Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/6.8
6.8 Samenvatting
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS356217:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 25 mei 1998, houdende nieuwe regelen ter bescherming van natuur en landschap (Natuurbeschermingswet 1998), Stb. 1998, 403. Deze wet is gefaseerd in werking getreden, de eerste artikelen per 1 oktober 2005 (Stb. 2005, 473).
Wet van 25 mei 1998, houdende regels ter bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten (Flora- en faunawet), Stb. 1998, 402. Deze wet is gefaseerd in werking getreden, de eerste artikelen op 2 juli 1999 (Stb. 1999, 264).
Wet van 20 juli 1961, houdende nieuwe bepalingen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden (Stb. 1961, 256). Deze wet is in werking getreden op 1 juli 1962 (Stb. 1962, 193).
www.internetconsultatie.nl/wetnatuur.
Par. 2.5.3.
Par. 2.4.5.
Zie par. 3.8.
Op 6 oktober 2011 is een ontwerp gepubliceerd van een wetsvoorstel Regels over de bescherming van de natuur (Wet natuur) waarin de Natuurbeschermingswet 1998,1 de Flora- en faunawet2 en de Boswet3 zijn opgenomen.4 Dit ontwerp Wet natuurbescherming betreft een voornemen tot modificerende5 bundeling door herschikking.6 In hoofdstuk 6 is aan de hand van de in paragraaf 3.8 genoemde vijf toetsvragen onderzocht hoe deze bundeling zich verhoudt tot de in hoofdstuk 3 opgenomen criteria.
Het antwoord op de eerste toetsvraag7 is positief. Op dit moment is binnen het omgevingsrecht sprake van een wetssystematisch tekort omdat niet alle regels die volgens het op de echte werkelijkheid gebaseerde zakelijk samenhangcriterium natuur onderling samenhangen, deel uitmaken van hetzelfde wetssysteem.
Het antwoord op de tweede toetsvraag is overwegend negatief. De herschikking van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in het ontwerp Wet natuurbescherming heeft het in paragraaf 6.3 beschreven wetssystematisch tekort opgeheven. Dit is gerealiseerd door alle bepalingen in de drie genoemde wetten die niet behoefden te vervallen op te nemen in het ontwerp en de drie wetten in te trekken. Daaraan doet echter niet af dat mogelijke andere bestaande wetssystematische tekorten onveranderd zullen blijven. De regering geeft echter geen afdoende motivering die deze wetssystematische tekorten zouden kunnen verdedigen.
Het antwoord op de derde toetsvraag is overwegend negatief. In het ontwerp Wnb is gebruik gemaakt van typisch juridische ordeningscriteria als typisch juridische begrippen, gelede normstelling en verwijzing naar Europese richtlijnen en verordeningen. Dat zal leiden tot het scheppen of laten voortduren van wetssystematische tekorten. De gesignaleerde tekorten zijn in een aantal gevallen niet verdedigbaar en nopen tot nader onderzoek. Een aantal tekorten lijkt de wetgever op eenvoudige wijze te kunnen oplossen.
De vierde toetsvraag is negatief beantwoord. Het overnemen van de bepalingen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in het ontwerp en het vervallen van die drie wetten zelf zal niet leiden tot wetssystematische tekorten als gevolg van de bundeling door herschikking.
Toetsvraag vijf is positief beantwoord, aangezien het ontwerp niet pretendeert het omgevingsrecht ten aanzien van natuur voor eens en altijd vast te leggen, maar juist is gericht op permanente verandering, waarbij reeds rekening is gehouden met de komst van een Omgevingswet. De toekomstbestendigheid wordt nog vergroot door het gebruik van toekomstbestendige zakelijke en typisch juridische systeemordeningscriteria, mits de wetgever bij toekomstige wijzigingen aansluit bij die criteria.
Het feit dat de toetsvragen 1 en 5 positief zijn beantwoord, toetsvraag 4 negatief en de toetsvragen 2 en 3 overwegend negatief betekent dat de herschikking van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in het ontwerp Natuurbeschermingswet weliswaar een belangrijke bijdrage zal leveren aan het verminderen van thans bestaande wetssystematische tekorten in het omgevingsrecht, doch dat het overwegend negatieve antwoord op de toetsvragen 2 en 3 in mijn toetsingskader moet leiden tot de conclusie dat de herschikking niet volledig verantwoord kan worden genoemd. Verbeteringen zijn mogelijk, waarvoor in hoofdstuk 6 een aantal suggesties is gedaan. Als de wetgever erin zou slagen zodanige wetssystematische verbeteringen aan te brengen in het ontwerp dat het antwoord op de tweede en derde toetsvraag positief zou kunnen luiden, zou het algehele oordeel in het voordeel van het ontwerp kunnen omslaan.