Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.2.1:20.2.1 Onderwerpen waarbij het begrip van godsdienst (in toenemende mate) met het accommodationistische ideaaltype kan worden geassocieerd
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.2.1
20.2.1 Onderwerpen waarbij het begrip van godsdienst (in toenemende mate) met het accommodationistische ideaaltype kan worden geassocieerd
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455215:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
(1) Het juridische begrip van godsdienst dat ten grondslag ligt aan de regelgeving en jurisprudentie omtrent de eed in gerechtelijke procedures kan geassocieerd worden met het accommodationisme. De subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst die naar aanleiding van dit onderwerp wordt gehanteerd vloeit voort uit de wens om de opvattingen van de aanhangers van verschillende religies en levensbeschouwingen te accommoderen. Ten aanzien van de wetgeving en jurisprudentie over het afleggen van de eed of belofte zien we dat de ontwikkeling van een objectiverende naar een subjectiverende uitleg begint in de jaren ’70 van de vorige eeuw. Deze ontwikkeling is te duiden als een overgang van het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme naar een meer accommodationistisch ideaaltype. De uitleg van het begrip godsdienst in het kader van de eedsaflegging beperkt zich niet meer tot de eden van de erkende kerkgenootschappen; het is de justitiabele die uitmaakt of hij de eed of belofte aflegt en in welke vorm. Overigens geldt voor de gebieden in het recht (beëdiging van leden van provinciale staten en tal van andere ambtsdragers) waar men vasthoudt aan een objectiverende uitleg van het begrip godsdienst doordat men een vaste, vanouds christelijke, vorm van de eedsaflegging hanteert, dat dit juist getuigt van het ideaaltype van liberaal gezindteliberalisme. Men geeft het gelovige rechtssubject slechts de mogelijkheid om de eed in één, vanouds christelijke, vorm af te leggen. Als het rechtssubject daartoe niet wil overgaan, rest slechts de mogelijkheid om een verklaring of belofte af te leggen. Wanneer men zich dan op het standpunt stelt dat de voorgeschreven vorm van de eed een neutraal karakter draagt en daardoor geschikt is voor aanhangers van alle godsdiensten, getuigt dit van het ideaaltype liberaal gezindtepluralisme.
(2) Ook de subjectiverende wijze waarop de wettelijke term kerkgenootschap wordt uitgelegd kan worden begrepen in het licht van het accommodationistisch ideaaltype. De ruime definitie van de term kerkgenootschap is in het verleden vooral gemotiveerd vanuit de gedachte dat men hiermee theologische geschillen tussen de in het land gevestigde (protestantse en katholieke) denominaties kon vermijden. Dit getuigt van het ideaaltype van liberaal gezindtepluralisme. Men ging uit van de bekende religieuze tradities. Naarmate de samenleving qua religiositeit meer multicultureel van aard werd, werd de noodzaak om een open definitie van het begrip kerkgenootschap te hanteren groter. In principe kunnen alle godsdiensten een kerkgenootschap vormen, ook die waarbij het begrip kerk wezensvreemd is. Deze benadering is accommodationistisch van aard. Zij houdt principieel de deur open voor een pluraliteit aan godsdiensten. Deze benadering komt nog eens extra naar voren ten aanzien van de ontwikkeling van de eis dat een kerkgenootschap moet doen aan godsverering (religiositeitseis). In wetgeving en literatuur legt men deze eis steeds losser uit en stelt men dat het voldoende is wanneer de gemeenschap een religieus karakter heeft. Met deze uitleg schept men (juridische) ruimte voor religies, religieuze en levensbeschouwelijke bewegingen waarbij de godsverering niet of minder prominent aan de orde is.
(3) Verder geldt dat de wetgever met de discriminatiedelicten (artikel 137c Sr) een ruim begrip van ‘godsdienst en levensovertuiging’ op het oog had. Dit is misschien niet bijzonder aangezien deze strafbepalingen enkel dienen om groepen te beschermen tegen belediging, discriminatie en haat. Anders gezegd: op grond van deze bepalingen wordt enkel voorzien in de minimale behoefte van bescherming van deze groepen. Om die reden zal de wetgever weinig problemen hebben met het accommoderen van de bescherming van een grote diversiteit in godsdiensten en levensovertuigingen. We kunnen op grond van de wetsgeschiedenis stellen dat de wetgever van 1934 een christelijk en ethisch motief had met deze bepaling. Vanuit het idee van naastenliefde wilde hij zoveel mogelijk groepen, zonder onderscheid, in de samenleving beschermen. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 1972 blijkt niet dat de wetgever ten aanzien van het kenmerk ‘godsdienst en levensovertuiging’ een andere benadering heeft willen volgen dan de wetgever van 1934. We kunnen daarom aannemen dat de wetgever in beginsel beoogd heeft alle godsdienstige en levensbeschouwelijke groeperingen te beschermen. Hoewel het gedachtegoed van het accommodationisme in 1934 en 1972 nog niet echt tot ontwikkeling was gekomen, past de intentie van de wetgever wel bij een accommodationistische benadering. De eis die zowel in wetgeving als jurisprudentie wordt gesteld dat een godsdienst of levensbeschouwing een fundamenteel karakter moet hebben kan men zien als aspect dat meer past bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme.