De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.7.3.2:8.7.3.2 Het regelen van de gevolgen van voorzieningen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.7.3.2
8.7.3.2 Het regelen van de gevolgen van voorzieningen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366049:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:357 lid 3 BW.
Zie par. 14.3 over de rechtsgevolgen van het vernietigen van besluiten.
Zie par. 8.5.6.
Hof Amsterdam (OK) 6 juli 2006, ARO 2006/137 (TCA). In het tegen deze beschikking aangetekende cassatieberoep ging het louter om de vraag of sprake was van wanbeleid. Zie HR 9 juli 2002, ARO 2007, 81.
Namelijk art. 2:357 lid 3 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Over de bevoegdheid van de ondernemingskamer om de gevolgen van eind-voorzieningen te regelen, is in par. 8.5 reeds het nodige opgemerkt. Daar kwam onder meer ter sprake dat bij het regelen van de gevolgen van eindvoorzieningen geen afbreuk mag worden gedaan aan de limitatieve lijst van art. 2:356 BW. Dat vloeit ook voort uit het feit dat de gevolgen die de ondernemingskamer op de voet van art. 2:357 lid 2 BW kan regelen altijd betrekking hebben op een rechtsrelatie die eerst door toepassing van art. 2:356 BW is gewijzigd. Wat betreft de vraag voor welke partijen het regelen van de gevolgen van eind-voorzieningen gevolgen kan hebben, dient er derhalve eerst gekeken te worden naar voor welke partijen deze desbetreffende eindvoorziening rechtsgevolgen heeft. Enkel ten opzichte van hen kunnen gevolgen geregeld worden.
Indien bijvoorbeeld een commissaris wordt ontslagen, heeft dat rechtsgevolgen in de relatie tussen de rechtspersoon en de commissaris, alsmede in relatie tot het orgaan dat de commissarissen benoemt en tot de rechtspersoon.1 Er zijn dan geen rechtsgevolgen vis-à-vis een bestuurder die te regelen zijn. Noch zijn er dan rechtsgevolgen vis-à-vis partijen die niet bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken. Het ontbreken van rechtsgevolgen jegens partijen die niet bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken zijn, zal zich bij alle eindvoorzieningen voordoen, behalve bij in voorkomende gevallen de vernietiging van besluiten met (indirect) externe werking.2
Art. 2:357 lid 3 BW verbiedt het ongedaan maken van de ondernemingskamer getroffen voorzieningen. De ondernemingskamer kan dat verbod nader regelen c.q. expliciteren door middel van het regelen van de gevolgen van eind-voorzieningen.3 In de TCA-beschikking4 vernietigde de ondernemingskamer een drietal besluiten tot het aangaan van managementovereenkomsten.
De vennootschap werd in aanvulling daarop verboden om deze management-overeenkomsten uit te voeren.
Het is de vraag in hoeverre een dergelijk verbod kan worden uitgebreid tot anderen dan de vennootschap. Daarbij staat mijns inziens voorop dat het om een uitwerking gaat van een bepaling die zich specifiek tot de vennootschap richt.5 Dat impliceert mijns inziens dat een dergelijk verbod zich kan uitstrekken tot leden van een orgaan van de vennootschap mits het verbod wordt beperkt tot handelingen die aan de vennootschap kunnen worden toegerekend. De ontslagen bestuurders, van wie het handelen niet meer aan de vennootschap kan worden toegerekend, kan derhalve niet worden verboden om nakoming van de managementovereenkomst te vorderen. Een dergelijk verbod zou voorts op gespannen voet staan met art. 17 Grondwet, waarin is vastgelegd dat niemand tegen zijn wil wordt afgehouden van de rechter die de wet hem toekent (in dit geval de gewone civiele rechter).
In de TCA-beschikking richtte het verbod om de overeenkomst na te komen zich specifiek tot de vennootschap. In hoeverre de contractuele wederpartij daarvan gevolgen ondervindt, hangt af van de omstandigheden. Verwezen zij naar par. 11.3.
In de gevallen waarin combinatie van de vernietiging van een besluit en een verbod om een overeenkomst na te komen geen afbreuk doet aan de rechten van de contractuele wederpartij uit hoofde van de overeenkomst, hebben de desbetreffende maatregelen geen rechtsgevolgen voor deze contractuele wederpartij. Feitelijk hebben dergelijke maatregelen wel het te verwachten gevolg dat de contractuele wederpartij zich met een wanpresterende contractspartij geconfronteerd ziet.
Het bovenstaande suggereert wellicht dat de ondernemingskamer ruim baan heeft bij het verbieden van het nakomen van overeenkomsten. Dat is echter niet het geval. Proportionaliteitsoverwegingen staan daaraan veelal in de weg. Verwezen zij naar hoofdstuk 11.