Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.1.13
2.1.13 Rechtsgevolgen schijnbestanddelen
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644970:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
BGH 5 mei 2005 – V ZR 139/05, Rn 7. Alleen zaken die in de uitoefening van Erbbaurechts (dat is een zakelijk recht vergelijkbaar met ons opstalrecht) met de grond zijn verbonden worden gezien als onroerende zaken. §12 ErbauRG bepaalt dat deze zaken bestanddelen zijn van het zakelijke recht en daarom onroerend zijn.
BGHZ 21 december 1956 – V ZR 245/55 Rn 25.
Staudinger/Stieper (2021) BGB §95 Rn 29.
Behoudens de uitzonderingen die zijn genoemd in §935 lid 1 BGB: “Der Erwerb des Eigentums auf Grund der §§932 bis 934 tritt nicht ein, wenn die Sache dem Eigentümer gestohlen worden, verloren gegangen oder sonst abhanden gekommen war. Das Gleiche gilt, falls der Eigentümer nur mittelbarer Besitzer war, dann, wenn die Sache dem Besitzer abhanden gekommen war.”
Schijnbestanddelen zijn zelfstandige zaken en worden beschouwd als roerende zaken.1 Voor eigendomsoverdracht van de schijnbestanddelen gelden derhalve de vereisten die gelden voor de eigendomsoverdracht van roerende zaken, zoals is bepaald in §§929 BGB.2 Dit geldt zelfs voor de schijnbestanddelen die per abuis in het Grundbuch zijn ingeschreven als bestanddelen.3 Voor een buitenstaander is het niet altijd duidelijk of een bepaalde zaak een schijnbestanddeel is. Dat kan helemaal het geval zijn, als een bij de overdracht van de zaak wezenlijk bestanddeel in een schijnbestanddeel verandert, zoals hierboven besproken. Door zo’n omzetting is een wezenlijk bestanddeel een zelfstandige zaak geworden. Deze verandering is slechts bekend bij partijen en niet bij derden, aangezien hieraan geen “publiciteit” is gegeven. Deze onbekendheid bij buitenstaanders wordt door §95 BGB op de koop toegenomen, aldus het BGH. Op het verweer dat bij de overdracht van een waterbedrijf voor buitenstaanders niet duidelijk was dat de waterleidingen in de grond waren getransformeerd van wezenlijke bestanddelen naar schijnbestanddelen, antwoordde het als volgt:
“Die Anerkennung der Sonderrechtsfähigkeit ist auch nicht mit dem sachenrechtlichen Publizitätsprinzip unvereinbar. Der Umstand, dass es sich um bloße Scheinbestandteile handelt, ist aus einer Besichtigung des Grundstücks nicht erkennbar. Die Einschränkung der Publizität wird in den von §95 Abs. 1 BGB erfassten Fällen im Interesse der Verfügbarkeit über diese Sachen bewusst in Kauf genommen.”4
Een buitenstaander die niet wist dat een bepaalde zaak een schijnbestanddeel was, kan een beroep doen op §932 BGB. Deze paragraaf beschermt een verkrijger tegen de beschikkingsonbevoegdheid van een vervreemder van een roerende zaak. Schijnbestanddelen zijn, zoals gezegd, roerende zaken. Als een koper te goeder trouw is en de zaak is in zijn bezit gekomen, dan verkrijgt hij de eigendom van de schijnbestanddelen.5 Is een schijnbestanddeel overgedragen aan iemand, die geen juridische band heeft met de eigenaar van de grond, dan kan de grondeigenaar verwijdering van het schijnbestanddeel vorderen. Indien een pachter een door hem neergezet gebouw verkoopt aan een ander, dan kan de grondeigenaar verwijdering van het gebouw eisen. De eigenaar heeft geen pachtcontract met de koper gesloten, waardoor hij in zijn eigendomsrecht wordt gestoord.6
Tussenconclusie
De gedachte achter §93 BGB is helder. Het stelt het behoud van de economische waarde voorop, door de zaakseenheid te beschermen. Deze bescherming uit zich in het niet toelaten van zakelijke rechten op afzonderlijke delen van een zaak. Wordt deze eenheid ten koste van alles beschermd? Nee. Als een zaak mede bestaat uit bestanddelen die niet wezenlijk zijn voor haar voortbestaan, dan zijn afzonderlijke zakelijke rechten daarop wel mogelijk. Mogelijk, maar niet noodzakelijk. Zo rust geen afzonderlijk eigendomsrecht op een onwezenlijk bestanddeel als deze vóór de verbinding in eigendom toebehoorde aan de eigenaar van de hoofdzaak. Dit is alleen anders als dat bestanddeel vóór de verbinding bezwaard is met een beperkt recht. In dat geval blijft het beperkte recht (en daarmee het oorspronkelijke eigendomsrecht) bestaan. Behoort het onwezenlijke bestanddeel vóór de verbinding toe aan een ander dan aan de eigenaar van de hoofdzaak, dan heeft de verbinding geen zakenrechtelijke gevolgen.
Achter deze nuance in het Duitse recht schuilt een continuïteitsgedachte: een zakelijk recht gaat niet eenvoudig teniet. Alleen als een zaak na de verbinding met een andere zaak daarvan een wezenlijk bestanddeel wordt, houdt het zakelijke recht op te bestaan. Wanneer is een bestanddeel wezenlijk? Als het niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging ontstaat of zonder dat een “wezensverandering” optreedt. De zakelijke rechten van vóór de verbinding blijven in dat geval ongeacht de verbinding bestaan. Door de technologische ontwikkelingen van de afgelopen tijd is het eenvoudiger geworden om af te scheiden zonder beschadiging. Daarnaast zijn onderdelen, mede door de massaproductie, gemakkelijker te vervangen én her te gebruiken, waardoor minder snel sprake is van een “wezensverandering”. Deze ontwikkelingen brengen mee dat, geheel in overeenstemming met de continuïteitsgedachte, men niet snel na de verbinding een wezenlijk bestanddeel zal aannemen. Een uitzondering hierop geldt voor gebouwen. In §94 lid 2 BGB is een speciale regel opgenomen die bepaalt dat ook onderdelen die een zaak “vervolmaken” wezenlijke bestanddelen zijn. De vraag of hiervan sprake is, wordt aan de hand van de verkeersopvatting beantwoord. De invulling van deze verkeersopvatting is door de (maatschappelijke) ontwikkelingen aan verandering onderhevig. Mede door de technische ontwikkelingen en de wensen uit het handelsverkeer, zoals bijvoorbeeld de opkomst van het leasen van zaken, is het voorstelbaar dat onderdelen van gebouwen niet snel als wezenlijke bestanddelen worden beschouwd. Deze ontwikkeling zou in het systeem van het BGB passen, dat immers zakelijke rechten in beginsel laat continueren.
Deze continuïteitsgedachte is expliciet terug te zien in §95 BGB. Die paragraaf bepaalt dat de verbinding geen zakenrechtelijke gevolgen met zich brengt als zij een tijdelijke is of in het kader van de uitoefening van een recht is geschied. Zaken die op basis van §93 en §94 BGB wezenlijke bestanddelen zouden zijn, blijven door §95 BGB zelfstandig. Deze paragraaf beperkt zo de reikwijdte van §93 en §94 BGB en waarborgt daarmee eveneens de continuïteit van zakelijke rechten.
Staat de continuïteitsgedachte op gespannen voet met een ander uitgangspunt in het zakenrecht: de rechtszekerheid van derden? Niet direct. Zakelijke rechten rusten in beginsel op de gehele eenheidszaak, dus ook op de niet wezenlijke bestanddelen. Deze bestanddelen worden bij een vestiging van een beperkt recht tezamen met de hoofdzaak bezwaard en ze worden bij een eventuele overdracht mee overgedragen. Behoren de onwezenlijke bestanddelen niet toe aan de vervreemder, dan verkrijgt de verkrijger toch de gehele zaak, dus inclusief de onwezenlijke bestanddelen, mits hij te goeder trouw is (§932 BGB). Ditzelfde geldt ook voor de schijnbestanddelen.