2022 van de beroepen met bovenvermelde zaaknummers hebben verzoeksters een verzoek gedaan tot wraking van de voorzitter, mr. J.H. de Wildt, en de leden, mr. R.W.L. Koopmans en mr. M. Schoneveld, van de meervoudige kamer van het College die deze zaken behandelt. Die zaken hebben betrekking op beslissingen van de Kamer van Koophandel om op grond van artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek de rechtspersonen [naam 1] B.V., [naam 3] B.V. en [naam 2] B.V. te ontbinden.
De rechters van de meervoudige kamer hebben op 8 april 2022 te kennen gegeven dat zij niet in de wraking berusten. Tevens hebben zij te kennen gegeven dat zij geen gebruik wensen te maken van de gelegenheid te worden gehoord.
Het College heeft het verzoek om wraking van de rechters van de meervoudige kamer behandeld ter zitting van 8 april 2022, alwaar verzoeksters werden vertegenwoordigd door [naam 4] .
Tijdens deze zitting hebben verzoeksters een verzoek gedaan tot wraking van de voorzitter, mr. S.C. Stuldreher, en de leden, mr. H.O. Kerkmeester en mr. A. Venekamp, van de meervoudige kamer die het eerst gedane wrakingsverzoek behandelt.
Dit tweede wrakingsverzoek is ter beoordeling aan de onderhavige meervoudige kamer van het College overgedragen.
Overwegingen
1. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 is bepaald dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het evident blijk geeft van misbruik van het wrakingsmiddel.
2. De wrakingsverzoeken van 8 april 2022 berusten beide op dezelfde grond. Volgens verzoeksters mogen rechters de aan hen voorgelegde zaken niet behandelen zolang zij geen machtiging kunnen overleggen, waaruit blijkt dat de ‘Volkentrust’ hun een mandaat heeft verleend om recht te spreken. De ‘Volkentrust’ is volgens verzoeksters een instantie van de Verenigde Naties. Het feit dat een door deze hoogste, wettige instantie verleend mandaat ontbreekt, betekent dat verzoeksters de (Nederlandse) wet- en regelgeving en rechterlijke instanties niet erkennen. In dit verband verwijzen zij naar de pauselijke brief (motu proprio) van 11 juli 2013. Uit deze brief volgt volgens hen dat iedereen een soeverein mens is waarover de wetgever en de rechtspraak geen jurisdictie hebben. Ook de uitspraken van het College erkennen verzoeksters, zonder bedoeld mandaat, niet.
3. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (de objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is hierbij echter niet doorslaggevend.
4. Ter onderbouwing van hun verzoek tot wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer hebben verzoeksters geen op de persoon van die rechters betrekking hebbende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waarin een bezwaar zou zijn gelegen tegen de behandeling van het wrakingsverzoek door die rechters. Verzoeksters hebben immers slechts gesteld dat deze rechters het eerst gedane wrakingsverzoek alleen mogen behandelen als zij aantonen dat zij over een mandaat van de ‘Volkentrust’ beschikken en dat deze rechters, als die machtiging ontbreekt, zich als gewraakt moeten beschouwen. Het betoog van verzoeksters komt er dus op neer dat zij zich beroepen op een – in hun opvatting – voor iedere rechter geldende eis. Van een wrakingsgrond die gelegen is in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) behandelend rechter(s) is geen sprake. Dat het verzoeksters niet om de persoon van de behandelend rechter(s) is te doen blijkt ook uit het feit dat zij bij aanvang van de zitting van de wrakingskamer op 8 april 2022 – blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal – hebben aangegeven dat het hen niet interesseert om van de namen van de rechters van de wrakingskamer kennis te nemen.
5. Het standpunt van verzoeksters dat zij iedere rechter wraken die geen machtiging kan overleggen waaruit blijkt dat die rechter een mandaat heeft van de ‘Volkentrust’, kan niet anders worden opgevat dan dat zij bezwaren hebben tegen elke (wrakings)kamer van het College, in welke samenstelling dan ook, zeker in samenhang met de mededeling dat zij de rechtsmacht van het College niet wensen te erkennen (en kennelijk van geen enkele Nederlandse rechterlijke instantie). Een wrakingsverzoek dat neerkomt op een verzoek om wraking van alle rechters van het College, moet buiten behandeling worden gelaten (zie onder meer de uitspraak van het College van 12 april 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BW4809). Bij toewijzing van een dergelijk verzoek zou het verzoek om wraking van de behandelende rechters niet door het College behandeld kunnen worden en zou voorts van afdoening van de aanhangige beroepen geen sprake meer kunnen zijn.
6. Door op deze grond wrakingsverzoeken in te dienen, zonder op de persoon van de desbetreffende rechter betrekking hebbende feiten of omstandigheden naar voren te brengen, die blijk zouden kunnen geven van twijfel aan de onpartijdigheid van de behandelende rechter, maken verzoeksters evident misbruik van het wrakingsmiddel. Verzoeksters stellen immers een onredelijke eis, waar geen enkele rechter aan kan voldoen.
7. Gelet op het voorgaande wordt het (tweede) verzoek van 8 april 2022, tot wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer, buiten behandeling gelaten. Dit betekent dat er voor deze rechters van de wrakingskamer geen beletsel bestaat om zich een oordeel te vormen over het verzoek van 8 april 2022 tot wraking van de rechters van de meervoudige kamer die de beroepen met bovenvermelde zaaknummers behandelt.
8. Artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geeft het College de bevoegdheid om in geval van misbruik te bepalen dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt.
Gelet hierop zal het College bepalen dat een volgend verzoek van verzoeksters tot wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer gezien het hiervoor geconstateerde evidente misbruik van het wrakingsmiddel niet in behandeling zal worden genomen.
Beslissing
Het College:
- -
neemt het (tweede) wrakingsverzoek van 8 april 2022 niet in behandeling;
- -
bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van de rechters die zitting hebben in de wrakingskamer in geval van misbruik niet in behandeling wordt genomen.
Aldus genomen door mr. M.M. Smorenburg, mr. J.L. Verbeek en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier, op 20 april 2022.
De voorzitter is verhinderd de De griffier is verhinderd de
beslissing te ondertekenen beslissing te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 8:18, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen rechtsmiddel open.