Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS489874:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
OK 17 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. Blanco Fernández en ARO 2007/21 (Stork).
Hof Amsterdam (OK) 3 mei 2007, JOR 2007/143 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Ma. en JOR 2007/178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO). Zie overigens ook reeds HR 21 februari 2003, NJ 2003, 182 m.nt. Ma en JOR 2003/57 m.nt. Nieuwe Weme (HGB).
HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde en JOR 2010/228 m.nt. Van Ginneken (ASMI). Ik verwijs in het bijzonder naar overweging 4.5.1 e.v.
OK5 augustus 2009, JOR 2009/254 m.nt. Hermans (ASMI).
De Hoge Raad heeft hier het oog op overweging 3.11 in de beschikking van de Ondernemingskamer. Daarin overweegt deze (kort gezegd) dat een beeld naar voren komt van een vennootschap die haar problemen op het strategische vlak naar voren schuift, althans deze poogt af te wikkelen binnen de besloten kring van eigen functionarissen en de grootaandeelhouder. Dit leidt er toe dat externe aandeelhouders (a) nauwelijks invloed kunnen uitoefenen op het beleid van ASMI en (b) haar organen niet effectief ter verantwoording kunnen roepen. De raad van commissarissen zou het de algemene vergadering van aandeelhouders onmogelijk hebben gemaakt haar bevoegdheden terzake de strategie en het beleid van ASMI uit te oefenen
In par. 5.2.1.5 zal ik nader ingaan op de vraag hoe het instructierecht van de algemene vergadering zich verhoudt tot het adviesrecht van de ondernemingsraad.
Hoe zich, in grote lijnen, de bevoegdheden van het bestuur, de raad van commissarissen en de algemene vergadering van aandeelhouders ten opzichte van elkaar verhouden als het gaat om het beleid, wordt verwoord door de Ondernemingskamer in de zaken Stork1 en ABN AMRO2: het bepalen van de strategie van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming is in beginsel een aangelegenheid van het bestuur van de vennootschap, de raad van commissarissen houdt daarop toezicht, en de algemene vergadering van aandeelhouders kan haar opvattingen dienaangaande tot uitdrukking brengen door uitoefening van haar in de wet en statuten toegekende rechten. In cassatie in de ABN AMRO-zaak overwoog de Hoge Raad dat de Ondernemingskamer daarmee een juist uitgangspunt aan zijn oordeel ten gronde had gelegd.3 In de reeds genoemde ASMI-beschikking benadrukt de Hoge Raad nog eens de autonome positie van het bestuur.4 De Hoge Raad de vernietigde de (eind) beschikking van de Ondernemingskamer,5 nu die met zijn oordeel dat het bestuur externe aandeelhouders had moeten betrekken bij strategische problemen, miskend had dat het bepalen van de strategie in beginsel een aangelegenheid van het bestuur is, onder toezicht van de raad van commissarissen.6
Uit medezeggenschapsperspectief zijn in concernverband twee vragen betreffende de autonomie van het bestuur het bespreken waard. De eerste is of en in hoeverre de algemene vergadering van aandeelhouders de beleidsvrijheid van het bestuur kan beperken of kan doorbreken met het geven van instructies. Dat zou namelijk van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag wat in termen van art. 25 lid 1 WOR het (voorgenomen) besluit van de ondernemer is.7 De tweede vraag is in hoeverre besluiten van het bestuur aan goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders onderworpen (kunnen) zijn. Die goedkeuring komt later specifiek aan de orde in par. 5.6 als het gaat om het moment waarop het bestuur de ondernemingsraad in de gelegenheid dient te stellen een advies uit te brengen met betrekking tot (bestuurs)besluiten in de zin van art. 25 WOR.