Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.6.6
1.6.6 Litis contestatio
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645040:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kaser/Hackl (1996), p. 77 e.v.
Naast de individuele rechter (iudex), die voornamelijk rechtsprak in zaken waarin de beweringen van partijen tegenstrijdig waren, kenden de Romeinen ook de arbitri (een of drie bemiddelings- of schattingsrechter(s)), de centumviri en de decemviri. De arbitri waren rechters die oorspronkelijk ingezet werden als partijen duidelijkheid wilden hebben over de juridische verhoudingen bij bijvoorbeeld een erfenis of de verdeling van mede-eigendom. Daarnaast waren zij belast met het schatten van de waarde van een prestatie. De centumviri was een gerechtshof dat zich voornamelijk bezighield met erfenissen en de decemviri was een gerechtshof dat oorspronkelijk oordeelde over de vrijheid van mensen; Zie Kaser/Hackl (1996), p. 44 e.v.
XII T. 3, 1: “Aeris confessi rebusque iure iudicatis XXX dies iusti sunto. 2. Post deinde manus iniectio esto. In ius ducito. 3. Ni iudicatum facit aut quis endo eo in iure vindicit, secum ducito, vincito aut nervo aut compedibus XV pondo, ne maiore, aut si volet minore vincito. 4. Si volet duo vivito. Ni suo vivit, qui eum vinctum habebit, libras farris endo dies dato. Si volet, plus dato.” “Wanneer een geldschuld (in rechte) erkend is of wanneer over zaken in rechte uitspraak gedaan is, moeten 30 dagen (als wettelijke betalingstermijn) gegund worden. 2. Daarna moet dan de handoplegging plaatsvinden. Hij(eiser) moet hem(gedaagde) voor het gerecht brengen. 3. Als hij (gedaagde)het vonnis niet nakomt, of als niemand daartoe voor hem (gedaagde)bij het gerecht tussenkomt, moet hij (eiser)hem (gedaagde) met zich nemen, hij (eiser)moet hem (gedaagde)boeien of met een kluister of met voetboeien van 15 pond, niet zwaarder, of als hij (eiser)wil mag hijhem (gedaagde)lichter boeien. 4. Wanneer hij (gedaagde)wil, mag hijvoor zijn eigen onderhoud zorgen. Als hij (gedaagde)niet voor zijn eigen onderhoud zorgt, moet wiehem in de boeien houdt daartoe een pond speltpap per dag geven. Wanneer hij (eiser)wil, mag hijmeer geven.” Zie ook: Behrends (1974), p. 128 e.v.
Gaius 4, 48: “(…) iudex non ipsam rem condemnat eum cum quo actum est, sicut olim fieri solebat….” “… de rechter veroordeelt de gedaagde niet tot de zaak zelf, zoals dat vroeger placht te gebeuren….”.
Gaius. 4, 48: “Omnium autem formularum quae condemnationem habent, ad pecuniariam aestimationem condemnatio concepta est. Itaque et si corpus aliquod petamus, velut fundum, hominem, vestem, aurum, argentum, iudex non ipsam rem condemnat eum cum quo actum est, sicut olim fieri solebat, sed aestimata re pecuniam eum condemnat.” Zie ook: Kaser/Hackl (1996), p. 67 en p. 74; Smit (2020), p. 29.
XII T. 12, 3: “Si vindiciam falsam tulit, si velit is… tor arbitros tris dato, eorum arbitro… fructus duplione damnum decidito.” “Wanneer hij ten onrechte het voorlopig bezit heeft gekregen, als hij het wil, moet de praetor drie scheidsrechters aanstellen; op grond van hun beslissing moet hij door (betaling van) de dubbele waarde van de vruchten de schade goedmaken.” Zie ook: Kaser/Hackl (1996), p. 105.
Betaalde de gedaagde niet, dan moesten de partijen nogmaals naar de praetor, nu met het vonnis van de rechter in de hand. Een nieuw proces begon, de zogenaamde legis actio per manus iniectionem. Dit proces was bedoeld om de veroordeling ten uitvoer te leggen. De winnende partij legde voor de praetor de hand op de verliezende partij (manus iniectio) en sprak de voor deze actie voorgeschreven woorden uit. De praetor kende vervolgens de gedaagde toe aan de schuldeiser met de addictio, die daardoor zijn vrijheid verloor en gewoonlijk werd opgesloten in diens privé gevangenis, (carcer privatus). De gedaagde had vervolgens nog 60 dagen de tijd om de schuld die hij moest aflossen te doen betalen aan de eiser, (manum depellere). Dit kon hij zelf niet meer doen, aangezien hij zijn vrijheid had verloren. De schuldeiser moest tijdens die 60 dagen de gedaagde op drie marktdagen naar het comitium voeren en de hoogte van de schuld in het openbaar verkondigen. Zo werd aan een derde (vindex) de mogelijkheid geboden om de schuld van de gedaagde in te lossen. Zie onder andere: Behrends (1974), p. 139 en Kaser/Hackl (1996), §20, p. 131 e.v.
Livius, Ab urbe Condita, boek 8, 28, 8; Manthe (2000), p. 66.
Behrends (1974), p. 159-166.
Als de praetor tot de conclusie was gekomen dat de eiser een actie had, dan wendde hij zich tot de gedaagde. Verdedigde de gedaagde zich tegen de actie van de eiser, dan stelde de praetor, nadat de partijen de voorgeschreven teksten correct hadden uitgesproken, de rechtsvraag vast (iudicium dare). De praetor fixeerde met andere woorden de rechtsvraag in de litis contestatio. Deze litis contestatio was de kern van het proces. Daarnaast verbonden de partijen zich in de litis contestatio aan de uitspraak van de rechter te houden. Hiermee was een einde gekomen aan de eerste fase van het proces. Het materiële recht, dat wil zeggen de inhoudelijke behandeling van het recht, kwam pas in de tweede fase van het proces aan bod, die zich afspeelde voor de rechter. Deze moest over de in de litis contestatio vastgelegde rechtsvraag (en alleen over die vraag) oordelen.1 De door de praetor aangewezen rechter (iudex)2 was verplicht om in het geschil een oordeel te vellen. Veroordeelde de rechter de gedaagde, dan kreeg de gedaagde 30 dagen de tijd om aan deze veroordeling te voldoen.3 De rechter veroordeelde de gedaagde niet tot afgifte van de zaak zelf, maar tot het betalen van een schadevergoeding in geld.4 Dit is het gevolg van de eigenaardige regel dat in het Romeinse procesrecht alle veroordelingen plaatsvonden in de vorm van een geldsom: omnia iudicia pecuniaria sunt. De praetor wees drie scheidsrechters aan die de waarde van de zaak (inclusief de vruchten) in geld moesten schatten. Deze schatting werd litis aestimatio genoemd.
“Overigens is in alle formulae die een veroordelingsclausule bevatten, de redactie van deze clausule op een waardering in geld gebaseerd. Dus ook als wij een lichamelijke zaak vorderen, zoals een perceel grond, een slaaf, een kledingstuk, goud of zilver, veroordeelt de rechter de gedaagde niet tot de zaak zelf - zoals dat vroeger placht te gebeuren -, maar na een schatting van de waarde hiervan, tot een geldsom.”5
De verliezende partij moest de dubbele waarde van de zaak betalen aan de winnende partij, om zo personele executie te voorkomen.6 Werd de schuld niet betaald, dan mocht de schuldeiser de schuldenaar in zijn privékerker opsluiten om hem uiteindelijk te verkopen aan de andere kant van de Tiber (trans Tiberim).7 Later kon de schuldenaar, in plaats van als slaaf verkocht te worden, als knecht werken voor de schuldeiser om zijn schuld af te lossen. Alhoewel de Lex Poetelia Papiria de nexis van (vermoedelijk) 326 voor Christus een einde maakte aan deze praktijken,8 bleven de gevolgen ook na deze wet voor de niet-betalende schuldenaar groot. Nog steeds kon hij in de private kerker worden opgesloten, maar nu met behoud van het burgerrecht. Eenmaal in vrijheid gekomen, bleef de schuldenaar onder toezicht staan van de schuldeiser totdat hij zijn schuld had voldaan. Ten slotte was het mogelijk dat de schuldeiser beslag legde op het gehele vermogen van de schuldenaar.9