Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.2.4.2.2.3
8.2.4.2.2.3 Directe kosten bij verrichten of afnemen vastgoedtransactie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291538:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor goederen en diensten die zijn verworven ten behoeve van een vastgoedtransactie die kwalificeert als een onbelastbare handeling ontstaat geen recht op aftrek waardoor aan de vraag naar de omvang van de aftrek niet wordt toegekomen (zie paragraaf 8.2.4.1).
Op rechtspraak.nl. (geraadpleegd december 2020) heb ik de uitspraken in Nederlandse belastingzaken gefilterd met de zoektermen ‘omzetbelasting’, ‘onroerend’, ‘aftrek’ en ‘volledig’. In de meer dan 150 hits die dit opleverde heb ik één uitspraak gevonden waarin in geschil was of de makelaarskosten rechtstreeks en onmiddellijk samenhingen met de vrijgestelde leveringen van oude gebouwen. In die uitspraak kwam Rechtbank Haarlem tot het oordeel dat dit niet het geval was, omdat de makelaarsdiensten in deze zaak ook met het oog op de terughuur van de vrijgesteld geleverde panden waren verworven (Rb Haarlem 29 juli 2011, nr. 10/5022, V-N 2011/51.2.4). Daarnaast is in HR 29 juni 2018, nr. 16/05773, BNB 2019/9, m.nt. Blokland geoordeeld dat de kosten voor het afblazen van de voorgenomen belaste leveringen van de nieuwbouwwoningen niet rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met de voorgenomen belaste leveringen van de nieuwbouwwoningen.
HR 19 oktober 1988, nr. 24.897, BNB 1989/72, m.nt. Simons.
Zie bijv. Rb Arnhem 18 februari 2010, nrs. AWB 09/2452, 09/2454, 09/2455 en 09/2456, V-N 2010/24.17.
Zie bijv. HR 27 februari 2015, nr. 13/03689, BNB 2015/114, m.nt. Swinkels (Gemeente Wageningen) en HR 23 juni 2017, nr. 13/02651, BNB 2017/195, m.nt. Swinkels (Gemeente Woerden).
Zie bijv. HvJ EU 14 september 2017, zaak C-132/16, BNB 2018/65, m.nt. Swinkels (Iberdrola), Hof Leeuwarden 4 maart 2005, nr. BK 75/02, V-N 2005/28.3 en Hof Arnhem-Leeuwarden 9 februari 2016, nrs. 14/00545, 14/00456 en 14/00547, V-N 2016/23.23.15.
Zie bijv. Rb Zeeland-West-Brabant 30 juni 2017, nr. BRE 16/7067, V-N 2017/48.2.3.
Zie bijv. Rb Arnhem 10 september 2009, nr. AWB 06/1477, ECLI:NL:RBARN:2009:BK1005.
HR 19 oktober 1988, nr. 24.897, BNB 1989/72, m.nt. Simons, Hof Amsterdam 14 mei 2009, nr. 08/00551, ECLI:NL:GHAMS:2009:BI4299 en Hof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2019, nr. 18/00464 t/m 18/00470, V-N 2019/42.20.10.
HR 1 april 2016, nr. 14/04619, BNB 2016/155, m.nt. Van Zadelhoff (Van der Wijk/Staat der Nederlanden).
Zie bijv. Hof Amsterdam 14 mei 2009, nr. 08/00551, ECLI:NL:GHAMS:2009:BI4299.
HvJ EG 14 februari 1985, zaak 268/83, BNB 1985/315, m.nt. Simons (Rompelman).
Het voorgaande betekent dat als uitgangspunt geldt dat de belastingplichtige leverancier of exploitant die een vastgoedtransactie verricht:
recht heeft op volledige aftrek van de btw op de goederen en diensten die hij ten behoeve van een belaste vastgoedtransactie heeft verworven;
in het geheel geen recht heeft op aftrek van de btw op goederen en diensten die hij ten behoeve van een vrijgestelde vastgoedtransactie heeft verworven.1
Of een belastingplichtige goederen of diensten heeft verworven ten behoeve van een belaste of vrijgestelde vastgoedtransactie is een feitelijke vraag. De jurisprudentie van het Hof van Justitie met betrekking tot de omvang van het recht op btw-aftrek voor directe kosten is spaarzaam en beperkt tot de belastingplichtige die een aandelentransactie verricht. Ook in de Nederlandse jurisprudentie lijkt de vraag of sprake is van directe kosten voor een of meerdere belaste of vrijgestelde vastgoedtransacties weinig problemen op te leveren. Ik heb, behoudens in de bijzondere situatie waarin een exploitant kampt met leegstaand vastgoed, slechts twee zaken kunnen vinden waarin die vraag expliciet aan de rechter is voorgelegd. In de gepubliceerde Nederlandse jurisprudentie lijkt bij discussies over het recht op btw-aftrek het hete hangijzer te zijn of de vastgoedtransactie belast is en niet welke kosten rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met een belaste of vrijgestelde vastgoedtransactie.2 Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Nederlandse jurisprudentie zijn niettemin wel voorbeelden te ontlenen van kosten die (op grond van de finale causaliteitstoets) rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met één of meer belaste of vrijgestelde vastgoedtransacties in een later stadium, zoals: de kosten van bodemonderzoek3, het bouwrijp maken grond4, de (ver)nieuwbouw5, de verbouwing of restauratie gebouw6, de huur van onroerend goed met optie voor belaste verhuur7, de architect8, de bemiddelingsdiensten (makelaar bijv.)9, de adviseur10 en de notaris11.
Deze aan de jurisprudentie ontleende voorbeelden betreft goederen of diensten die de belastingplichtige leverancier of exploitant afneemt met het oog op een belaste of vrijgestelde vastgoedtransactie. De vraag naar de omvang van het recht op btw speelt echter ook bij de afname van een belaste vastgoedtransactie door een als zodanige handelende belastingplichtige. Om een antwoord op die vraag te kunnen geven, dient bij de eerste stap te worden nagegaan of deze afnemer de aan hem verrichte belaste vastgoedtransactie heeft afgenomen ten behoeve van één of meer van zijn belaste handelingen óf ten behoeve van één of meer van zijn vrijgestelde handelingen. Het gaat er dus om of de belastingplichtige afnemer het aan hem geleverde of ter beschikking gestelde vastgoed heeft afgenomen met het oog op het gebruik voor uitsluitend één of meer belaste handelingen óf voor uitsluitend één of meer vrijgestelde handelingen. Hierbij kan gedacht worden aan een huisartsenpraktijk die een nieuw bedrijfsgebouw heeft afgenomen ten behoeve van uitsluitend de vrijgestelde zorghandelingen. In die situatie is sprake van finale causaliteit met één of meer vrijgestelde handelingen in een later stadium en derhalve een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang met die vrijgestelde handelingen. Dit betekent dat de btw op de aankoop van het bedrijfsgebouw voor de huisartsenpraktijk in het geheel niet aftrekbaar is. Een ander voorbeeld is te vinden in het Rompelman-arrest12. In deze zaak had de belastingplichtige een (recht op een) showroomruimte verworven ten behoeve van de (voorgenomen) belaste verhuur van dit onroerend goed. Die finale causaliteit met de belaste verhuur betekende – zo weten we nu – dat een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang van de verwervingskosten en de belaste verhuurdienst in een later stadium moet worden aangenomen. Dit verklaart waarom het echtpaar Rompelman recht had op volledige btw-aftrek. Leidt de finale causaliteitstoets tot de slotsom dat geen sprake is van directe kosten, dan komt de tweede stap om de hoek kijken. Op die toerekeningsstap wordt in de volgende paragraaf ingegaan.