Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/V.2.3:V.2.3. Conclusie: het sterven van een stille dood
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/V.2.3
V.2.3. Conclusie: het sterven van een stille dood
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS579113:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het gegeven dat sprake was van een hybride figuur, heeft de oude regeling van afdeling 3 van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek geen goed gedaan. De problemen die hieruit volgden, zoals het vraagstuk betreffende de inkorting, de binding tijdens leven én het feit dat de regeling slechts beperkte mogelijkheden kende (geen ouderlijke boedelverdeling), hebben de contractuele erfrechtelijke figuur de das omgedaan. Het praktisch belang, te weten het aanbrengen van nuanceringen op de onbeperkte herroepelijkheid van uiterste wilsbeschikkingen, is er mijns inziens wel. Ik durf dan ook mede gelet op de uitkomsten van het veldonderzoek (tabel 8) de stelling aan dat het feit dat van het instituut nauwelijks gebruik werd gemaakt, te wijten is aan de omstandigheid dat het notariaat – gelet op de hybride aard van de regeling – er niet goed mee uit de voeten kon en het instituut, voor zover al bekend, niet aanprees bij de cliënt.
De wetgever ziet, naar mijn mening terecht, veel heil in de schenking ter zake des doods. De contractuele erfstellingen en legaten hadden tijdens het wetgevingsproces aan deze in de steigers gezette figuur een te zware concurrent.
Men moet echter niet uit het oog verliezen dat de schenking terzake des doods minder te bieden heeft dan het ‘zuivere’ contractuele erfrecht. Denk hierbij maar aan de quasi-contractuele erfstelling die afstuit op het verbod van art. 4:4 lid 2 BW, hetgeen eveneens geldt voor het met de schenking ter zake des doods nagebootste universele keuzelegaat.