Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/2.3.1
2.3.1 Fiscale compliance als doel
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS378917:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Fiscale monitor 2014, ‘Gemiddeld vindt 87% het (volstrekt) onaanvaardbaar als iemand doelbewust fraudeert en belasting ontduikt of een te hoog bedrag aan toeslagen probeert te krijgen. Particulieren staan hier iets minder strikt tegenover (73% (volstrekt) onaanvaardbaar).’
OECD Centre for Taks Policy and Administration in zijn Principles of Good Tax Administration, OECD Committee of Fiscal Affairs Forum on Strategic Management GAP001, 25 juni 1999 met toevoeging 2 mei 2001, p. 3. ‘(…) to ensure compliance with the tax laws and to focus on voluntary compliance.’
Voor een bredere internationale schets zie: K. Messere, F. de Kam en C. Heady, Tax Policy: Theory and Practice, Oxford University Press, Oxford 2005, p. 30-32 en J. Owens, The Role of Tax Administrations in the Current Political Climate, Bulletin For International Taxation, March 2013, p. 156-160.
Zie bijvoorbeeld ‘Steekproef Particulieren’: Brief van staatssecretaris van Financiën van 11 maart 2013 over de aangiftecampagne 2012 particulieren, DGB/ 2013/1024, NTFR 2013/574, p. 5 (Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 155)
A.K.J.M. van Steenbergen, Legitimiteit en fiscale rechtshandhaving: Juridische en sociaalwetenschappelijke aspecten, 2013, p. 119.
R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, 2010, p. 941. Vgl. p. 663: ‘bestuursrechtelijke handhaving’ is het ‘zorg dragen door bestuursorganen dat rechtsregels worden nageleefd’.
F.C.M.A. Michiels, Handhaving, normstelling en verantwoordelijkheid. In: Handhaving van het bestuursrecht, Preadvies VAR 1995, VAR-reeks, nr. 114, 1995, p. 12.
Zie J.E.A. van Dijck, in een interview, Tribuut december 1998, p. 17 en recenter: R.H. Happé, Handhavingsconvenanten: een paradigmawisseling in de belastingheffing, TFO 2009/101, p. 5 e.v. en A.K.J.M. van Steenbergen, Legitimiteit en fiscale rechtshandhaving: Juridische en sociaalwetenschappelijke aspecten, 2013.
H. Elffers & B. van Giels, De brave belastingbetaler en zijn boefachtige buurman, WFR 1998/6287, p. 523.
J.L.M. Gribnau. De belastingrechter in een veranderende trias politica. In: J. P. Boer (red.), Kwaliteit van belastingrechtspraak belicht, 2013, p. 71-93.
A. Donkers in: S. de Schipper, ‘Strenger moet je ‘t niet maken’, de Volkskrant 12 maart 2005. Cijfers uit de Fiscale monitor van recentere datum laten tevens positieve cijfers zien van het belastingmoraal.
A.F.M. Brenninkmeijer, Belastingdienst in evenwicht met de burger, WFR 2013/ 7000, p. 579. Hij merkt daarbij op: ‘Niettemin zou je het omgekeerde geloven, afgaande op media en politici.’ De media laten veelal een ander beeld zien. Daarmee doen zij mijns inziens afbreuk aan het (horizontaal) vertrouwen van mensen in elkaar en in de overheid. Wijnbergen geeft aan dat de media-aandacht voor een kwaadwillende burger waardevoller is dan een goedwillende, zie R. Wijnbergen, De nieuwsfabriek, Amsterdam: De Bezige Bij 2013. De staatssecretaris van Financiën geeft bijvoorbeeld in zijn kamerbrief in 2012 aan ‘De Belastingdienst/Toeslagen heeft het afgelopen jaar stevig ingezet op de aanpak van fraude’ Kamerbrief van de staatssecretaris van Financiën van 20 augustus 2012, nr. DB/2012/93 M.
Voor het begrip ‘compliance’ zijn meerdere verwijzingen. In het meest recente (openbare) Handboek Controle van de Belastingdienst is daarover opgenomen: ‘Door een doeltreffende en doelmatige uitvoering van wet- en regelgeving streeft de Belastingdienst ernaar dat burgers en bedrijven uit eigen beweging hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst nakomen (‘compliance’). Daar is sprake van als belasting- en inhoudingsplichtige (rechts)personen: 1. zich (terecht) registreren voor belastingplicht; 2. (tijdig) aangiften doen; 3. juist en volledig aangifte doen; 4. (tijdig) betalen’. Belastingdienst, Handboek Controle, 2016, p. 11. De Belastingdienst geeft in het Beheersverslag 2010, 2011, p. 7 aan onder het begrip compliance te verstaan ‘Burgers en bedrijven zijn bereid hun wettelijke verplichtingen aan de Belastingdienst na te komen.’ Eerder omschreef de dienst het begrip compliance als volgt: ‘Burgers en bedrijven zijn bereid hun wettelijke verplichtingen aan de Belastingdienst na te komen.’ Belastingdienst, Bedrijfsplan Belastingdienst 2008-2012, 2008, p. 10. In het latere bedrijfsplan omschrijft de Belastingdienst hetzelfde begrip als: ‘Er is sprake van compliance als burgers en bedrijven relevante feiten juist, tijdig en volledig opgeven en tijdig en het juiste bedrag betalen.’ In tegenstelling tot het beheersverslag gaat compliance hier over gedrag en niet over de bereidheid (houding) om te voldoen aan de fiscale verplichtingen. In verschillende stukken van de Belastingdienst worden dus verschillende betekenissen voor het begrip ‘compliance’ gehanteerd. Voor mijn onderzoek sluit ik aan bij het eerste begrip van compliance, omdat ik mij ook zal richten op het verstrekken van gegevens en inlichtingen en de innerlijke bereidheid daartoe. Dit sluit ook aan bij de latere Kamerstukken waarin compliance wordt omschreven als ‘Het onderhouden en versterken van de bereidheid van belastingplichtigen tot nakoming van de wettelijke verplichtingen.’ Kamerstukken 2014/15, 34 000 IX, nr. 2, p. 121.
Zie J.E.A. van Dijck, in een interview, Tribuut december 1998, p. 17 en recenter: R.H. Happé, Handhavingsconvenanten: een paradigmawisseling in de belastingheffing, TFO 2009/101, p. 5 e.v. en A.K.J.M. van Steenbergen, Legitimiteit en fiscale rechtshandhaving: Juridische en sociaalwetenschappelijke aspecten, 2013, hoofdstuk 6.
R.J.M. Jeurissen en E.D. Karssing, Fiscale compliance: Een institutioneel-ethische benadering. In: J.L.M. Gribnau (Ed.). Belastingrecht en ethiek in debat: Opstellen over ethische aspecten van belastingheffing, p. 161-176, 1999; zie ook E.C.J.M. van der Hel-van Dijk, ‘Horizontaal toezicht in Europees perspectief’, WFR 2011/281, E.C.J.M. van der Hel-van Dijk, ‘Tax Assurance in... Australië’, Vakblad Tax Assurance 2014/2 en E.C.J.M. van der Hel-van Dijk, ‘Tax Assurance in... het Verenigd Koninkrijk’, Vakblad Tax Assurance 2015/1.
De Europese Commissie beschouwt het bereiken van het hoogste niveau van voluntary compliance als ‘key requirement’, voor een efficiënte belastingdienst, zie Fiscal Blueprints, a path to a robust, modern and efficient tax administration, Luxembourg: Office for Official Publications of the European Communities, 2007. Voluntary compliance heeft een tweeledig effect: een grotere effectiviteit door een betere nakoming van de fiscale wetten hetgeen ook de efficiency van de Belastingdienst ten goede komt. Zie M. Alink en V. van Kommer, Handbook on Tax Administration, 2011, p. 113.
In de Amerikaanse literatuur komt vanuit de IRS de opvatting naar voren om vanuit het wegen van de elementen van belastingheffing de compliance te modelleren als optimalisatie model. Zie A.H. Plumley, A framework for Optimal Tax Administration, Internal Revenue Service, 2008. Internationaal gezien heeft dit (nog) geen navolging gevonden en blijft het bereiken van compliance meer algemeen geformuleerd. Zie M. Alink en V. van Kommer, Handbook on Tax Administration, 2011, p. 114.
De IRS heeft in haar strategische plan 2014/2017 opgenomen: ‘Strategic Goals: Deliver high quality and timely service to reduce taxpayer burden and encourage voluntary compliance. Effectively enforce the law to ensure compliance with tax responsibilities and combat fraud.’ Zie ook E.C.J.M. van der Hel-van Dijk, Evaluatie Compliance Assurance Process in de VS, Vakblad Tax Assurance 2014/1.
Http://www.irs.gov/uac/IRS-Releases-New-Tax-Gap-Estimates-Compliance-Rates-Remain-Statistically-Unchanged-From-Previous-Study, IRS Releases New Tax Gap Estimates; Compliance Rates Remain Statistically Unchanged From Previous Study, 2012.
(Tax) compliance kan namelijk worden gedefinieerd als: ‘reporting all income and paying all taxes in accordance with the applicable laws, regulations, and court decisions.’ (J. Alm, A Perspective on the Experimental Analysis of Taxpayer Reporting. The Accounting Review, Vol. 6S. No. 3 July 1991, 1991, p. 577-593). In deze definitie komen niet alle elementen van regelnaleving naar voren. De volgende bredere definitie komt daaraan enigszins tegemoet: ‘the willingness of individuals and other taxable entities to act in accordance within the spirit as well as the letter of tax law and administration without the application of enforcement activity.’ (S. James, en C. Alley, Tax compliance, self-assessment and tax administration. Journal of Finance and Management in Public Services, Vol. 2, No. 2, 2002, p. 27-42). De OESO definieert tax compliance als volgt: ‘Degree to which a taxpayer complies (or fails to comply) with the tax rules of his country, for example by declaring income, filing a return, and paying the tax due in a timely manner.’ (Zie https://www.oecd.org/ctp/glossaryoftaxterms.htm, en OECD, Compliance Risk Management: Managing and Improving Tax Compliance 2004).
De Belastingdienst geeft in de Leidraad Toezicht Grote ondernemingen (april 2013, p. 4) bijvoorbeeld aan ‘De algemene beleidsdoelstelling van de Belastingdienst is de (in beginsel aanwezig veronderstelde) bereidheid van belastingplichtigen en toeslaggerechtigden om wettelijke verplichtingen na te komen, te onderhouden en te versterken (compliance).’ De nalevingsbereidheid is een veronderstelling die als uitgangspunt dient voor het toezicht van zowel burgers als bedrijven.
B.S. Frey en B. Torgler, Tax morale and conditional cooperation, Journal of Comparative Economics (35) 2007, p. 140.
E. Kirchler, The Economic psychology of tax behavior, 2007.
Vgl. in breder perspectief van bijvoorbeeld regelnaleving omtrent veiligheid, M. S. Christian, J.C. Bradley, J.C. Wallace, en M.J. Burke, Workplace safety: A meta- analysis of the roles of person and situation factors. Journal of Applied Psychology, 94(5), 2009, p. 1103-1127; zie ook A. Neal & M.A. Griffin, Safety climate and safety at work. In: J. Barling en M. R. Frone (Eds.), The psychology of workplace safety, 2004, p.15–34.
B.S. Frey, The role of deterrence and tax morale in taxation in the European Union. Jelle Zijlstra Lecture 2003.
B. Torgler, Tax morale, rule governed behavior and trust. Constitutional Political Economy, Volume 14, 2003, p. 119-140.
Ministerie van Financiën Directoraat-Generaal Belastingdienst, rapport ‘Doorlichting algemene beleidsdoelstelling Belastingdienst’, november 2010, p. 8.
J.L.M. Gribnau, De belastingrechter in een veranderende trias politica. In: J.P. Boer (red.), Kwaliteit van belastingrechtspraak belicht, 2013, p. 71-93. Een voorbeeld is de (ontbrekende) deskundigheid die benodigd is om te kunnen beoordelen of de leerwerkplaatsen waarvoor de afdrachtvermindering onderwijs wordt geclaimd wel, vanuit de onderwijsdoelstellingen gezien, de gewenste kwaliteit hebben. Zie de brief van staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de omzetting van de afdrachtvermindering onderwijs in een subsidieregeling, 23 mei 2013, nr. 503999, NTFR 2013/1080.
J.L.M. Gribnau, De belastingrechter in een veranderende trias politica. In: J.P. Boer (red.), Kwaliteit van belastingrechtspraak belicht, 2013, p. 71-93.
J. Braithwaite, Markets in Vice, Markets in Virtue, Oxford University Press, Oxford 2005, p. 53 e.v.
Vgl. J.A.R. van Eijsden, Formeelrechtelijke wijzigingen gedurende het afgelopen jaar: de twee gezichten van de fiscus, WFR 2010/6872, p. 1090. Deze verharding past bij de tijdgeest van een ‘harde aanpak’; vgl. Kamerstukken II 2012/13, 31 066, nr. 149, Brief van de staatssecretaris van Financiën over de verdere modernisering van de Belastingdienst, 10 december 2012, nr.DGB/2012/7178 M, V-N 2012/63.4. Ook de voorgestelde verlenging van de navorderingstermijn naar 12 jaar bij kwade trouw (art. 16 lid 1 AWR) past in dit beeld, Kamerstukken II 2010/11, 32 740, nr. 3, p. 118-119.
H.M. Prinsen en R.M.M. Vossen, Naleving en handhaving van regelgeving, Justitiële verkenningen 2003, nr. 9, p. 58-69.
Kamerstukken II 1990/91, 22 008, nr. 2, p. 27; zie ook S.A.J. Munneke, Sterven niet toegestaan: over de mogelijkheden en onmogelijkheden van goede wetgeving. In: Vormen van (de?)regulering, P.C. Westerman en A.R. Mackor (red.), Den Haag: Boom Juridische uitgevers, p. 39-40.
Zie bijvoorbeeld de discussies omtrent de controle op privégebruik auto, met het oordeel over het gebruik van ANPR-gegevens (HR 24 februari 2017, ECLI:NL: HR:2017:286-288, BNB 2017/79, V-N 2017/12.3) en SMS-parking (Hof ’s-Hertogenbosch 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2803, V-N 2014/43.6 en NDFR 2014/ 2163); zie ook J.A. Booij, Privacy en moeilijk controleerbare belastingen, Tijdschrift Formeel Belastingrecht, TFB 2017/3, p. 1-2.
Ministerie van Financiën Directoraat-Generaal Belastingdienst, rapport ‘Doorlichting algemene beleidsdoelstelling Belastingdienst’, november 2010, p. 47. De hoofdconclusie luidt: ‘dat het onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid van de Belastingdienst de vaststelling oplevert dat de Belastingdienst zijn algemene beleidsdoelstelling heeft gekozen en geformuleerd op basis van theorieën en inzichten omtrent compliance die breed door de wetenschap worden onderschreven; echter op basis van de beschikbare informatie is niet is te bepalen in welke mate het beleid doelmatig en doeltreffend is en kunnen geen harde uitspraken worden gedaan over de relatie tussen de verschillende ingezette instrumenten en de bereikte compliance in de praktijk.’
In bredere zin, er bestaat geen( eenduidig) meetinstrument waarmee compliance volgens de huidige definitie, eenvoudig en accuraat te meten is. S. James, en C. Alley, Tax compliance, self-assessment and tax administration. Journal of Finance and Management in Public Services, Vol. 2, No. 2, 2002, p. 27-42. Om dezelfde reden, met daarbij het ontbreken van betrouwbare data, is het meten van non-compliance niet mogelijk. Wetenschappelijk onderzoek ‘beperkt’ zich in het meten van (non) compliance tot het gebruik van definities en operationalisaties die passen bij dat onderzoek, zie o.a. J. Alm, Measuring, explaining, and controlling tax evasion: lessons from theory, experiments, and field studies. Int Tax Public Finance, 19, 2012, p. 54–77 en M. Hanlon en S. Heitzman, S. A review of tax research. Journal of Accounting and Economics, vol. 50, issue 2-3, 2010, p. 127-178.
J. Slemrod, Tax Compliance and Enforcement: An Overview of New Research and Its Policy Implications. 2016, Tax Compliance and Enforcement: New Research and Its Policy Implications, Michigan, University of Michigan, The Stephen M. Ross School of Business, 2016 (https://ssrn.com/abstract=2726077).
Willekeurige gecontroleerde veldexperimenten (in de zogenaamde ‘real- world-settings’) zijn pas recent verschenen als een instrument om de fiscale compliance te onderzoeken. Hiervoor verwijs ik naar onderzoeken van M. Wenzel en N. Taylor, An Experimental Evaluation of Tax-Reporting Schedules: A Case of Evidence-Based Tax Administration. Journal of Public Economics, 88(12), 2004, p. 2785– 2799; zie ook N. Dwenger, H. Kleven, I. Rasul, en J. Rincke. Extrinsic and Intrinsic Motivations for Tax Compliance: Evidence from a Field Experiment in Germany. American Economic Journal: Economic Policy, 8(3), 2016, p. 203-232.
N. Biddle, K. Fels en M.G. Sinning, Behavioural insights and business taxation: Evidence from two randomized controlled trials, Taks and Transfer Policy Institute, Working Paper 2/2017, p. 1.
Ministerie van Financiën Directoraat-Generaal Belastingdienst, Doorlichting algemene beleidsdoelstelling Belastingdienst, 2010, p. 44.
Zie bijvoorbeeld J. Slemrod, M. Blumenthal en Ch. Christian. 2001. Taxpayer Response to an Increased Probability of Audit: Evidence from a Controlled Experiment in Minnesota. Journal of Public Economics 79 No. 3: 429-453, 2001 een zogenaamd ‘threat-of-audit’ onderzoek door State of Minnesota Department of Revenue naar de invloed van een aangekondigd (mogelijk) onderzoek; zie ook soortgelijk onderzoek in Denemarken door H.J. Kleven, M. B. Knudsen, C.T. Kreiner, S. Pedersen en E. Saez. Unwilling or Unable to Cheat? Evidence from a Randomized Tax Audit Experiment in Denmark. Econometrica, 79 No. 3: 651-692, 2011; Effect van contact vanuit de Belastingdienst, zie D. Ortega, en C. Scartascini, ‘Don’t Blame the Messenger: A Field Experiment on Delivery Methods for Increasing Tax Compliance. Working Paper, Inter-American Development Bank. 2015 en Y. Paramonova, 2015. ‘Collateral Tax Sanctions: A Way to Correlate Punishment with Ability.’ Working Paper, University of Michigan 2015. Over effect na audit zie J. DeBacker, B. T. Heim, A. Tran en A. Yuskavage. Once Bitten, Twice Shy? The Lasting Impact of IRS Audits on Individual Tax Reporting. Working Paper, Indiana University, 2015. Effect van derdeninformatie, zie P. Carrillo, D. Pomeranz en M. Singhal, Dodging the Taxman: Firm Misreporting and Limits to Tax Enforcement.’ National Bureau of Economic Research Working Paper No. 20624, 2014.
N. Biddle, K. Fels, M.G. Sinning, Behavioural insights and business taxation: Evidence from two randomized controlled trials, Taks and Transfer Policy Institute, Working Paper 2/2017, p. 1.
H.G. Grasmick en R.J. Bursik, Conscience, significant others and rational choice: extending the deterrence model. Law and Society Review, 24, 1990, p. 837-861.; R.D. Schwarz en S. Orleans, On legal sanctions. University of Chicago Law Review, 34, 1967, p. 282-300.
N. Biddle, K. Fels, M.G. Sinning, Behavioural insights and business taxation: Evidence from two randomized controlled trials, Taks and Transfer Policy Institute, Working Paper 2/2017, p. 1; zie ook K. Gangl, B. Torgler, E. Kirchler en E. Hofmann. Effects of Supervision on Tax Compliance: Evidence from a Field Experiment in Austria. Economics Letters, 123(3), 2014, p. 378–382 enL. Arcos-Holzinger en N. Biddle. Behavioural Insights of Tax Compliance: An Overview of Recent Conceptual and Empirical Approaches. Tax and Transfer Policy In- stitute Working Paper 79, 2016.
S. Coleman, Income Tax Compliance: A Unique Experiment in Minnesota. Govern- ment Finance Review, 13(2), 1997, p. 11–16; S.D. Dyreng, J.L. Hoopes, en J. H. Wilde. Public Pressure and Corporate Tax Behavior. Journal of Accounting Research, 54(1), 2016, p. 147–186.
M. Wenzel, An analysis of norm processes in tax compliance. Journal of Economic Psychology, 25, 2004, p. 213-228.
R.D. Schwartz, en S. Orleans. On Legal Sanctions. The University of Chicago Law Review, 34(2), 1967, p. 274–300; zie ook van recentere datum M. Hallsworth, J.A. List, R.D. Metcalfe, en I. Vlaev. The Behavioralist as Tax Collector: Using Natural Field Experiments to Enhance Tax Compliance. Journal of Public Economics, 148, 2017, p. 14–31.
Zie voor een overzicht met studies naar compliancebeïnvloeders M. Hallsworth, The use of field experiments to increase tax compliance, Oxford Review of Economic Policy, Volume 30, Number 4, 2014, p. 658-679.
B. Torgler en C.A. Schaltegger, Tax morale and fiscal policy, working paper nr. 30, 2005.
In het Handboek Controle had de Belastingdienst daarover opgenomen: ‘Met een dienstverlenende en respectvolle houding, het toepassen van adequaat toezicht (zoals door kantoor- en veldtoets) en zo nodig door opsporing en strafrechtelijke vervolging wil de Belastingdienst het gedrag beïnvloeden. Belastingplichtigen die zich coöperatief (willen) gedragen worden ondersteund – bijvoorbeeld met voorlichting aan starters – terwijl degenen die zich niet aan de fiscale regels willen houden, worden geconfronteerd met een hardere aanpak. Kortom: zacht waar het kan, hard waar het moet.’ Belastingdienst, Handboek Controle, vierde herziene druk, oktober 2009, p. 28. In de latere versie van het handboek is deze laatste differentiatie niet meer opgenomen, maar wordt volstaan met de opmerking voor de keuze in handhavingsinstrumenten geldt ‘dat alle activiteiten van de Belastingdienst, van dienstverlening tot opsporing, erop gericht zijn de bereidheid tot naleving te stimuleren, te onderhouden en te optimaliseren.’ Handboek Controle, November 2016, p. 11.
Zie onder meer Belastingdienst, Handboek Controle, vierde herziene druk, 2009, p. 28 en Commissie Stevens, Horizontaal Toezicht Belastingdienst, Fiscaal toezicht op maat, Soepel waar het kan, streng waar het moet, 2012, p. 21 onder verwijzing naar algemene uitgangspunten van het toezicht Minder last, meer effect zes principes van goed toezicht, bijlage bij Kamerstukken II 2005/06, 27 831, nr. 15, p. 9.
H.R. Blokpoel: ‘Mijn missie is gedragsverandering. (…) Iedere belastingplichtige de behandeling geven die hij verdient.’ In: De Correspondent, Maurits Martijn, 22 april 2015.
J.L.M. Gribnau. De belastingrechter in een veranderende trias politica. In: J. P. Boer (red.), Kwaliteit van belastingrechtspraak belicht, 2013, p. 71-93.
Vgl. E.A.M. Huiskers-Stoop, Horizontaal toezicht: een keuze tussen straffen en samenwerken, TFB 2013/2, p. 13 e.v. Zij bespreekt onder andere de Responsive Regulation-theorie van Ayres en Braithwaite. Uitgangspunt hiervan is vrijwillige naleving van wettelijke regels. Ondernemingen worden geacht eigen verantwoordelijkheid te dragen en maatregelen te treffen ter voorkoming van niet-naleving. In de bekende handhavingspiramide van Braithwaite wordt het traditionele handhavingsmodel gecombineerd met een meer moraliserende benadering.
J.L.M. Gribnau. De belastingrechter in een veranderende trias politica. In: J. P. Boer (red.), Kwaliteit van belastingrechtspraak belicht, 2013, p. 71-93.
V. Braithwaite, (red.), Taxing Democracy: Understanding Tax Avoidance and Evasion. Aldershot, UK, Ashgate Publishing Ltd. 2003.
In de parlementaire geschiedenis van de Awb is onderscheid gemaakt in de ‘nalevingstoezicht’ en ‘uitvoeringstoezicht’. De bevoegdheden voor het nalevingstoezicht zijn geregeld in de Awb (lex generalis) met de mogelijkheid aanvullende of beperkende, D, bevoegdheden vanuit een bijzondere wet (lex specialis). Voor het uitvoeringstoezicht geldt een uitzondering voor de toepassing van de Awb. Daarvoor worden de toezichtbevoegdheden alleen geregeld in bijzondere wet. Het toezicht van de Belastingdienst is gekwalificeerd als ‘uitvoeringstoezicht’ en kent derhalve alleen de toezichthoudende bevoegdheden vanuit een bijzondere wet, Kamerstukken II 1994/95, 23 700, nr. 5, p. 57.
R.G.M.E. Foqué, Rechtsstatelijke vernieuwing. In: P. Kuypers, P.H.A. Frissen en R. G.M.E. Foqué, De lege plek van de macht, 1993, p. 39.
Zie o.a. Kamerstukken II 1997/98, 17 050, nr. 202, p. 7.
F.E. Six. Vertrouwen in toezicht, Tijdschrift voor toezicht, 1, 2010, p. 16. Met verwijzing naar: T.K. Das en B.S. Teng, Between trust and control: Developing confidence in partner cooperation in alliances, Academy of Management Review 1998, 23, p. 491-512. T.K. Das en B.S. Teng, Trust, control and risk in strategic alliances: An integrated framework, Organization Studies 2001, 22, p. 251-283. A. Weibel, Formal control and trustworthiness: shall the twain never meet?, Group & Organization Management 2007, 32, 4, p. 500-517. A. Weibel, R. Searle, D.N. Den Hartog, T. Hatzakis, F.E. Six, N.Gillespie en D. Skinner, Formal control as a driver of trust in the organization? Paper gepresenteerd tijdens Academy of Management Meeting, augustus 2009.
De Belastingdienst volgt voor de keuze het protocol aanmelding en afhandeling fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten, nr. BLKB2015-572, Protocol AAFD, 1 juli 2015.
I. Ayres en J. Braithwaite, Responsive Regulation; Transcending the deregulation debate, 1992.
F.E. Six, Vertrouwen in toezicht, Tijdschrift voor Toezicht 2010 (1) 4, p. 6-26.
Belastingdienst, Handboek Controle, 2016, p. 11.
V. Braithwaite, ‘Responsive regulation and taxation: an introduction’, Law and Policy, 29(1), 2007.
L.M. Oats en J.L. Pemberton, Key principles for efficient tax administration and main reform challenges. In: C. Gayer en G. Mourre (red.), Property taxation and enhanced tax administration in challenging times, Proceedings of the workshop organised by Directorate General for Economic and Financial Affairs, held in Brussels on 24 November 2011, Economic Papers 463, 2012, p. 52-61.
Ministerie van Financiën Directoraat-Generaal Belastingdienst, Rapport ‘Doorlichting algemene beleidsdoelstelling Belastingdienst’, 2010, p. 46.
Een nuancering is hier op zijn plaats. Het adagium van de Voedsel en Waren Autoriteit ‘hard waar het moet en zacht waar het kan’ (Voedsel en Waren Autoriteit, 2006), bleek in de praktijk moeilijk uitvoerbaar. De keuze tussen ‘hard’ en ‘zacht’ is namelijk moeilijk te maken, omdat controleurs niet in staat zijn om te kiezen voor de meest geschikte stijl van handhaven, P. Mascini en E. van Wijk, ‘Vis ruikt nu eenmaal zo’; responsive regulation door de Voedsel en Waren autoriteit. Tijdschrift voor Criminologie, 50, 2008, p. 114-129.
Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 214, Brief van de staatssecretaris van Financiën, 29 september 2014, nr. DGB/2014/5431U, ‘Op maat gesneden dienstverlening en vormen van horizontaal toezicht stellen belastingplichtigen in staat om aan wettelijke verplichtingen te voldoen op een manier die bijdraagt aan een verhoogde kwaliteit van de aangifte of aanvraag. In die gevallen is controle achteraf in veel gevallen dus niet meer nodig. Dit is gunstig voor de belastingplichtigen omdat het voor hen gemakkelijker wordt gemaakt. En het is gunstig voor de Belastingdienst omdat het de druk op de controles achteraf vermindert. Een voorbeeld hiervan is de voor ingevulde aangifte inkomstenbelasting. Waar burgers en bedrijven echter een loopje nemen met hun wettelijke verplichtingen, wordt repressief toezicht uitgeoefend en vindt er in het uiterste geval strafrechtelijke vervolging plaats.’
Volgens de Kelsiaanse stroming binnen de rechtsfilosofie is er een onderscheid tussen rechtmatigheid (legaliteit) en rechtvaardigheid (legitimiteit). Rechtmatigheid is een rationeel begrip waarbij het gaat om objectief vaststelbare handelingen. Het algemeen consequent toepassen van wetten kan objectief worden vastgesteld. Bij rechtvaardigheid gaat het om een niet rationeel begrip waarbij de mening nauw samenhangt met allerlei andere belangen zoals eerbieding van de persoonlijke levenssfeer.
J. Alm, e.a.. Fiscal exchange, collective decision institutions, and tax compliance, Journal of Economic Behavior and Organization, (22), 1993, p. 285-303.
K. van den Bos, Rechtvaardigheid en onzekerheid, 2009. In: De menselijke beslisser, over de psychologie van keuze en gedrag, red. W.L. Tiemeijer, C.A. Thomas en H.M. Prast, 2009, p. 89; zie ook Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K. van den Bos en L. van der Velden, 2013, Prettig Contact met de Overheid 4, Legitimiteit van de overheid, aanvaarding van overheidsbesluiten en ervaren procedurele rechtvaardigheid.
L.P. Feld en B.S. Frey, Trust breeds trust: how taxpayers are treated, Economic Governance, 3(87), 2002.
E. Kirchler en E. Hoelzl, Modelling Taxpayers Behaviour as a Function of Interaction Between Tax Authorities and Taxpayers. In H. Elffers, P. Verboon and W. Huisman (Ed). Managing and maintaining compliance, 2006.
M. Alink en V. van Kommer, Handbook on Tax Administration, 2011, p.113.
T. Tyler, Psychology and the Design of Legal Institutions. Tilburg Law Lectures Series, Montesquieu seminars volume 3. 2007.
K.A. Kinsey e.a., Framing justice: Taxpayer evaluations of personal tax burdens, Law and Society Review, (25), 1991, p. 239-325; zie ook F.A. Cowell, Tax evasion and inequity, Journal of Economic Psychology (13), 1992 p. 521-543, en J. Alm e.a. Fiscal exchange, collective decision institutions, and tax compliance, Journal of Economic Behavior and Organization, (22), 1993, p. 285-303. Zie verder M. L Roberts en P.A. Hite, Progressive taxation, fairness, and compliance, Law and Policy, (16), 1994, p. 27-47 en J. Falkinger, Tax evasion, consump- tion of public goods and fairness, Journal of Economic Psychology, (16), 1995, p. 63-72, K. Murphy, The role of trust in nurturing compliance: A study of accused tax avoiders, Law and Human Behavior, (28), 2004, p. 187-209. Ontleend aan Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, A.T. Marseille (red.) en L. van der Velden (red.), Vertrouwen verdient, Visies op geschilbeslechting door de overheid, met bijdragen van J.L.M. Gribnau en A.K.J.M van Steenbergen, Prettig contact met de Belastingdienst, 2014.
E. Kirchler, E. Hoelzl en I. Wahl, Enforced versus voluntary compliance: the ‘slippery slope’ framework, Journal of Economic Psychology, 29, 2008, p. 210-255. ‘the tax authority needs the power to enforce compliance, but also the trust of citizens. An absence of either or both of these reduces the efficiency of tax collection.’
A.K.J.M. van Steenbergen, Legitimiteit en fiscale rechtshandhaving: Juridische en sociaalwetenschappelijke aspecten, 2013, p. 11-12. ‘De bereidwillige aanlevering van relevante financiële informatie door burgers en bedrijven aan de Belastingdienst is daarbij onontbeerlijk. Burgers zijn daartoe echter slechts bereid als ze vertrouwen hebben in de overheid en haar dienaren. Om die reden is de legitimiteit van de overheid en haar belastingambtenaren, anders dan tweeduizend jaar geleden, een bepalende factor geworden in de belastingheffing.’
S. Goslinga en A. Denkers, Motieven voor regelovertreding: een onderzoek onder ondernemers. Gedrag en Organisatie, 22(1), 2009, p. 3-22.
S.M. Lindenberg en L. Steg, Normative, Gain and Hedonic Goal frames Guiding environmental Behaviour. Journal of social Issues, 2007, 63(1), p. 117-137; zie ook R. A. Kagan, en J.T. Scholz, The ‘Criminology of the Corporation’ and Regulatory Enforcement Strategies (1984). In: K. Hawkins en J.M. Thomas (Eds.) Enforcing Regulation p. 67-96.
Zie onder meer wetenschappelijke onderzoeken H.G. van de Bunt, Organisatiecriminaliteit, 1992. J. Braithwaite, To punish or to persuade, 1985; W. Huisman en A. Beukelman, Invloeden op regelnaleving door bedrijven, 2007; zie ook H.G. van de Bunt en W.Huisman, Organisatiecriminaliteit, Tijdschrift voor Criminlogie, 2004, 2, 46 p. 106-120
Het onderwerp geniet al vele jaren wetenschappelijke belangstelling, zie o.a. S.D. Warren en L.D. Brandeis, The Right to Privacy, Harvard Law Review, Vol. 4. No. 5 (Dec. 15, 1890), p. 193-220. Ook in relatie tot het verkrijgen van gegevens door de overheid ten aanzien van het toezicht, zie o.a. R. Kagie, Privacy, Hoe Nederland verandert in een controlestaat, Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Contact, 2010.
M. Lefebvre, P. Pestieau, A. Riedl en M. Villeval (2011). Tax evasion, welfare fraud, and ‘the broken window’ effect. Netspar Discussion Paper, DP02, 2011-110; zie ook S. Laury, en S. Wallace. Confidentiality and taxpayer compliance. National Tax Journal 58 (3): 2005, p. 427-438.
Specifiek onderzoek naar deze invloed dateert ook van recentere datum. J. Alm, M. Bernasconi,S. Laury. D.J. Lee en S. Wallace, Culture, Compliance, and Confidentiality, A Study of Taxpayer Behavior in the United States and Italy, Journal of Economic Behavior & Organization, Volume 140, August 2017, Pages 176-196.
S. Laury en S. Wallace, Big Ideas amid big benefits, Confidentiality and Taxpayer Compliance, National Tax Journal, Vol 58, No. 3. 2005, p. 427-438
Voor term openbaar maken wordt in het algemeen aangesloten bij de Wet openbaarheid bestuur: het voor een ieder toegankelijk maken. In de context van het integreren van toezichtgegevens, heeft beperkt het openbaar maken zich tot het verstrekken van gegevens aan een of meerdere bestuursorgaan in het kader van de publieke taakuitoefening.
M. Alink en V. van Kommer, Handbook on Tax Administration, 2011, p.143-145.
Fiscal Blueprints, a path to a robust, modern and efficient tax administration, Luxembourg: Office for Official Publications of the European Communities, 2007.
WRR-rapport 95, Big data in een vrije en veilige samenleving, 2016, p. 26.
R. Clarke, M. Morell, G. Stone, C. Sunstein en P. Swire, Liberty and security in a changing world. Report and Recommendations of The President’s Review Group on Intelligence and Communications Technologies 12 december 2013, beschikbaar op: www.whitehouse.gov/sites/default/files/docs/2013-12-12_rg_final_report.pdf, 2013, p. 14-15.
J.A. Knottnerus en F.W.A. Brom, Big data in een vrije en veilige samenleving, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2016, par. 4.5.5 en WRR policy brief, ‘Big Data and Security Policies: Serving Security, Protecting Freedom’, nr. 6 2017, p. 16 beschikbaar via: https://www.wrr.nl/publicaties/policybriefs/2017/01/31/big-data-and-security-policies-servingsecurity-protecting-freedom.
A. van Eijsden, Tax(t) en uitleg, WFR 2016/165.
A.J. Rohm en G.R. Milne, Just what the doctor ordered: the role of information sensitivity and trust in reducing medical information privacy concern. Journal of Business Research, 57(9), 2004, p. 1000-1011.
In deze studie gaat het uitdrukkelijk niet om het verstrekken van gegevens en inlichtingen in het kader van het beoordelen – door burgers en bedrijven – van de legitimiteit van het overheidsoptreden zelf: daarvoor geldt sinds 1992 de Wet openbaarheid bestuur (Wob), Stb. 2016, 301. Het kader van de wettelijke geheimhoudingsplicht – voor individuele gevallen – is onverkort van toepassing. Het verstrekken van gegevens volgens de Wet hergebruik van overheidsinformatie (Who) is tevens afwijkend: dat geeft burgers en bedrijven het recht om te verzoeken tot het (al dan niet commercieel) hergebruik van reeds openbare informatie, Stb. 2016, 301. (zie ook Richtlijn 2013/37/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie, PbEU 2013, L 175/1.). Het wetsvoorstel Wet open overheid (Voorstel van wet van de leden Voortman en Van Weyenberg houdende regels over de toegankelijkheid van informatie van publiek belang, nr. 33328) ziet tevens vormen van openbaarmaking in het kader van de uitvoering van de overheid zelf en ligt in het verlengde van de Wob (oorspronkelijk: Voorstel van wet van het lid Peters houdende regels over de toegankelijkheid van informatie van publiek belang (Nieuwe Wet openbaarheid van bestuur), Kamerstukken II 2011/12, 33 328, nr. 1.
De ‘Al Capone case’ is uiteraard geen voorbeeld van een standaardaanpak van de belastingplichtigen. Al Capone is immers niet te vergelijken met de doorsnee belastingbetaler.1 Het is dan ook niet mogelijk om op basis van ‘één successtory’ in de strafrechtelijke sfeer het toezicht als effectief te kwalificeren. De strategie van een belastingdienst dient niet primair gericht te zijn op het ‘vervolgen van belastingontduikers’ maar op het bereiken van maximale bereidheid van het naleven van de fiscale wet- en regelgeving.2 De bereidheid van burgers om hun fiscale verplichtingen zelfstandig na te komen is van belang voor de fiscale rechtshandhaving.3 In feite is de belastingheffing, in zijn huidige vorm, zonder medewerking van de burgers niet uitvoerbaar: efficiënt en effectief toezicht vraagt om gerichte aanpak met medewerking van burgers en bedrijven.4 Wanneer iedere uitvoering van een fiscale verplichting een prikkel of zelfs machtsingrijpen van de overheid zou vereisen, dan zou de Belastingdienst tegen onoverkomelijke capaciteitsproblemen aanlopen.5
Het handhaven van de Belastingdienst is dan ook breder dan volgens de klassieke benadering van Schlössels en Zijlstra: het toezien op de naleving van wettelijke voorschriften en het bestraffen van handelingen die daarmee in strijd zijn.6 Het fiscale rechtshandhaven sluit veel meer aan bij de brede en moderne variant van handhaven, namelijk ‘elke handeling die er op gericht is de naleving van rechtsregels te bevorderen of een overtreding te beëindigen’.7 De Belastingdienst moet zoveel mogelijk de gedragingen van de belastingplichtigen proberen te beïnvloeden opdat zij ‘vrijwillig’ aan hun belastingverplichtingen voldoen.8 Daarbij wordt aangesloten bij de positieve houding die de meeste burgers hebben ten opzichte van het betalen van belastingen.9 Mensen zijn voor het overgrote deel intrinsiek gemotiveerd om zich aan de wet te houden.10 Als de Belastingdienst de juistheid van aangiftes systematisch beoordeelt, dan blijkt 98,7% netjes binnen te komen.11 (Fiscale) fraude vindt dan ook slechts op beperkte schaal plaats.12 De Nederlandse belastingdienst noemt dat in zijn strategische doelstelling ‘compliance’.13 Vanaf midden jaren tachtig en begin jaren negentig van de vorige eeuw is de werkwijze van de Belastingdienst hier expliciet op gericht.14 Deze doelstelling sluit aan bij de meeste belastingdiensten die overigens meerdere concepten hanteren.15 Het behoort internationaal tot de meest dominante missie statements.16 De Amerikaanse belastingdienst IRS verschilt hierin overigens niet van andere belastingdiensten.17 Ook de IRS richt zich op het bereiken van compliance.18 Naar eigen perceptie bereikt de IRS zelfs een van de hoogste ‘tax compliance rates’ in de wereld.19 Voorzover compliance te meten is, moet rekening worden gehouden met een diversiteit aan definities van dit begrip. (Tax) Compliance kent namelijk meerdere definities.20 De Belastingdienst hanteert een brede definitie van compliance en geeft daarmee aan dat het gaat om bereidwilligheid en spontante naleving van fiscale wet- en regelgeving. In de Rijksbegroting wordt hieromtrent aangegeven: ‘Onder compliance verstaat de Belastingdienst dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke fiscale verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen.’21 Het nakomen van andere verplichtingen waarop andere bestuursorganen toezien, behoort daar dus niet toe.
De Belastingdienst hanteert het gangbare uitgangspunt dat burgers bereid zijn substantieel bij te dragen aan het algemeen belang. Dat geldt niet alleen voor gewone burgers maar ook voor ondernemingen.22 De meerderheid van de belastingplichtigen heeft een intrinsieke bereidheid, een tax morale, om zich aan de wet te houden.23 De fiscale wetgeving wel te verstaan.
Kernelementen van compliance
Uit wetenschappelijk onderzoek komt naar voren dat compliance met name wordt bepaald door intrinsieke motieven, externe prikkels en de mogelijkheden voor naleving en niet-naleving.24 Dat zijn algemene kernelementen van compliant gedrag.25 De intrinsieke motieven worden binnen de fiscale sfeer ook wel aangeduid met de term belastingmoraal, een term waaronder persoonlijke, interne en sociale normen worden geschaard.2627 Niet als randvoorwaarde genoemd maar wel als instrument zijn de externe prikkels om compliance in de belastingheffing te bevorderen. Dit in de vorm van toezicht (controle- en pakkans), handhavingscommunicatie en sancties.28 Ten slotte is de wet- en regelgeving zelf van invloed op de naleving daarvan. Om als norm te kunnen fungeren moeten zij eenduidig en controleerbaar zijn. Rechtsregels die niet controleerbaar zijn, kunnen [MS: beter] vervangen worden door andere regels [MS: of helemaal niet worden geïmplementeerd].29
In het algemeen geldt dat de wetgever adequaat moet reageren op allerlei maatschappelijke, economische en technische ontwikkelingen waaronder de methoden van uitvoering en handhaving.30 Voor de belastingwetgeving geldt dit des te meer omdat principieel en alert reageren op bijvoorbeeld belastingontduiking verdere verspreiding voorkomt: de wetgever wil bijvoorbeeld voorkomen dat maatwerkconstructies zich ontwikkelen tot confectiestructuren die en masse worden gebruikt.31 De belastingwetten zijn dan ook mede afgestemd op mogelijkheden van de Belastingdienst om toezicht te kunnen houden: in de loop van de tijd heeft dit geleid tot steeds meer en ruimere bevoegdheden en sancties.32 Althans, dat moet zo zijn.33 Wetgeving die niet te handhaven is, draagt veelal het risico in zich een symboolfunctie te krijgen: en die dreigt snel tot veranderen in een dode letter.34 Wetgeving waarop moeilijk toezicht is te houden, kan leiden tot (gekunstelde vormen van) maatschappelijk onaanvaardbaar toezicht.35
De mate waarin het toezicht zelf bijdraagt aan de compliance is echter niet vast te stellen.36 Het is eenvoudigweg niet mogelijk om na te gaan wat de naleving van fiscale wet- en regelgeving zou zijn, indien er geen toezicht zou zijn. Er is allereerst geen methodiek voorhanden waarmee gemeten kan worden wat het niveau van compliance is en vervolgens wat die zou zijn bij het ontbreken van toezicht.37 Het toeschrijven van een bepaalde uitkomst of stand van zaken aan een activiteit of instrument is onmogelijk zonder een nulmeting.
Daarnaast is het vaststellen van compliance sowieso al moeilijk vanwege haar aard. En vanwege de strafdreiging proberen non-compliante belastingplichtigen hun gedrag te verbergen en zijn onwillig hun gedrag kenbaar te maken zelfs bij een anonieme survey.38 Het onderzoek blijft dan ook vaak beperkt tot experimenteel onderzoek en pas recent vinden onderzoeken in real-world-setting plaats.39 Die modellen gaan uit van veronderstellingen over de vermoedelijke effecten van benaderingen.40 Het leggen van een causaal verband tussen de gemaakte kosten en het effect op de mate van compliance is om dezelfde redenen evenmin te realiseren.41 Het wetenschappelijk onderzoek beperkt zich dan ook tot het vaststellen van de invloed van bepaalde vormen van toezicht op de compliance.42
De effectmeting staat dan vaak op zichzelf zonder de invloed van combinaties vast te stellen.43 Uit onderzoek blijkt dat de persoonlijke normen sterker van invloed zijn op het al dan niet naleven dan de pakkans en de zwaarte van de sancties.44 Bij organisaties is het nalevingsgedrag afhankelijk van de combinatie van bestuurders en de invloed daarvan is tot nu toe nog onderbelicht gebleven.45 De onderzoeken zijn veelal gebaseerd op variaties van het zogenaamde ‘deterrence model’ (‘afschrikking’), de invloed op het gedrag bij allerlei vormen van toezicht en aanpak door de Belastingdienst.46 Daarnaast bestaan nog de invloeden vanuit de sociale omgeving. Ook die zijn van grotere invloed dan de pakkans en de zwaarte van de sancties.47 De ‘non-deterrence’ interventie met betrekking tot sociale normen en het morele beroep zijn van invloed op de compliance.48 Over de wijze waarop die echter van invloed zijn, is weinig bekend.49 Wel dat de wijze van toezicht zoveel mogelijk moet aansluiten op de rechtvaardigheidsbeleving vanuit de persoonlijke en sociale normen. Duidelijk is evenwel dÁt het uitvoeren van toezicht en de belastingmoraal van invloed zijn op de effectiviteit van de Belastingdienst.50
Handhavingsinstrumenten gericht op compliant gedrag
Voor het stimuleren van de nalevingsbereidheid maakt de Nederlandse belastingdienst gebruik van een pallet aan ‘gedragsbeïnvloeders’.51 Bij de keuze laat hij zich leiden door het sociaalpsychologische uitgangspunt ‘zacht waar het kan, hard waar het moet’.52 Dat was ook de slogan van de voormalig algemeen directeur van de Belastingdienst.53 De Belastingdienst hanteert een ‘handhavingsregie’ om te bepalen welk handhavingsinstrument het best bij een individuele belastingplichtige past. Een ‘one size fits all’-benadering voldoet immers niet meer.54 Adequaat handhaven betekent een gedifferentieerde behandeling van de belastingplichtigen naar de mate van bereidheid tot nakoming (compliance).55 Handhaving kan echter niet alleen zijn gebaseerd op een ‘compliance strategy’, maar er moet ook een repressieve ‘deterrence strategy’ zijn, waarin ‘afschrikken’ centraal staat.56 Internationaal wetenschappelijk onderzoek laat zien dat effectieve handhavingsstrategieën afgestemd moeten zijn op de motivatie van de belastingplichtigen te voldoen aan fiscale verplichtingen.57 Dit vraagt om maatwerk.
Op maat gesneden vormen van toezicht
Het toezicht van de Belastingdienst moet zich manifesteren op de wijze waarop het eigen heffings- en inningsproces verloopt.58 Toezicht op zichzelf kan echter ook leiden tot een effectieve uitvoering van dat proces. Zo kan, als gezegd, het toezicht zelf al een stimulerende werking hebben op het nakomen van de fiscale verplichtingen. In fiscalibus geldt ook dat ‘meer blauw op straat’ de naleving ten goede komt.59 Ook kan het zichtbaar controleren het vertrouwen in de Belastingdienst vergroten.60 Zo kan een goed functionerend intern controlesysteem gezien worden als een ‘garantie’ dat de organisatie betrouwbaar en rechtvaardig handelt.61 In een beperkt aantal gevallen is het toezicht gericht op bijsturing van het gedrag van individuele belastingplichtigen. Dit kan gepaard gaan met repressieve maatregelen gericht op de juiste uitvoering en/of sancties met een strafkarakter. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden grijpt de Belastingdienst hardhandig in bij degenen die hun voordeel zoeken in het niet nakomen van de fiscale wet- en regelgeving.62 Voor hen is het strafrecht de meest geëigende uitvoeringsmodaliteit. Als ik de aanpak van ‘Al Capone’ in het hedendaagse toezicht positioneer, dan zou dit de plaats zijn: een uitzonderlijke benadering om het maatschappelijk ongewenste gedrag af te straffen.
De Belastingdienst differentieert in zijn handelen naar de wijze waarop de burger inhoud geeft aan de fiscale rechtsbetrekking. Deze vorm van differentiatie is een vorm van ‘responsive regulation’.63 De veronderstelde nalevingsbereidheid bepaalt de behandelingsstrategie. Zij die zich betrouwbaar en transparant gedragen, wordt vertrouwen geschonken.64 De Belastingdienst geeft daarvoor aan: ‘Uitgangspunt is het vertrouwen dat belastingplichtigen de bereidheid hebben hun wettelijke verplichtingen na te komen. Wanneer zij door hun houding en gedrag signalen geven die niet in lijn zijn met dit uitgangspunt, zal de Belastingdienst daar in zijn toezicht rekening mee houden.’65 Naarmate er minder vertrouwen wordt ontleend aan het gedrag van een belastingplichtige, vindt meer verificatie van gegevens en inlichtingen plaats: zonodig met intensief toezicht door het opvragen van gegevens van derden.
Deze gedifferentieerde benadering sluit aan bij de bevindingen en inzichten van wetenschappelijk onderzoek rond compliance 66 en past bij een efficiënte belastingdienst.67 Toezicht moet afgestemd zijn op specifieke situaties. De Belastingdienst gaat er vanuit dat ‘wanneer de instrumenten voldoende functioneren, de bereidheid van burgers en bedrijven om volgens de regels informatie te verstrekken aan de Belastingdienst, de door hen verschuldigde belasting te betalen wordt bevorderd en de daadwerkelijke naleving stijgt.’68 Het gaat derhalve om de juiste toepassing van de toezichtinstrumenten.69 De staatssecretaris van Financiën merkt hierover op dat het gaat om op maat gesneden vormen van toezicht.70 Gericht op het nakomen van de fiscale verplichtingen.
De voorspellende waarde van het gerechtvaardigde optreden als toezichthouder
Uiteraard moet een adequate wet- en regelgeving beschikbaar zijn die een gerechtvaardigd optreden als toezichthouder mogelijk maakt. Het gaat om de rechtmatigheid in de uitvoering.71 Het bepaalt tevens de juridische en sociale rechtvaardigheid. Dit laatste voorspelt vaak de mate waarin belastingplichtigen de fiscale wet- en regelgeving naleven. Ook ten aanzien van het verstrekken van de noodzakelijk informatie ten behoeve van het uitvoeren van de wettelijke taak. Ervaren rechtvaardigheid leidt namelijk tot vertrouwen in de overheid en tot vertrouwen in het systeem dat de overheid bewaakt. Een belangrijke factor voor het vertrouwen in de overheid en haar instanties, is het gevoel al dan niet rechtvaardig behandeld te zijn. Uit onderzoek komt namelijk naar voren dat ervaren rechtvaardigheid in het doen en laten van de Belastingdienst vaak de mate voorspelt waarin mensen de fiscale wet- en regelgeving naleven.72 Wanneer een belastingplichtige het directe contact met de Belastingdienst als rechtvaardig ervaart, versterkt dit het vertrouwen in de eerlijkheid en efficiency van de Belastingdienst.73 De Belastingdienst zal niet alleen rechtmatig moeten handelen, maar dat zal ook als zodanig moeten worden ervaren. Dit leidt tot een verhoogde compliance.74
In de literatuur komt naar voren dat een eerlijke behandeling en de betrouwbaarheid van fiscale autoriteiten de fiscale compliance verhoogt.75 Een eerlijke en correcte behandeling van de belastingplichtigen is essentieel voor het bereiken van compliance.76 De mate van het ervaren van gerechtvaardigde (procedurele) behandeling van toezichtsubjecten vormt een bepalende factor voor de perceptie van de legitimiteit van de regel en de handhaver.77 Dat verhoogt de bereidheid tot regelnaleving, zoals de nakoming van fiscale verplichtingen in zijn algemeen.78 En dat laatste is weer de voorwaarde om effectief uitvoering te kunnen geven aan het eerste. Het zogenaamde ‘slippery slope’ model van compliance benadrukt dat maximale compliance zowel handhavingsmacht als vertrouwen vereist.79 Tot de fiscale verplichtingen wordt niet alleen de afdracht van belastingen gerekend maar tevens het aanleveren van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het proces van heffing en inning.80 Ook dat behoort tot de compliance.
Bij deze normatieve motivatie is het van belang dat die veelal wordt beïnvloed door sociale verwachtingen gebaseerd op bepaalde overheidsonderdelen en/of handhavende instanties.81 Naast deze normatieve motieven, zijn onder andere de economische motieven van invloed op de nalevingsbereidheid.82 Het risico van bedrijfseconomische schade die het verstrekken van gegevens met zich mee kan brengen, kan van invloed zijn op de nalevingsbereidheid van burgers en bedrijven. Een dilemma: het willen nakomen van de (fiscale) verplichting tegenover schade die dat teweeg kan brengen. Dit speelt temeer ingeval het niet om de eigen (belasting) verplichtingen gaat maar die van anderen. Wellicht speelt het ook bij het delen van fiscale gegevens met andere toezichthouders.
Negatieve invloed op compliance bij publieke bekendmaking (‘openbaarmaking’)
Bij het streven naar een breder maatschappelijk belang mag het mogelijk ongewenste neveneffect op de ‘eigen’ doelstelling niet worden veronachtzaamd. De wijze waarop het (fiscale) toezicht plaatsvindt kan immers van invloed zijn op de bedrijfseconomische (kosten/baten analyse) en/of intrinsieke motieven (of de belastingmoraal) van de belastingplichtigen. Onderzoek laat zien dat toezicht niet altijd tot het gewenste gedrag leidt.83 Als toezicht de motieven onder druk zet of overschaduwt, kan gedrag optreden dat tegengesteld is aan wat een toezichthouder juist beoogt. Ook behoeven de normatieve en economische motivatie voor het naleven van de afzonderlijke wet- en regelgeving niet aan elkaar gelijk te zijn. In de literatuur is, zo bleek hiervoor, veel te vinden over de invloeden op de fiscale compliance door burgers en bedrijven. Ook is er veel geschreven over privacy en vertrouwelijkheid van gegevens.84 Wetenschappelijk onderzoek naar de vertrouwelijkheid van gegevens bij de Belastingdienst in relatie tot compliance is er bijna er niet. Wel wordt in toenemende mate het effect van ‘naming and shaming’ op de compliance onderzocht.85 Maar die vorm van bekendmaking is een vorm van ‘negatieve deterrence’: een methode van beïnvloeding tot naleving. Ik verwijs naar eerder onderzoek.86
In de Verenigde Staten is een beperkt onderzoek naar deze relatie verricht. Experimenteel onderzoek geeft aanleiding om te suggereren dat bij een beperking op de fiscale vertrouwelijkheid, het niveau van naleving omhoog zou kunnen gaan. Maar die naleving werd wel ingegeven door het publiekelijk verantwoorden van het inkomen met alle mogelijke negatieve gevolgen van dien.87 Die vorm van openbaarmaking (‘publieke bekendmaking’) heeft echter in beginsel een ander karakter dan het delen van gegevens met andere bestuursorganen ten behoeve van hun taakuitoefening.88
Deze vorm van ontheffing van de geheimhouding is te kwalificeren als vorm van deterrence strategy om fiscale nakoming te bewerkstelligen. Dit in onderscheid tot het delen van fiscale gegevens met andere toezichthouders. Dan gaat het met name om een kruislingse relatie tussen fiscale compliance en rijksbrede compliance: de eventuele negatieve gevolgen van de fiscale compliance en mogelijke positieve gevolgen voor andere compliance.
Fiscale transparantie als fiscale compliance: de verantwoordelijkheid van de belastingdienst
De fiscale compliance strekt zich uitdrukkelijk verder uit dan alleen (het afdragen) van ‘belastinggelden’. Het verstrekken van gegevens en inlichtingen is tevens een (bijzondere) vorm van fiscale compliance. Transparantie is noodzakelijk voor het kunnen heffen en innen van de juiste belastingen. Het vormt een onderdeel van het uitvoerende proces van de Belastingdienst (zie par. 3.4). De wijze waarop de Belastingdienst daarmee omgaat staat in relatie tot de compliance en daarmee ook van de taakuitoefening.
Transparantie gaat gepaard met geheimhouding. Niet als geste maar als plicht. Dat laatste behoort namelijk internationaal tot de algemene rechten van de burgers en bedrijven.89 Het is zelfs aan een belastingdienst om die rechten te definiëren en te publiceren.90 Daar mogen burgers en bedrijven op vertrouwen. Privacy en veiligheid (van gegevensbescherming) zijn dan ook beide te rekenen tot de zogenaamde fundamentele beginselen.91 De overheid moet zowel de nationale veiligheid als de persoonlijke privacy beschermen.92 De Belastingdienst heeft dan ook
zorg te dragen voor het nakomen van de rechten en
zelf transparant te zijn over het gebruik van die gegevens.93
Ook bij gebrek aan eigen transparantie kan namelijk eerder wantrouwen ontstaan jegens de Belastingdienst.94 Bij gegevensverstrekking is vertrouwen het sleutelwoord. Dat vertrouwen is afhankelijk van de soort gegevens en de betreffende instelling.95 Het vertrouwen in de Belastingdienst hoeft niet per se overeen te komen met het vertrouwen in een ander bestuursorgaan. Wat iemand aan de Belastingdienst toevertrouwt hoeft niet overeen te komen met wat hij aan een andere toezichthouder wil toevertrouwen.96
Het verstrekken van fiscale gegevens aan andere toezichthouders kan dan ook de nalevingsbereidheid voor de fiscale verplichtingen beïnvloeden. Dit kan onder andere gevolgen hebben voor de fiscale transparantie naar de Belastingdienst en daarmee de uitvoering van de wettelijke taak. Dit is de kern van mijn proefschrift.