Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.5.1:3.5.1 Onvrede
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.5.1
3.5.1 Onvrede
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644846:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Noot Scholten bij HR 10 december 1937, ECLI:NL:HR:1937:155 (Bloembollenarrest).
Gerbrandy, DNV II (1957-1958), p. 24.
Noot Hijmans van den Bergh bij Schaap-Stafmateriaal-arrest, Rn. 12.
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 522.
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 522.
Brahn, Pitlo-bundel (1970), p. 185.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De weerstand die in de literatuur was ontstaan tegen het bestaan van bijzaken en hulpzaken hield niet in dat er gepleit werd voor het snel aannemen van bestanddeelvorming en dus natrekking. Integendeel. In de literatuur werd verschillende keren kritiek geuit op de uitspraken van de Hoge Raad die te snel natrekking zou aannemen. Scholten schreef in zijn noot bij het Bloembollenarrest dat de uitspraak onbevredigend was.
“Dat deze, ook m.i. naar de wet onaantastbare, beslissing niet geheel bevredigt, ligt daaraan, dat de bollen geheel als deel van den grond worden behandeld, terwijl zij – omdat zij, ook als zij wortel schieten haar zelfstandigheid behouden, worden gerooid en daarna weder worden geplant - in de voorstelling der belanghebbende zelfstandige zaken zijn, die wel bij tijden in den grond vertoeven, maar daarmee niet één geheel worden.”1
Gerbrandy uitte eveneens kritiek op de rechtspraak en deelde een flinke sneer uit:
“zij [de rechtspraak, toevoeging JCTF] houdt het ervoor dat natrekking hierin bestaat dat de nagetrokken zaak altijd bestanddeel-in-engere-zin van de meer belangrijke wordt en als rechtsobject verdwijnt; en zij meent dat het buiten de macht van partijen ligt om dat gevolg uit te sluiten. Zodoende heeft zij een systeem opgebouwd dat logisch niet bevredigt, historisch onverantwoord is en juridisch onhelder; een systeem dat de mensen van de praktijk soms voor onaanvaardbare gevolgen plaatst. In zoverre is de rechtspraak bepaald gevaarlijk voor de handel en bedrijf.”2
Hijmans van den Bergh stelde in het slot van zijn noot bij het Schaap-Stafmateriaalarrest, dat het arrest “enige hoop kan geven aan hen, die met Suyling en zeker ook wel met Schaap en de leden van zijn organisatie, met een beslissing als deze niet tevreden zijn.”3 Dit stelde hij, nadat hij tot de conclusie kwam dat de door de feitelijke rechter vastgestelde verkeersopvatting in cassatie onaantastbaar was. Dat de feitelijke rechter de verkeersopvatting kon bepalen en dat de Hoge Raad deze verkeersopvatting in cassatie niet kon aanpassen, zag hij blijkbaar als iets positiefs. De uitkomst van het Schaap-Stafmateriaalarrest vond Hijmans van den Bergh in ieder geval niet bevredigend.
Van der Grinten ten slotte richtte zijn pijlen op de rechtspraak en de wet. Verwijzend naar het Bloembollen-arrest stelde hij:
“Het is een wonderlijke constructie, dat een plantje in een bloempot een afzonderlijke zaak is, doch een zelfde plantje in de koude grond deel uitmaakt van een onroerend goed. Belangen van het rechtsverkeer worden door deze constructie niet gediend, veeleer worden dientengevolge belangen geschaad. Zo is een nadeel van de constructie, dat zij het bezwaarlijk maakt de planten tot onderpand van krediet te laten strekken. De rechtsconstructie verdraagt zich voorts niet met hetgeen in het maatschappelijk verkeer als rechtens juist wordt ervaren.”4
Over de regels omtrent natrekking in het OBW, merkte Van der Grinten op dat ze “rudimentair en onvolledig” waren.5 Brahn vroeg zich hardop af “of dit wel een ‘zakenrechtelijk systeem’ is, dat te verdedigen valt (…).”6