Rolnummer: 22-000152-22.
HR, 03-03-2026, nr. 23/04205
ECLI:NL:HR:2026:329
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-03-2026
- Zaaknummer
23/04205
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:329, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑03‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:3021
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1307
ECLI:NL:PHR:2025:1307, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:329
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑07‑2024
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed van cannabis, art. 8.5 WVW 1994. Dubbel verstek. Aanhoudingsverzoek voorafgaand aan tz. in hoger beroep per e-mail door raadsman gedaan op de grond dat verdachte (vermoedelijk) geen weet heeft van zitting en in buitenland verblijft, door hof afgewezen o.g.v. overweging dat onvoldoende duidelijk is of verdachte ttz. aanwezig wil zijn en door raadsman onvoldoende redenen zijn aangedragen om behandeling van zaak aan te houden. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1158 en HR:2019:1142 m.b.t. beoordeling van aanhoudingsverzoek in situatie waarin raadsman voorafgaand aan tz. aangeeft dat hij geen contact kan krijgen met verdachte, dat hij het mogelijk acht dat verdachte geen weet heeft van zitting en om die reden aanhoudingsverzoek doet. Hof heeft verzoek van raadsman tot aanhouding van onderzoek ttz. omdat verdachte mogelijk geen weet heeft van zitting, afgewezen op de grond dat door raadsman onvoldoende redenen zijn aangedragen om behandeling van zaak aan te houden. Nu hof niet heeft vastgesteld dat oproeping in h.b. aan verdachte in persoon is uitgereikt of dat verdachte anderszins op de hoogte is geraakt van datum van zitting, had hof afweging moeten maken tussen alle bij aanhouding van onderzoek ttz. betrokken belangen. Hof heeft er echter niet blijk van gegeven die afweging te hebben gemaakt. Hof heeft daarom afwijzing van aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04205
Datum 3 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 augustus 2023, nummer 22-000152-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder onder meer in:
“De voorzitter doet mededeling van:
- een e-mail d.d. 14 augustus 2023 van de raadsman, waarin hij meldt dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met zijn cliënt, dat hij vermoedt dat zijn cliënt niet op de hoogte is van de zittingsdatum en dat zijn cliënt in Marokko verblijft, zo heeft hij vernomen van een (ver) familielid van de verdachte. De raadsman doet een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak (zo mogelijk voor bepaalde tijd). Ook deelt de raadsman mede dat hij - gelet op het ontbreken van contact met de verdachte en de reistijd tussen Den Haag en [plaats] - niet ter zitting zal verschijnen;
- een e-mail d.d. 14 augustus 2023 van de advocaat-generaal, waaruit blijkt dat zij zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak;
- een e-mail d.d. 14 augustus 2023 van het hof aan de raadsman en de advocaat-generaal, waarin het hof meldt dat de door raadsman genoemde redenen het hof geen aanleiding geven om de zaak op voorhand aan te houden;
- een e-mail d.d. 15 augustus 2023 van [betrokkene 1] waarin zij het hof vraagt de behandeling van de zaak te verzetten omdat haar broer niet in Nederland is en niet op de hoogte is van de zitting;
- een e-mail d.d. 15 augustus 2023 van de advocaat-generaal, waaruit blijkt dat voornoemde mail van [betrokkene 1] haar niet brengt tot een ander standpunt dan reeds ingenomen ten aanzien van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
De voorzitter deelt mede:
Het aanhoudingsverzoek van de verdediging is niet op voorhand door het hof gehonoreerd.
Er wordt door de raadsman geen expliciet beroep gedaan op het aanwezigheidsrecht van zijn cliënt. Onvoldoende duidelijk is of de verdachte vandaag aanwezig wil zijn bij de zitting. De raadsman heeft zijn cliënt niet gesproken en hij heeft enkel van een (ver) familielid vernomen dat zijn cliënt in Marokko verblijft. De dagvaarding is rechtsgeldig betekend. Al met al zijn er door de raadsman onvoldoende redenen aangedragen om de behandeling van de zaak aan te houden. Ook de zus (zo vermoedt het hof) heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, maar zij is geen procespartij. Het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen.
De advocaat-generaal vraagt het hof verstek te verlenen tegen de verdachte.
De voorzitter verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.”
2.3.1
Als de raadsman, zoals in deze zaak, voorafgaand aan de terechtzitting aangeeft dat hij geen contact kan krijgen met de verdachte en dat hij het mogelijk acht dat de verdachte geen weet heeft van de zitting, en om die reden een aanhoudingsverzoek doet met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde machtiging, is voor de beoordeling van zo’n verzoek – naast wat daarover is overwogen in onder meer HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737 – het volgende van belang.
2.3.2
De aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte (mogelijk) geen weet heeft van de zitting, kan zonder meer als “niet aannemelijk” worden beoordeeld als de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting in persoon is betekend. Dan kan de rechter het verzoek al op deze grond afwijzen.
2.3.3
Als de dagvaarding of de oproeping niet in persoon is uitgereikt, maar wel op rechtsgeldige wijze – dat wil zeggen: in overeenstemming met de ter zake geldende wettelijke voorschriften (artikel 36a-36n Sv) alsmede de in de rechtspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking gebrachte regels (vgl. in het bijzonder HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163) – is betekend, kan de rechter dat verzoek niet op die enkele grond afwijzen. Uit zo’n betekening volgt immers niet zonder meer dat de verdachte op de hoogte is van de zitting. In dat geval is een afwijzing van het aanhoudingsverzoek op de grond dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, alleen mogelijk als op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting.
2.3.4
Als niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1158.)
2.3.5
Bij die belangenafweging kan betekenis toekomen aan de omstandigheid dat de dagvaarding of de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep op rechtsgeldige wijze, zij het niet in persoon, is betekend. Zoals tot uitdrukking is gebracht in HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.36-3.37, mag dan immers van de verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman – die uit eigen hoofde een afschrift van de appeldagvaarding ontvangt als hij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Het kennelijk niet treffen door de verdachte van dergelijke in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen kan de rechter in hoger beroep – naast andere factoren die daarvoor van belang kunnen zijn, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak – in de vereiste belangenafweging betrekken. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142.)
2.4
Het hof heeft het verzoek van de raadsman tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting omdat de verdachte mogelijk geen weet heeft van de zitting afgewezen, kort gezegd op de grond dat door de raadsman onvoldoende redenen zijn aangedragen om de behandeling van de zaak aan te houden. Nu het hof niet heeft vastgesteld dat de oproeping in hoger beroep aan de verdachte in persoon is uitgereikt of dat de verdachte anderszins op de hoogte is geraakt van de datum van de zitting, had het hof de onder 2.3.4 en 2.3.5 bedoelde afweging moeten maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het hof heeft er echter niet blijk van gegeven die afweging te hebben gemaakt. Het hof heeft daarom de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2026.
Conclusie 09‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Overtreding art. 8 lid 5 WVW 1994. Middel klaagt over afwijzing aanhoudingsverzoek i.v.m. omstandigheid dat verdachte waarschijnlijk niet op de hoogte is van zittingsdatum omdat hij in Marokko verblijft. Kennelijk oordeel hof dat deze omstandigheid niet aannemelijk is, is onbegrijpelijk nu dagvaarding in hoger beroep niet aan verdachte in persoon is uitgereikt terwijl hof niet heeft vastgesteld dat verdachte anderszins op de hoogte is geraakt van datum zitting. Hof had dus over moeten gaan tot belangenafweging tussen aanwezigheidsrecht en belang van spoedige berechting, hetgeen hof heeft verzuimd. Middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04205
Zitting 9 december 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Den Haag1.heeft bij arrest van 16 augustus 2023 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 25 november 2021 bevestigd, waarbij de verdachte wegens “overtreding van artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een geldboete van € 1200,-, subsidiair 22 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.
1.2
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt over de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, nu het hof niet heeft geoordeeld dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte niet op de terechtzitting kon verschijnen niet aannemelijk is en ook geen blijk heeft gegeven van een belangenafweging tussen het recht van de verdachte om zich in zijn aanwezigheid op de terechtzitting te verdedigen en het belang dat niet alleen de verdachte, maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 augustus 2023 in hoger beroep houdt in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [plaats] ,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] .
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte, mr. [betrokkene 2] , advocaat te [plaats] , is evenmin ter terechtzitting verschenen.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
De voorzitter doet mededeling van:
- een e-mail d.d. 14 oktober 2023 [ik begrijp: 14 augustus 2023, D.P.] van de raadsman, waarin hij meldt dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met zijn cliënt, dat hij vermoedt dat zijn cliënt niet op de hoogte is van de zittingsdatum en dat zijn cliënt in Marokko verblijft, zo heeft hij vernomen van een (ver) familielid van de verdachte. De raadsman doet een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak (zo mogelijk voor bepaalde tijd). Ook deelt de raadsman mede dat hij – gelet op het ontbreken van contact met de verdachte en de reistijd tussen [plaats] en [plaats] – niet ter zitting zal verschijnen.
- een e-mail d.d. 14 augustus 2023 van de advocaat-generaal, waaruit blijkt dat zij zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak;
- een e-mail d.d. 14 augustus 2023 van het hof aan de raadsman en de advocaat-generaal, waarin het hof meldt dat de door raadsman genoemde redenen het hof geen aanleiding geven om de zaak op voorhand aan te houden;
- een e-mail d.d. 15 augustus 2023 van [betrokkene 1] waarin zij het hof vraagt de behandeling van de zaak te verzetten omdat haar broer niet in Nederland is en niet op de hoogte is van de zitting;
- een e-mail d.d. 15 augustus 2023 van de advocaat-generaal, waaruit blijkt dat voornoemde mail van [betrokkene 1] haar niet brengt tot een ander standpunt dan reeds ingenomen ten aanzien van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak;
De voorzitter deelt mede:
Het aanhoudingsverzoek van de verdediging is niet op voorhand door het hof gehonoreerd.
Er wordt door de raadsman geen expliciet beroep gedaan op het aanwezigheidsrecht van zijn cliënt. Onvoldoende duidelijk is of de verdachte vandaag aanwezig wil zijn bij de zitting. De raadsman heeft zijn cliënt niet gesproken en hij heeft enkel van een (ver) familielid vernomen dat zijn cliënt in Marokko verblijft. De dagvaarding is rechtsgeldig betekend. Al met al zijn er door de raadsman onvoldoende redenen aangedragen om de behandeling van de zaak aan te houden. Ook de zus (zo vermoedt het hof) heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, maar zij is geen procespartij. Het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen.”
2.3
Bij de stukken van het geding die aan de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich de e-mail van 14 augustus 2023 van de raadsman van de verdachte aan het hof. De e-mail luidt na aanhef en inleiding als volgt:
“Ik kan helaas geen contact met de cliënt krijgen. Ik denk dat hij niet op de hoogte is van de zittingsdatum nu hij verblijft in Marokko. Dat is mij medegedeeld door een (ver) familielid van cliënt.
Gelet op het ontbreken van contact en mede gezien de reistijd/reisafstand [plaats] - [plaats] VV heb ik het besluit genomen niet ter zitting te gaan verschijnen.
Wel doe ik een klemmend beroep op Uw Hof om de behandeling van de zaak (zo mogelijk voor bepaalde tijd, maximaal twee maanden) aan te houden, omdat ik inschat dat hij door de gevolgen van een eventuele bekrachtiging van het vonnis in eerste aanleg hard getroffen zal worden.”
2.4
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat ook een vóór de terechtzitting, door de raadsman gedaan aanhoudingsverzoek geldt als een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting waarop de strafrechter ter terechtzitting dient te beslissen.2.
2.5
Indien door de verdachte of zijn raadsman een verzoek tot aanhouding wordt gedaan, dient daarbij concreet de omstandigheid te worden aangevoerd die aan het verzoek ten grondslag ligt. Wanneer zo’n omstandigheid niet is aangevoerd, kan de rechter het verzoek om die reden afwijzen.3.
2.6
Specifiek wat betreft de situatie waarin de raadsman aangeeft niet te weten waarom de verdachte niet is verschenen en ook niet weet of zijn cliënt op de hoogte is van de zitting en om die reden een aanhoudingsverzoek doet, is van belang dat in het geval de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting in persoon is betekend de rechter de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte (mogelijk) geen weet heeft van de zitting niet aannemelijk kan achten en daarmee het verzoek kan afwijzen. Als de dagvaarding of oproeping weliswaar niet in persoon is uitgereikt, maar wel op rechtsgeldige wijze is betekend, kan het hof het verzoek niet op die enkele grond afwijzen, omdat daaruit niet zonder meer volgt dat de verdachte op de hoogte is van de terechtzitting. Een afwijzing van het aanhoudingsverzoek vergt dan dat op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting.4.
2.7
Wanneer de rechter niet tot het oordeel komt dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, dient hij een afweging te maken tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6 lid 3 onder c EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van die afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek tot aanhouding blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.5.Bij deze belangenafweging kan betekenis toekomen aan de omstandigheid dat de dagvaarding of oproeping in hoger beroep op rechtsgeldige wijze is betekend. Immers mag van de verdachte “die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman (…) opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Het kennelijk niet treffen door de verdachte van dergelijke in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen kan de rechter in hoger beroep – naast andere factoren die daarvoor van belang kunnen zijn, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak – in de vereiste belangenafweging betrekken”.6.
2.8
In de onderhavige zaak heeft de raadsman van de verdachte aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegd dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met de verdachte, de verdachte waarschijnlijk niet op de hoogte is van de zittingsdatum omdat hij in Marokko verblijft en dat hij inschat dat de verdachte hard zal worden getroffen door de gevolgen van een eventuele bekrachtiging van het vonnis in eerste aanleg.
2.9
Het hof heeft het verzoek afgewezen en in dat verband overwogen dat door de raadsman onvoldoende redenen zijn aangedragen om de behandeling van de zaak aan te houden. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de omstandigheden dat i) de raadsman geen expliciet beroep heeft gedaan op het aanwezigheidsrecht van de verdachte, ii) onvoldoende duidelijk is of de verdachte op de zitting aanwezig wilde zijn, iii) de raadsman enkel van een (ver) familielid heeft vernomen dat de verdachte in Marokko verblijft en iv) de dagvaarding rechtsgeldig is betekend.
2.10
Het hof heeft met zijn oordeel dat door de raadsman onvoldoende redenen zijn aangedragen om de behandeling van de zaak aan te houden kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte niet op de hoogte is van de datum van de terechtzitting, niet aannemelijk is. Dit kennelijke oordeel van het hof is evenwel niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat blijkens de aan de Hoge Raad toegezonden stukken de dagvaarding in hoger beroep niet aan de verdachte in persoon is uitgereikt (waarop de stellers van het middel terecht wijzen in de toelichting op het cassatiemiddel), terwijl het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte anderszins op de hoogte is geraakt van de datum van de zitting. Dit betekent dat het hof had moeten overgaan tot de in randnummer 2.7 van deze conclusie genoemde belangenafweging. Door dit niet te doen, heeft het hof het hiervoor beschreven beoordelingskader wat mij betreft miskend.7.Het middel klaagt terecht over het ontbreken van deze belangenafweging door het hof.
2.11
Het middel slaagt.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Dit tijdsverloop zal na terugwijzing aan de orde kunnen worden gesteld bij een nieuwe behandeling van de zaak.8.Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑12‑2025
Vgl. HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:190, r.o. 2.3-2.4.
HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769, NJ 2020/229 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.4.1.
HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142, NJ 2020/24 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.4.1-2.4.3.
HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.5.
HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142, NJ 2020/24 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.4.4.
Vgl. slagende middelen i.v.m. het verzuim een belangenafweging te maken: HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:79, NJ 2020/83 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.4; HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1570, r.o. 2.4; mijn conclusie van 26 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:649, onder 8 (HR: middel slaagt om gronden vermeld in conclusie).
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.5.3.
Beroepschrift 17‑07‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 23/04205
Betekening aanzegging: 4 juni 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte],
wonende te [woonplaats],
verdachte, advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20230391
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het namens [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag d.d. 16 augustus 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd (verstek)arrest heeft het hof het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 25 november 2021 bevestigd, met aanhaling van art. 63 Sr. In dat (verstek)vonnis heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot het betalen van een geldboete van € 1.200,- subsidiair 22 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder artt. 6 lid 3 EVRM en 14 IVBPR, en wel omdat het hof het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen terwijl het hof niet geoordeeld dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte niet op de terechtzitting kon verschijnen niet aannemelijk is en het hof ook geen blijk heeft gegeven van de belangenafweging tussen het recht van de verdachte om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting te verdedigen — en, kort gezegd-, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
1.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 augustus 2023 houdt het volgende in:
‘De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],
wonende te [postcode] [woonplaats], [adres].
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte, mr. F.A. Dronkers, advocaat te Roermond, is evenmin ter terechtzitting verschenen.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
De voorzitter doet mededeling van:
- —
een e-mail d.d. 14 oktober 2023 van de raadsman, waarin hij meldt dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met zijn cliënt, dat hij vermoedt dat zijn cliënt niet op de hoogte is van de zittingsdatum en dat zijn cliënt in Marokko verblijft, zo heeft hij vernomen van een (ver) familielid van de verdachte. De raadsman doet een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak (zo mogelijk voor bepaalde tijd). Ook deelt de raadsman mede dat hij — gelet op het ontbreken van contact met de verdachte en de reistijd tussen [a-plaats] en [b-plaats] — niet ter zitting zal verschijnen.
- —
een e-mail d.d. 14 augustus 2023 van de advocaat- generaal, waaruit blijkt dat zij zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak;
- —
een e-mail d.d. 14 augustus 2023 van het hof aan de raadsman en de advocaat-generaal, waarin het hof meldt dat de door raadsman genoemde redenen het hof geen aanleiding geven om de zaak op voorhand aan te houden;
- —
een e-mail d.d. 15 augustus 2023 van [betrokkene 1] waarin zij het hof vraagt de behandeling van de zaak te verzetten omdat haar broer niet in Nederland is en niet op de hoogte is van de zitting;
- —
een e-mail d.d. 15 augustus 2023 van de advocaat-generaal, waaruit blijkt dat voornoemde mail van [betrokkene 1] haar niet brengt tot een ander standpunt dan reeds ingenomen ten aanzien van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak;
De voorzitter deelt mede:
Het aanhoudingsverzoek van de verdediging is niet op voorhand door het hof gehonoreerd.
Er wordt door de raadsman geen expliciet beroep gedaan op het aanwezigheidsrecht van zijn cliënt. Onvoldoende duidelijk is of de verdachte vandaag aanwezig wil zijn bij de zitting. De raadsman heeft zijn cliënt niet gesproken en hij heeft enkel van een (ver) familielid vernomen dat zijn cliënt in Marokko verblijft. De dagvaarding is rechtsgeldig betekend. Al met al zijn er door de raadsman onvoldoende redenen aangedragen om de behandeling van de zaak aan te houden. Ook de zus (zo vermoedt het hof) heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, maar zij is geen procespartij. Het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen.
De advocaat-generaal vraagt het hof verstek te verlenen tegen de verdachte.
De voorzitter verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.’
1.2
Vervolgens heeft het hof het vonnis bevestigd.
1.3
De inhoud van de e-mailtjes van de raadsman en van het familielid van de verdachte kunnen bezwaarlijk anders worden verstaan dan een verzoek om aanhouding omdat de verdachte zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak in persoon aanwezig te kunnen zijn, wil uitoefenen. Dat een familielid van verdachte geen procespartij is doet overigens niet af aan de omstandigheid dat hieruit wel kan volgen dat verdachte geen weet heeft van de zitting en de zitting wenst aan te laten houden teneinde nadien in zijn aanwezigheid te worden berecht net zoals dit het geval is bij een niet gemachtigd raadsman.
1.4
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan op de terechtzitting worden gedaan door de betrokkene of zijn raadsman die daartoe door de betrokkene op grond van artikel 279 Sv is gemachtigd. Overeenkomstig de artikelen 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord. De betrokkene of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt. Indien zo'n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen. In de regel mag van de betrokkene of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan. Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden — in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de betrokkene — of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient echter dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd — ware het juist — in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt. Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds — dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan — afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Voor de beoordeling door de rechter van een aanhoudingsverzoek in het geval waarin de raadsman op de terechtzitting aangeeft dat hij niet weet waarom de verdachte niet is verschenen en dat hij het mogelijk acht dat de verdachte geen weet heeft van de zitting, en om die reden een aanhoudingsverzoek doet, is nog het volgende van belang. De aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde omstandigheid dat de verdachte (mogelijk) geen weet heeft van de zitting, kan zonder meer als ‘niet aannemelijk’ worden beoordeeld indien de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting in persoon is betekend. Dan kan de rechter het verzoek reeds op deze grond afwijzen. Indien de dagvaarding of de oproeping weliswaar niet in persoon is uitgereikt, maar wel op rechtsgeldige wijze is betekend, kan de rechter dat verzoek niet op die enkele grond afwijzen. Uit zo'n betekening volgt immers niet zonder meer dat de verdachte op de hoogte is van de zitting. In dat geval is een afwijzing van het verzoek tot aanhouding op de grond dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, alleen mogelijk indien op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet heeft van de zitting. Wanneer zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de betrokkene bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht — waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen — en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de betrokkene maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.1.
1.5
Uit het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden afgeleid dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof heeft niet gesteld dat de aangevoerde omstandigheid — te weten zijn verblijf in het buitenland — niet aannemelijk is. Reeds daarom diende het hof naar aanleiding van het verzoek een belangenafweging te maken tussen kort gezegd zijn belang om in persoon bij zijn berechting aanwezig te kunnen zijn en het belang dat de samenleving heeft bij een spoedige en effectieve berechting.2. Ten overvloede: het hof heeft weliswaar vastgesteld dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend, maar blijkt — zo blijkt uit de stukken in het dossier — niet dat dit in persoon is geweest, zodat niet vast staat of de verdachte daadwerkelijk weet heeft gehad van de zitting.
1.6
Het bestreden arrest kan niet in stand blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 17 juli 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑07‑2024
Vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737; HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1158 alsmede HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:353.
Zie ook HR 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1005.