type: 128coll: 2294/2504
Rb. Rotterdam, 21-02-2018, nr. C/10/447660 / HA ZA 14-345
ECLI:NL:RBROT:2018:1037
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
21-02-2018
- Zaaknummer
C/10/447660 / HA ZA 14-345
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2018:1037, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 21‑02‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBROT:2015:6050, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 26‑08‑2015; (Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak)
- Vindplaatsen
GZR-Updates.nl 2015-0404
Uitspraak 21‑02‑2018
Inhoudsindicatie
Door Videma in 2013 en 2014 gehanteerde tarieven voor vertoning en doorgifte van Nederlandse tv-programma’s in ziekenhuizen zijn niet billijk in de zin van artikel 22 Wet toezicht cbo’s (oud); Videma maakt misbruik van machtspositie in de zin van artikel 24 Mededingswet (Mw) door het hanteren van een excessief all-in tarief in 2013 en 2014; wettelijk verplicht deskundigenrapport van de Geschillencommissie Auteursrechten.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/447660 / HA ZA 14-345
Vonnis van 21 februari 2018
in de zaak van
1. de vereniging
NVZ VERENIGING VAN ZIEKENHUIZEN,
gevestigd te Utrecht,
2. de stichting
INTERCONFESSIONELE ST GEZONDHEIDSZORG RIVIERENLAND,
gevestigd te Tiel,
3. de stichting
STICHTING ZORGSAAM ZEEUWS-VLAANDEREN,
gevestigd te Terneuzen,
eiseressen,
advocaat mr. K.J. Koelman te Amsterdam,
tegen
de stichting
STICHTING VIDEMA,
gevestigd te Noordeloos,
gedaagde,
advocaat mr. R.S. Le Poole te Haarlem.
Partijen zullen hierna NVZ c.s. en Videma genoemd worden. De producties van partijen zullen hierna worden aangeduid met hun volgnummer voorafgegaan door de letters NVZ voor de producties van NVZ c.s. en de letter V voor de producties van Videma.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 17 februari 2016
- -
het deskundigenbericht van 30 december 2016
- -
de conclusie na deskundigenbericht, alsmede wijziging van eis van NVZ c.s.
- -
de antwoordconclusie na deskundigenbericht van Videma met producties 50-59
- -
de akte uitlating producties van NVZ c.s.
- -
de akte vermeerdering van eis van NVZ c.s.
- -
de akte wijziging eis van NVZ c.s. van 25 oktober 2017
- -
het B8-formulier van Videma van 27 oktober 2017 met akte producties 60-66
- -
het B3-formulier van NVZ c.s. van 30 oktober 2017 met akte indienen producties 74-84
- -
de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
NVZ c.s. heeft haar eis onder 1, 2 en 12 gewijzigd en vordert thans -samengevat-:
onder 1:
I. een verklaring voor recht dat de hoogte en de toepassing van de door Videma voor 2013 en 2014 voor de NVZ-leden vastgestelde tarieven, en de hoogte en toepassing van de op basis daarvan aan die leden in rekening gebrachte vergoedingen over 2013 en 2014, voor: a) doorgifte van tv, b) vertoning van tv en c) vertoning en doorgifte van tv (all-in tarief) niet billijk zijn in de zin van de artikelen 22 en 25 Wet toezicht cbo’s (oud) en de artikelen 2L lid 2, 23 lid 2 en 25 Wet toezicht cbo’s (nieuw), en
II. een verklaring voor recht dat Videma onrechtmatig handelde jegens de NVZ-leden door een of meer van de bovengenoemde voor wat betreft hoogte en toepassing niet-billijke tarieven en vergoedingen in de zin van artikel 22 Wet toezicht (oud) en artikel 23 lid 2 Wet toezicht (nieuw), in 2013 en 2014 voor hen vast te stellen en in rekening te brengen;
onder 2:
een verklaring voor recht dat de tarieven voor 2013 en 2014 die Videma de NVZ-leden eenzijdig oplegde voor: a) doorgifte van tv, b) vertoning van tv en c) vertoning en doorgifte van tv (all-in tarief) onbillijk en excessief zijn, en aanzienlijk hoger zijn dan relevante referentietarieven in binnen- en buitenland, en dat Videma derhalve misbruik maakte van een machtspositie en daarom onrechtmatig handelde jegens de ziekenhuisbranche, en de NVZ-leden;
onder 12:
Indien en voor zover het onder 1. I en II. gevorderde en het onder 2. gevorderde niet worden gehonoreerd, een verklaring voor recht dat de NVZ-leden, althans eiseressen 2 en 3, voor rechtmatige, gelijktijdige, volledige en onveranderde doorgifte van werken en nabuurrechtelijk beschermde prestaties in programma’s die door op Nederland gerichte omroepen worden aangeboden, geen toestemming nodig hebben en hadden in 2013 en 2014, van de rechthebbenden op de werken en de nabuurrechtelijk beschermde prestaties, omdat er geen sprake is van een ‘mededeling aan het publiek’, c.q. een ‘openbaarmaking’;
onder 17
Indien en voor zover het onder 1. I en II. gevorderde en het onder 2. gevorderde voor wat betreft de tarieven voor ‘doorgifte van tv’ en ‘vertoning en doorgifte van tv (all-in tarief)’ niet worden gehonoreerd, een verklaring voor recht dat de NVZ-leden, althans eiseressen 2 en 3, voor rechtmatige, gelijktijdige, volledige en onveranderde doorgifte van werken en nabuurrechtelijk beschermde prestaties in programma’s die door op Nederland gerichte omroepen worden aangeboden, geen toestemming nodig hebben en hadden in 2013 en 2014, van de rechthebbenden op de werken en de nabuurrechtelijk beschermde prestaties, omdat er geen sprake is van een ‘mededeling aan het publiek’, c.q. een ‘openbaarmaking’.
2.2.
Videma maakt bezwaar tegen de wijziging van eis onder 17, die op het allerlaatste moment is gedaan.
De rechtbank zal de eiswijziging toestaan. Videma is niet in haar verweer geschaad, nu zij in haar pleidooi daarop heeft kunnen reageren.
Het deskundigenbericht
2.3.
In het tussenvonnis van 17 februari 2016 is de Geschillencommissie Auteursrechten (hierna: de geschillencommissie) als deskundige benoemd ter beantwoording van de vraag of de hoogte van de door Videma voor 2013 en 2014 voor de leden van NVZ vastgestelde tarieven voor
a. a) doorgifte van TV
b) vertoning van TV
c) vertoning van TV en video en doorgifte van TV (de all-in prijs)
en de op basis daarvan in rekening gebrachte vergoedingen over die jaren billijk is in de zin van artikel 22 Wet toezicht cbo's.
De geschillencommissie is verzocht bij de beantwoording van deze vraag in ieder geval in te gaan op het debat tussen partijen over:
- de in 2013 en 2014 door Videma gehanteerde tarieven in vergelijkbare branches,
- het belang van bestaande afspraken betreffende vergelijkbare branches voor de jaren 2013 en 2014 en/of in het Pastoroverleg gemaakte afspraken voor de vergelijking van de door Videma in die branches gehanteerde tarieven met de door Videma voor die jaren voor de leden van NVZ vastgestelde tarieven,
- de voorgeschiedenis van de collectieve vergoeding van 2012 en de wijze waarop
Videma deze collectieve vergoeding heeft vertaald naar de individuele all-in prijs van 2013 en 2014,
- vergelijkbare tarieven in andere lidstaten van de EU,
- de aard en de omvang en de intensiteit van het gebruik.
Tevens is de geschillencommissie verzocht daarbij gemotiveerd aan te geven waarom zij de door partijen genoemde tarieven in andere lidstaten van de EU en genoemde andere branches, zoals zorginstellingen, hotels, cafés en recreatiebedrijven, al dan niet als vergelijkbare tarieven en vergelijkbare branches aanmerkt.
2.4.
De geschillencommissie heeft in haar deskundigenbericht van 30 december 2016 op voormelde vraag geantwoord:
- -
de hoogte van het door Videma voor 2013 en 2014 vastgestelde all-in tarief voor ziekenhuizen c.q. voor de leden van NVZ en de op basis daarvan in rekening gebrachte vergoedingen over die jaren is niet billijk in de zin van artikel 22 Wet toezicht cbo’s;
- -
het hanteren van het standaard (d.w.z. niet branchespecifieke) doorgifte- en vertoningstarief voor ziekenhuizen c.q. voor de leden van NVZ is niet billijk in de zin van artikel 22 Wet toezicht cbo’s.
2.5.
Het deskundigenbericht van de geschillencommissie dient te worden beschouwd als een deskundigenbericht als bedoeld in artikel 194 Rv (zie: Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, Vergaderjaar 2008-2009, 31 766, nr. 3, p. 38).
2.6.
Vaste rechtspraak is dat voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen, in zijn beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter zal op specifieke bezwaren van een partij moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017: 279).
In het onderhavige geval is sprake van een bijzonder deskundigenbericht omdat het een verplicht karakter heeft ingevolge artikel 24 Wet toezicht cbo’s.
In de Memorie van Toelichting is over de bedoeling van het verplichte karakter onder meer te lezen: “De keuze voor een verplicht advies is ingegeven door het streven naar bundeling van expertise ten aanzien van tariefstelling. De betrokkenheid van de geschillencommissie is zo gewaarborgd, ongeacht of partijen naar de geschillencommissie of naar de rechter gaan” (zie: Tweede Kamer, Vergaderjaar 2008-2009, 31 766, nr. 3, p. 12). “Door expertise te bundelen bij één geschillencommissie kan geleidelijk aan kennis en ervaring worden opgebouwd over de tarieven en praktijken van collectieve beheersorganisaties. Dit zal kunnen leiden tot een vastomlijnde jurisprudentie die het draagvlak voor in rekening gebrachte vergoedingen kan vergroten en kan bijdragen aan de rechtszekerheid. De uitspraken van de geschillencommissie kunnen partijen immers houvast bieden tijdens de onderhandelingen die zijn voeren over vergoedingen (…).” (zie: Tweede Kamer, Vergaderjaar 2008-2009, 31 766, nr. 3, p. 10)
Iedere kamer van de geschillencommissie is samengesteld uit een onafhankelijke voorzitter, een door de betalingsplichtigen (VNO/NCW en MKB NL) voorgedragen lid, alsmede een lid dat de rechthebbende/cbo’s (Voice) vertegenwoordigt. In de Memorie van Toelichting is dienaangaande te lezen: “Tariefgeschillen zijn vaak geen juridische geschillen. Bij tariefgeschillen gaat het in de eerste plaats om het vaststellen van een billijke vergoeding in een specifiek geval.” (zie: Tweede Kamer, Vergaderjaar 2008-2009, 31 766, nr. 3, p. 10) “Toetsing van een vergoeding vereist onafhankelijkheid, economische en juridische deskundigheid en een billijkheidsoordeel. De geschillencommissie zal om die reden (…) bestaan uit juridische en financieel-economische deskundigen.” (zie: Tweede Kamer, Vergaderjaar 2008-2009, 31 766, nr. 3, p. 12)
Met het instellen van één geschillencommissie heeft de wetgever beoogd om de eenheid van recht ten aanzien van de billijkheid van door cbo’s op te leggen vergoedingen te bevorderen. Het inwinnen van een deskundigenbericht van de geschillencommissie is met het oog daarop verplicht gesteld. De rechter dient vervolgens het deskundigenbericht in zijn oordeel over de billijkheid van de hoogte en de toepassing van de door de cbo in rekening gebrachte vergoeding te betrekken. Het wettelijk verplichte karakter van het onderhavige deskundigenbericht brengt mee dat de beoordelingsvrijheid van de rechter beperkter is dan bij een niet-wettelijk verplicht deskundigenbericht. Slechts marginaal en niet in volle omvang zal dan ook hierna worden getoetst of aanleiding bestaat van de in het deskundigenbericht van de geschillencommissie geformuleerde conclusies af te wijken.
2.7.
NVZ c.s. hebben in hun reactie op het deskundigenbericht aangevoerd dat de door de geschillencommissie getrokken conclusies moeten worden overgenomen.
2.8.
In haar reactie op het deskundigenbericht betwist Videma de juistheid van de conclusies van de geschillencommissie en de onderbouwing daarvan. Videma’s bezwaren richten zich tegen:
(i) de waardes die de geschillencommissie hanteert als grondslag van het all-in tarief,
(ii) het uitgangspunt dat de geschillencommissie hanteert inzake de binnen het Pastors-overleg gemaakte afspraken over budgetneutraliteit,
(iii) het niet meewegen van het aspect waarde in het economisch verkeer door de geschillencommissie, en
(iv) de stelling van de geschillencommissie dat een cbo per definitie geen standaardtarieven zou mogen hanteren.
2.9.
Ad (i)
De geschillencommissie heeft op p. 12 van het deskundigenbericht vastgesteld dat NVZ zowel in 2011 als in 2012 een bedrag van € 1.245.570,58 (exclusief BTW) betaalde. Het bedrag voor 2012 blijkt echter onjuist: NVZ is in 2012 € 1.205.003,12 (exclusief BTW) (productie V 51) in rekening gebracht. Een verschil van (€ 1.245.570,58 - € 1.205.003,12 =) € 40.567,46. Het bezwaar van Videma tegen de waarde die de geschillencommissie voor 2012 hanteert als grondslag van het all-in tarief treft doel. Dit vormt echter geen aanleiding het standpunt van de geschillencommissie ten aanzien van het all-in tarief ondeugdelijk te achten, nu het verschil tussen de waardes voor 2012 gering is in verhouding tot het totale bedrag over 2012 ad ruim € 1,2 miljoen.
Ad (ii)
De geschillencommissie heeft conform de eigen interpretatie van Videma het uitgangspunt gehanteerd dat de afspraak over budgetneutraliteit voor 2012 inhield “geen verhoging, noch verlaging van de totale vergoedingen aan de cbo’s als gevolg van de systematiekaanpassing als zodanig” (zie: conclusie van antwoord punt 34 en productie V9).
Volgens Videma is dit uitgangspunt echter onjuist. De heer [directeur] , directeur van Voice en nauw betrokken bij het Pastors-overleg heeft namelijk verklaard: “Budgetneutraliteit betekent dus niet dat de totale afdracht zonder meer gelijk blijft, maar alleen dat dit gelijk blijft als op grond van een gezamenlijke afspraak een systematiek aanpassing wordt doorgevoerd.”
Vast staat dat in de cluster “zorg” er buiten de algemene systematiekaanpassingen (als harmonisering van de aanmeldvergoeding, harmonisering van de indexeringsmethodiek e.d.) geen andere aanpassingen hebben plaatsgevonden.
Volgens Videma is het verschil tussen de in 2012 door NVZ betaalde vergoeding en het all-in tarief voor 2013 en 2014 dat is gebaseerd op een vergoeding van € 2.238.968,78 te verklaren door het wegvallen van de korting, toen NVZ de overeenkomst opzegde.
De geschillencommissie is op p. 12 en 13 van het deskundigenbericht uitvoerig op dit argument ingegaan en concludeert dat uit geen van de processtukken is gebleken dat NVZ voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten voor 2007-2012 het bedrag van € 2.238.968,78 als uitgangspunt voor de onderhandelingen heeft geaccepteerd en dat Videma daar een korting op heeft verleend. NVZ heeft dit ook weersproken.
Op goede gronden heeft de geschillencommissie dan ook geoordeeld dat niet is gebleken van het wegvallen van een branchekorting waardoor de excessieve stijging van het all-in tarief voor de jaren 2013 en 2014 (ongeveer 80% meer ten opzichte van 2012) zou kunnen worden verklaard. Evenmin is volgens de geschillencommissie gebleken dat de stijging kan worden verklaard door gewijzigd gebruik.
Videma heeft verder nog aangevoerd (pleitnota, punten 4.4-4.6) dat door de leden van NVZ na 2012 daadwerkelijk minder is afgedragen. Zelf verklaart Videma de lagere totale afdracht doordat de ziekenhuizen veelal alleen doorgifte-licenties afnemen. Ook volgens NVZ c.s. is er minder afgedragen omdat de ziekenhuizen steeds minder bedden hebben en de patiënten steeds korter worden opgenomen.
Gelet op de door Videma en NVZ c.s. (onderling verschillende) aangevoerde argumenten wordt geoordeeld dat het feit dat de totale afdracht (door verminderd gebruik) is afgenomen los staat van de vraag of het in 2013 en 2014 door Videma vastgestelde all-in tarief een excessieve stijging ten opzichte van het jaar 2012 inhield, welke vraag de geschillencommissie op deugdelijke gronden bevestigend heeft beantwoord.
Ad (iii)
De geschillencommissie heeft aandacht besteed aan de waarde van het ‘all-in’ gebruik in het economisch verkeer. Zij heeft immers, conform de wetsgeschiedenis (zie: Tweede Kamer, Vergaderjaar 2008-2009, 31 766, nr. 3, p. 39) met betrekking tot de norm, de prijzen die in de jaren 2007-2012 golden, de (totaal)prijs waarover partijen eerder overeenstemming bereikten de doorslag laten geven. Dat het criterium in acht is genomen, blijkt uit het citeren van de betreffende passage uit de Memorie van Toelichting en de argumentatie van de geschillencommissie (zie: p. 5 en p. 12 van het deskundigenbericht).
De geschillencommissie heeft voorts de hoogte van vergelijkbare tarieven in andere lidstaten van de EU en in vergelijkbare andere branches in Nederland in haar oordeel betrokken.
Niet blijkt uit de passage uit de Memorie van Toelichting dat het profijt dat wordt verkregen door de zakelijke vertoner met het vertonen van televisiebeelden bij de bepaling van de waarde in het economisch verkeer van belang is.
Ad (iv)
Het laatste bezwaar van Videma berust op een onjuiste lezing van de conclusies van de geschillencommissie met betrekking tot het standaard doorgifte- en vertoningstarief voor ziekenhuizen. De geschillencommissie stelt niet dat een cbo per definitie geen standaardtarieven zou mogen hanteren. Zij concludeert dat het hanteren van een standaard doorgifte- en vertoningstarief, waarbij geen rekening wordt gehouden met het specifieke gebruik van tv-beelden in de sector ziekenhuizen onbillijk is te achten (p. 11 en p. 16 van het deskundigenbericht). Daarbij tekent de geschillencommissie aan dat in het all-in tarief voor ziekenhuizen wel is uitgesplitst per klein/middel/groot ziekenhuis en per ruimte (recreatieruimte/wachtruimte/aansluiting). De conclusie van de geschillencommissie is deugdelijk. Bij de beoordeling of een tarief billijk is dient de geschillencommissie te toetsen aan het criterium “de aard en de omvang van het gebruik”. Nu het door Videma vastgestelde standaard doorgifte- en vertoningstarief met het specifieke gebruik geen rekening houdt, is het onbillijk.
2.10.
Uit het deskundigenbericht blijkt dat de geschillencommissie de tarieven grondig heeft onderzocht, schriftelijke vragen heeft gesteld aan partijen, een hoorzitting heeft gehouden, partijen heeft verzocht te reageren op het concept deskundigenbericht en in het definitieve deskundigenbericht de reacties van partijen, voor zover relevant geoordeeld, heeft verwerkt. Aandacht is door de geschillencommissie besteed aan de specifieke punten die door de rechtbank in het tussenvonnis van 27 september 2017 zijn genoemd, te weten een (mogelijke) vergelijking met tarieven in andere branches in Nederland en vergelijkbare tarieven in andere lidstaten van de EU, het Pastors-overleg, de voorgeschiedenis en de vertaling naar de individuele all-in prijs van 2013 en 2014 en de aard en de omvang en de intensiteit van het gebruik. De conclusies van de geschillencommissie zijn voorts uitgebreid onderbouwd en gemotiveerd. Zij komen overtuigend voor. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over en maakt die tot de hare.
Onbillijke vergoedingen ex artikelen 22 en 25 Wet toezicht cbo’s (oud) (vordering sub 1)
2.11.
Videma heeft als cbo een economische machtspositie en dient zorgvuldig met die bijzondere positie om te gaan. Bij het ontbreken van vrije marktwerking staat de noodzaak van het tot stand komen van voor de cbo en betalingsplichtigen billijke vergoedingen centraal. Het opleggen van vergoedingen door Videma waarvan de hoogte en toepassing niet billijk zijn levert een onrechtmatige daad jegens de betalingsplichtigen op. Door onvoldoende rekening te houden met de financiële belangen van de betalingsplichtigen handelt Videma in strijd met de maatschappelijk betamelijke zorgvuldigheid.
De onder 1. I en II gevorderde verklaringen voor recht zullen worden toegewezen, voor zover die betrekking hebben op de Wet toezicht cbo’s (oud). Voor zover het gevorderde betrekking heeft op de Wet toezicht cbo’s (nieuw) zoals die per 26 november 2016 luidt, zal het worden afgewezen. De in die jaren 2013 en 2014 gehanteerde tarieven kunnen slechts worden beoordeeld aan de hand van de Wet toezicht cbo’s zoals die gold in die jaren.
Misbruik van economische machtspositie (vorderingen sub 2 t/m 4)
2.12.
Vordering sub 2 strekt ertoe dat in rechte wordt vastgesteld dat Videma misbruik van haar economische machtspositie maakt door aan de leden van NVZ (eenzijdig) voor doorgifte van tv, vertoning van tv en vertoning en doorgifte van tv (all-in tarief) een onbillijk en excessief tarief op te leggen, en welk tarief aanzienlijk hoger is dan relevante referentietarieven in binnen- en buitenland.
Misbruik van machtspositie in de zin van artikel 24 Mw (dat in materieelrechtelijk opzicht aansluit bij artikel 102 VWEU) kan bestaan in de toepassing van te hoge prijzen, die niet in een redelijke verhouding staan tot de economische waarde van de geleverde prestatie (HvJ arrest van 11 december 2008, Kanal 5 en TV 4, C‑52/07, ECLI:EU:C:2008:703, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband moet worden nagegaan of er een buitensporig groot verschil bestaat tussen de daadwerkelijk gemaakte kosten en de daadwerkelijk gevraagde prijs. Indien dat zo is, moet vervolgens worden onderzocht of een prijs is opgelegd die onbillijk is, hetzij absoluut gezien, hetzij in vergelijking met concurrerende producten (HvJ arrest van 14 februari 1978, United Brands en United Brands Continentaal/Commissie, 27/76, ECLI:EU:C:1978:22, punt 252). In haar deskundigenbericht heeft de geschillencommissie het separate doorgifte- en vertoningstarief voor ziekenhuizen onbillijk geacht, omdat er geen rekening wordt gehouden met het specifieke gebruik van tv-beelden in de ziekenhuizen. Ten aanzien van de hoogte van die tarieven heeft de geschillencommissie geen uitspraak gedaan (p. 11 van het deskundigenbericht), zodat niet kan worden geoordeeld dat het doorgifte- en vertoningstarief voor ziekenhuizen te hoog was.
De geschillencommissie heeft ten aanzien van het all-in tarief geconcludeerd dat het van 2012 op 2013 excessief is gestegen, hetgeen impliceert dat de tarieven in 2013 en 2014 excessief hoog waren. Voorts is geoordeeld dat hiervoor geen objectieve verklaring was. Een inzicht in de kosten, waardoor het tarief van 2012 op 2013 zo excessief zou moeten stijgen, is door Videma niet gegeven. Nu een objectieve reden voor het excessief gestegen all-in tarief ontbreekt, wordt geoordeeld dat het all-in tarief onbillijk en excessief was en dat Videma door het eenzijdig opleggen daarvan misbruik maakt van haar economische machtspositie.
Een internationale tariefsvergelijking, na correctie op basis van de PPP-index (die het verschil in koopkracht van burgers in de lidstaten van de EU uitdrukt), kan eveneens een aanwijzing voor misbruik van machtspositie opleveren, als de referentielanden op grond van objectieve, geschikte en verifieerbare criteria zijn gekozen en als de tariefsvergelijking op homogene grondslag is verricht. Een eventueel geconstateerd verschil in tarieven moet echter alleen dan als onbillijk worden gezien indien het verschil significant en duurzaam is (HvJ arrest van 14 september 2017, Autortiesību un komunicēšanās konsultāciju aģentūra/Latvijas Autoru apvienība en Konkurences padome, C‑177/16, ECLI:EU:C:2017: 689, punt 61).
In haar deskundigenbericht stelt de geschillencommissie vast dat in het overgrote deel van de lidstaten van de EU door ziekenhuizen niet betaald wordt voor de rechten. Dit leidt ertoe dat de waarde van de vergelijking met de tarieven in andere lidstaten beperkt is voor de vraag of het Nederlandse tarief voor 2013 en 2014 billijk is. De geschillencommissie tekent aan dat voor zover er in drie lidstaten, te weten Duitsland, Spanje en Denemarken, wel tarieven zijn voor ziekenhuizen de vergelijking van deze tarieven met die in Nederland wordt bemoeilijkt, omdat die buitenlandse tarieven niet gelijkwaardig zijn qua omvang van het zenderpakket, de rechten waarvoor betaald wordt en/of de vrijwaringen die door de betreffende cbo verstrekt worden.
Geoordeeld wordt dat aan de internationale tariefsvergelijking door de geschillencommissie geen bewijs van misbruik van machtspositie kan worden ontleend. Gelet op het bovenstaande zal de vordering sub 2 worden toegewezen, in zoverre die betrekking heeft op het all-in tarief.
2.13.
Vorderingen sub 3 en 4 strekken ertoe dat in rechte wordt vastgesteld dat Videma misbruik van haar economische machtspositie maakt door discriminerende tarieven/ voorwaarden te hanteren.
NVZ c.s. stellen dat Videma van medio 2012 tot eind 2013 heeft geweigerd om met NVZ c.s. te geraken tot een maatwerkregeling, tenzij NVZ de incasso zou verzorgen en het incassorisico zou dragen, terwijl Videma wel bereid was met andere brancheverenigingen dergelijke regelingen overeen te komen waardoor aan leden van die brancheverenigingen een lager tarief wordt gerekend. Voorts stellen NVZ c.s. dat Videma zonder objectieve reden van ziekenhuizen voor hetzelfde of vergelijkbaar gebruik veel hogere bedragen eist dan zij eist van andere gebruikers, zoals hotels, verpleeghuizen en recreatiebedrijven.
Daartegenover voert Videma aan dat zij steeds heeft gehandeld overeenkomstig het Onderhandelingsprotocol (productie V8) en het Onderhandelingsresultaat (productie V9). Voorts dat zij in principe met elke brancheorganisatie in overleg treedt over kortingsregelingen. Ten slotte voert Videma aan dat zij met andere branches reeds lopende kortingsregelingen had.
Vast staat dat partijen in 2012 overleg hebben gevoerd over de totstandkoming van een maatwerkregeling voor de leden van NVZ, maar dat dit niet tot resultaat heeft geleid. Van weigeren en onwil aan de zijde van Videma om tot een tarief voor de ziekenhuisbranche te komen is niet vast kome te staan. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in r.o. 4.32 – 4.34 van het tussenvonnis van 26 augustus 2015.
Videma heeft uitvoerig onderbouwd dat de verschillen met de tarieven in andere branches voortkomen uit reeds lopende kortingsregelingen met die branches.
Geoordeeld wordt dat dit een objectieve reden is voor het verschil in de tarieven.
Uit het vorenstaande volgt dat er geen discriminatie van de ziekenhuisbranche was. De vorderingen sub 3 en 4 zullen als ongegrond moeten worden afgewezen.
Vordering sub 5
2.14.
Vordering sub 5 strekt ertoe dat in rechte wordt vastgesteld dat de NVZ-leden, althans eisers 2 en 3, aanspraak hebben op een schadevergoeding van Videma, nader op te maken bij staat, omdat Videma op één of meerdere van de bovenomschreven wijzen onrechtmatig handelde welk handelen Videma kan worden toegerekend, waardoor de NVZ-leden, althans eisers 2 en 3, schade hebben geleden.
In het tussenvonnis van 26 augustus 2015, r.o. 4.24, zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over de vraag in hoeverre sprake is van veralgemeniseerbare
vragen over causaliteit en schade.
NVZ c.s. voeren aan dat die vragen veralgemeniseerbaar zijn: in dit geval is immers niet nodig dat de individuele feiten en omstandigheden van iedere partij ten behoeve van wie de collectieve rechtsvordering strekt, afzonderlijk in aanmerking worden genomen. Er is maar één gedaagde en er zijn maar twee varianten van eisers: NVZ-leden die het all-in tarief betaalden (onder wie eiseres 3) en NVZ-leden die het doorgiftetarief betaalden (onder wie eisers 2). NVZ c.s. vorderen niet om per afzonderlijk lid van de eisende groep de schade vast te stellen.
Videma stelt dat NVZ c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun vordering, omdat een op artikel 3:305a BW gebaseerde vordering niet kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld (artikel 3:305a lid 3 BW). Voorts voert Videma aan dat de in de vordering gevraagde verklaring voor recht niet ziet op de beantwoording van enige vraag over causaliteit en schade.
Nu NVZ c.s. een verklaring voor recht vorderen, geen vergoeding van schade te voldoen in geld, zijn zij ontvankelijk in vordering sub 5.
De vragen over causaliteit en schade zijn veralgemeniseerbaar, nu het gaat om een groep eisers die ofwel het doorgiftetarief ofwel het all-in tarief in 2013 en 2014 aan Videma hebben betaald en gesteld noch is gebleken dat in individuele gevallen sprake kan zijn van specifieke omstandigheden die aan causaal verband in de weg staan. Dit leidt ertoe dat vordering sub 5 zal worden toegewezen.
2.15.
In het op 26 augustus 2015 gewezen tussenvonnis is overwogen dat de vorderingen sub 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14 en 15 zullen worden afgewezen.
Vorderingen sub 12 en 17
2.16.
Vordering sub 1 zal worden gehonoreerd, vordering sub 2 voor wat betreft het all-in tarief. De voorwaarde waaronder de vorderingen sub 12 en 17 zijn ingesteld is derhalve vervuld.
De vorderingen strekken ertoe dat in rechte wordt vastgesteld dat de leden van NVZ geen toestemming nodig hebben, en hadden in 2013 en 2014, voor kabeldoorgifte van tv-beelden, omdat er geen sprake is van een ‘mededeling aan het publiek’ c.q. ‘een openbaarmaking’.
NVZ c.s. beroepen zich hierbij op het Zürs.net arrest van het HvJ van 16 maart 2017 (AKM tegen Zürs.net, C-138/16, ECLI:EU:C:2017:218, punten 18 en 28-30), waarin het HvJ is ‘omgegaan’.
Videma betwist dat het HvJ daadwerkelijk is omgegaan. Het Zürs.net arrest wijkt af van eerdere jurisprudentie van het HvJ, te weten de twee arresten in de procedure tussen ITV/TV en Catchup van 7 maart 2013 (C-607/11, ECLI:EU:C:2013:147) en 1 maart 2017 (C-275/15, ECLI:EU:C:2017:144). Na het Zürs.net arrest zijn nog de arresten Filmspeler van 26 april 2017 (C-527/15, ECLI:EU:C:2017:300) en The Pirate Bay van 14 juni 2017 (C-610/15, ECLI:EU:C:2017:456) gewezen, waarin het HvJ zijn rechtspraak over het begrip ‘mededeling aan het publiek’ bevestigd. In het Zürs.net arrest ging het om een uitzonderlijke situatie: de doorgifte van het programma van de Oostenrijkse publieke omroep ORF aan slechts 130 abonnees in Zürs. Videma citeert [persoon] in zijn noot bij het arrest: “Het ITV/TV Catchup I arrest wordt geheel niet genoemd. Verder vond het Hof de zaak zo eenvoudig dat een Conclusie A-G niet nodig was en dat een Kamer van drie deze zaak kon afdoen” (AMI 2017/2, p. 94 – 101). Videma stelt dat onverkort het oordeel van het HvJ inzake het standaardarrest SGAE/Rafael Hoteles (arrest van 7 december 2006, C-306/06, ECLI:EU:C:2007:764) geldt dat hotelgasten een nieuw publiek vormen.
Geoordeeld wordt dat aan het Zürs.net arrest niet het belang kan worden gehecht NVZ c.s. doen. In het arrest ging het om een uitzonderlijke situatie: kabeldoorgifte aan slechts 130 abonnees. Het arrest staat alleen in een rij van uitspraken van het HvJ waarin is geoordeeld dat gelijktijdige, volledige en onveranderde doorgifte een vorm van ‘openbaar maken’/’mededelen aan het publiek’ is. Vorderingen sub 12 en 17 zullen eveneens worden afgewezen.
2.17.
Videma zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van NVZ c.s. worden begroot op:
- dagvaarding € 88,52
- griffierecht € 608,00
- deskundigen € 9.000,00
- salaris advocaat € 2.712,00 (6 punt × tarief € 452,00)
Totaal € 12.408,52
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
I. verklaart voor recht dat de hoogte en de toepassing van de door Videma voor 2013 en 2014 voor de NVZ-leden vastgestelde tarieven, en de hoogte en toepassing van de op basis daarvan aan die leden in rekening gebrachte vergoedingen over 2013 en 2014, voor: a) doorgifte van tv, b) vertoning van tv en c) vertoning en doorgifte van tv (all-in tarief) niet billijk zijn in de zin van de artikelen 22 en 25 Wet toezicht cbo’s (oud) en
II. verklaart voor recht dat Videma onrechtmatig handelde jegens de NVZ-leden door een of meer van de bovengenoemde voor wat betreft hoogte en toepassing niet-billijke tarieven en vergoedingen in de zin van artikel 22 Wet toezicht cbo’s (oud) in 2013 en 2014 voor hen vast te stellen en in rekening te brengen,
3.2.
verklaart voor recht dat het tarief voor 2013 en 2014 dat Videma de NVZ-leden, eenzijdig oplegde voor vertoning en doorgifte van tv (all-in tarief) onbillijk en excessief is, en dat Videma derhalve misbruik maakte van een machtspositie en daarom onrechtmatig handelde jegens de NVZ-leden,
3.3.
verklaart voor recht dat de NVZ-leden aanspraak hebben op een schadevergoeding van Videma, nader op te maken bij staat, omdat Videma op één of meerdere van de bovenbeschreven wijzen onrechtmatig handelde welk handelen Videma kan worden toegerekend, waardoor de NVZ-leden schade hebben geleden,
3.4.
veroordeelt Videma in de proceskosten, aan de zijde van NVZ c.s. tot op heden begroot op € 12.408,52,
3.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen, mr. W.J. van den Bergh en mr. T.L. Tan en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑02‑2018
Uitspraak 26‑08‑2015
Inhoudsindicatie
Collectieve actie van branchevereniging over billijkheid van tarieven voor vertoning en doorgifte van TV en video's in ziekenhuizen en misbruik machtspositie van cbo. Advies Geschillencommissie Auteursrechten ex art. 24 Wet toezicht cbo's.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/447660 / HA ZA 14-345
Vonnis van 26 augustus 2015
in de zaak van
1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
NVZ VERENIGING VAN ZIEKENHUIZEN,
gevestigd te Utrecht,
2. de stichting
STICHTING INTERCONFESSIONELE STICHTING GEZONDHEIDSZORG RIVIERENLAND,
gevestigd te Tiel,
3. de stichting
STICHTING ZORGSAAM ZEEUWS-VLAANDEREN,
gevestigd te Terneuzen,
eiseressen,
advocaat mr. K.J. Koelman,
tegen
de stichting
STICHTING VIDEMA,
gevestigd te Noordeloos,
gedaagde,
advocaat mr. J.M.B. Seignette.
Partijen zullen hierna NVZ c.s. en Videma genoemd worden. De producties van partijen zullen hierna worden aangeduid met hun volgnummer voorafgegaan door de letters NVZ voor de producties van NVZ c.s. en de letter V voor de producties van Videma.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 9 juli 2014 en de daarin vermelde processtukken,
- -
het proces-verbaal van comparitie van partijen van 9 december 2014 en de daarin vermelde processtukken,
- -
de akte indienen producties van NVZ c.s.,
- -
de akte uitlating tevens overlegging producties van Videma,
- -
de akte uitlating tevens overlegging producties van NVZ c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Videma is een collectieve beheersorganisatie (verder: cbo) als bedoeld in artikel 1 Wet toezicht geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten (verder: Wet toezicht cbo’s). Zij oefent in opdracht van rechthebbenden op filmwerken (speelfilms, televisieprogramma's en videoclips) auteursrechten uit met betrekking tot de (groeps)vertoning van televisieprogramma's en de doorgifte van televisieprogramma's in onder meer recreatiebedrijven, hotels, cafés en zorginstellingen.
Naast licenties voor vertoning en doorgifte van televisieprogramma’s kunnen bedrijven en instellingen bij Videma licenties verkrijgen voor vertoning en doorgifte van speelfilms uit de catalogus van Videma.
2.2.
In de statuten van Videma is bepaald dat zij als doel heeft het zonder winstoogmerk behartigen van de belangen van derden met betrekking tot de aan hen in eigendom of licentie toebehorende openbaarmakingsrechten op filmwerken, meer in het bijzonder door het optreden als uitvoerder van deze rechten, zowel in het binnenland als in het buitenland,
en voorts het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn, alles in de meest uitgebreide zin van het woord.
2.3.
Videma verleent toestemming voor vertoning en doorgifte voor de programma's die worden uitgezonden op de kanalen NL1, NL2, NL3, NL24 (digitale kanalen publieke omroep), RTL4, RTL5, RTL7, RTL8, SBS6, NET5, Veronica, Disney XD, Nickelodeon, MTV en Comedy Central, en voor de vertoning de programma's op de kanalen Discovery Channel en Animal Planet.
2.4.
De website van Videma vermeldt – voor zover hier van belang –:
“Videma geeft toestemming voor het zakelijk gebruik van alle programma's die worden uitgezonden via de belangrijkste landelijke publieke en commerciële omroepen. Deze zenders hebben in de consumentenmarkt een marktaandeel van ruim 85%. Bij belangrijke sportevenementen (die bij uitstek voor zakelijke vertoning in aanmerking komen) ligt dat aandeel zelfs hoger.”
2.5.
De licentievoorwaarden voor de vertoning van videofilms en/of televisieprogramma's van Videma (productie V1) bevatten de volgende relevante bepalingen:
“DEFINITIES
1. Doorgifte: beschikbaarstelling door middel van een kabeldoorgifte, draadloos netwerk of anderszins van een Videofilm of Televisieprogramma in één of meerdere ruimten binnen een gebouw of complex van gebouwen.
Groepsvertoning: openbaarmaking in de zin van artikel 12 lid 1 sub 4 van de Auteurswet 1912 van een Videofilm of Televisieprogramma door middel van vertoning in de Vertoninglocatie.
[…]
Televisieprogramma: filmwerk in de zin van artikel 10 lid 1 sub 10 jo. artikel 45a lid 1 Auteurswet zoals dat als onderdeel van een omroepdienst wordt uitgezonden via ether, kabel, satelliet, telefoon of welke andere wijze van transmissie dan ook.
[…]
Vertoning: Groepsvertoning en/of Doorgifte.
Videofilm: filmwerk in de zin van artikel 10 lid 1 sub 10 jo. 45a lid 1 Auteurswet zoals beschikbaar via een bestaand of in de toekomst nog te ontwikkelen informatiemedium, waaronder videocassette, DVD, Blu-ray,CD-ROM, CD-video, streaming of digitale download maar uitgezonderd 16 en 35 mm films.
[…]
VERTONING VAN TELEVISIEPROGRAMMA’S
[…]
TOESTEMMING
2.1
Videma geeft auteursrechtelijke toestemming aan Vertoner voor de duur van de licentie en onder de hierna volgende voorwaarden voor Vertoning van Televisieprogramma's op de wijze (Groepsvertoning en/of Doorgifte) en in de Vertoningslocatie(s) als vermeld op het Voorblad. Videma geeft tevens toestemming voor Vertoning van in de Televisieprogramma's opgenomen prestaties waarop rechten krachtens de Wet op de naburige rechten rusten, een en ander voorzover deze rechten toekomen aan de bij Videma aangesloten rechthebbenden.
[…]
VERTONING VAN VIDEOFILMS
[…]
TOESTEMMING
3.1
Videma verleent aan Vertoner voor de duur van de Licentie en onder de hierna vermelde voorwaarden auteursrechtelijke toestemming voor vertoning van de in het Titeloverzicht vermelde Videofilms op de wijze (Groepsvertoning en/of Doorgifte) en in de Vertoningslocatie(s) als vermeld op het Voorblad.
VRIJWARING
11.1
Videma vrijwaart Vertoner tegen aanspraken van derden inhoudende dat een in overeenstemming met de Licentie verrichte Vertoning inbreuk maakt op het aan de derde toekomende auteursrecht op de vertoonde Videofilm of het vertoonde Televisieprogramma. Het voorgaande geldt niet voor aanspraken van derden terzake van de in de Videofilm of het Televisieprogramma opgenomen muziekwerken. Auteursrechtelijke toestemming voor het openbaar maken van muziekwerken dient te worden verkregen bij de Vereniging Buma.
[…]”
2.6.
De cbo’s voor auteurs- of naburige rechten zijn verenigd in brancheorganisatie Voi©e (Vereniging van Organisaties die Intellectueel eigendom Collectief Exploiteren; verder: Voi©e). Voi©e kent aan leden die aan bepaalde keurmerkcriteria voldoen een keurmerk toe (verder: het cbo-keurmerk). Het cbo-keurmerk wordt toegekend na onderzoek door en bindend certificaatadvies van het onafhankelijk Keurmerkinstituut. Over het cbo-keurmerk heeft Voi©e op haar website – voor zover hier van belang – vermeld:
“Met het CBO-Keurmerk wil VOI©E kwaliteit en transparantie bevorderen in alle aspecten van de uitoefening van het rechtenbeheer door collectieve beheersorganisatie’s (CBO’s) en in hun voorlichting daarover. Door het keurmerk ontstaat een basis voor vergelijking en kunnen best practices worden gedeeld.”
2.7.
Videma beschikt sinds 2011 over het cbo-keurmerk.
2.8.
In de statuten van NVZ is bepaald dat het doel van de vereniging is het (doen) behartigen van de belangen van haar leden, zowel in binnen- als buitenland, op het gebied van zorgverlenerschap, werkgeverschap en ondernemerschap.
2.9.
Eiseressen sub 2 en 3 zijn beide lid van NVZ en tevens algemene, middelgrote ziekenhuizen die door Videma zijn aangeschreven en gefactureerd voor 2013 en 2014.
2.10.
NVZ is lid van de ondernemingsorganisatie VNO/NCW.
2.11.
NVZ heeft van 2004 tot en met 2012 een collectieve regeling met Videma gehad op grond waarvan zij een totaalbedrag aan Videma betaalde en Videma aan de leden van NVZ licentie verleende voor vertoning en doorgifte.
2.12.
In de jaren 2009 tot en met 2011 hebben Voi©e en de ondernemingsorganisaties VNO/NCW en MKB-Nederland onder voorzitterschap van [de heer P.] overleg gevoerd (verder: het Pastorsoverleg) in verband met de wens van het bedrijfsleven voor meer stroomlijning in de afspraken tussen cbo’s. Het door deze partijen overeengekomen onderhandelingsprotocol (productie V8) vermeldt – voor zover hier van belang – :
“[…]
4. Uitgangspunten voor systematiekaanpassingen
[…]
VOI©E, VNO-NCW en MKB-Nederland beogen met systematiekaanpassingen geen verhoging, noch verlaging van de totale afdracht van vergoedingen aan CBO’s.
[…]
Voor collectieve overeenkomsten geldt een vergoedingsregeling voor diensten die bijvoorbeeld een brancheorganisatie levert. Die vergoedingsregeling is gebaseerd op de transparante structuur die daarvoor tussen VOI©E, VNO-NCW en MKB-Nederland wordt afgesproken, differentieert in hoogte al naar gelang de economische waarde van de diensten die naar keuze van partijen wordt aangeboden dan wel geleverd.
[…]”
2.13.
In 2011 hebben de gezamenlijke brancheorganisaties zorg (verder: BoZ) en de in Voi©e verenigde cbo’s overleg gevoerd, waarbij is geprobeerd tot een raamregeling te komen voor de zorg. Bij brief van 8 november 2011 (productie NVZ12) heeft BoZ in reactie op het “aangepast voorstel raamregeling zorginstellingen” van Voi©e – voor zover hier van belang – aan Voi©e meegedeeld:
“[…]
De BoZ kan niet instemmen met uw voorwaarde voor budgettaire neutraliteit. Zoals u vanaf het begin van ons overleg bekend is, is de BoZ van mening dat de zorg in verhouding tot andere sectoren teveel betaalt voor het gebruik van licenties gelet op de ‘meerwaarde’ van het gebruik van muziek- en tv-beelden. Daarom vinden wij uw voorwaarde ook niet terecht.
[…]
Wij verzoeken u uw voorwaarde van budgetneutrale invoering van een nieuwe systematiek in te trekken en op basis daarvan het overleg met ons te hervatten en daarin een nieuw voorstel te ontwikkelen.”
2.14.
Bij e-mail van 16 april 2012 heeft de heer [betrokkene 2] van Videma aan de heer [betrokkene 3] van NVZ voorgesteld een bilateraal overleg over afspraken per 1 januari 2013 te plannen. Bij e-mail van 15 mei 2012 heeft de heer [betrokkene 2] aan de heer [betrokkene 3] meegedeeld graag een reactie op dat voorstel te ontvangen. Vervolgens heeft de heer [betrokkene 2] bij e-mail van 27 mei 2012 (productie NVZ13) de heer [betrokkene 3] – voor zover hier van belang – meegedeeld:
“Ik probeer sinds maart in overleg met jou te komen tot een afspraak tussen NVZ en Videma om te praten over 2013 en verder. Tot heden heb ik daar geen reactie op ontvangen.
Je zult begrijpen dat het voor ons van belang is tijdig te weten of NVZ al dan niet bereid is te komen tot een nieuwe centrale overeenkomst en zo ja, op basis van welke uitgangspunten.
Daar komt bij dat Videma de optie overweegt om ziekenhuizen rechtstreeks te benaderen ten behoeve van individuele afspraken per 1 januari 2013. Omdat de uitvoering van deze optie de nodige tijd zal vergen, moeten wij op korte termijn weten waar we aan toe zijn.
Derhalve zien wij ons genoodzaakt richting NVZ een deadline te stellen op de sinds maart geboden uitnodiging van centraal overleg. 15 juni aanstaande is voor ons de uiterste datum voor het ontvangen van jullie reactie.
[…]
Als wij uiterlijk 15 juni niet van jullie hebben vernomen, nemen wij aan dat er aan jullie kant geen interesse meer bestaat voor een volgende centrale overeenkomst.”
2.15.
Bij brief van 27 juni 2012 (productie NVZ14) heeft Voi©e – voor zover hier van belang – aan BoZ meegedeeld:
“[…]
Budgettaire neutraliteit is echter het gezamenlijke uitgangspunt voor systematiekaanpassingen zoals vastgelegd in het Onderhandelingsprotocol van VNO-NCW, MKB-Nederland en VOI©E. Onderhandelingen over te hoge of te lage vergoedingen voor licenties is een zaak van betreffende partijen. Wij hebben dan ook niet de voorwaarde van budgetneutrale invoering van een nieuwe systematiek ingetrokken en geen nieuw voorstel ontwikkeld. Het overleg is dan ook tot op heden niet hervat.
[…]”
2.16.
Bij brief van 6 juli 2012 (productie NVZ15) heeft NVZ aan Videma meegedeeld dat haar bestuur heeft besloten om het collectieve contract met Videma per eind 2012 te beëindigen. Voorts heeft NVZ daarbij – voor zover hier van belang – meegedeeld:
“De NVZ wil graag verder met u in overleg om afspraken te maken over de parameters en
tarieven 2013 die door Videma aan de leden van de NVZ in rekening gebracht zullen gaan
worden. In dat kader namen wij onlangs kennis van uw (via Voice) aan het BOZ gerichte brief van 27 juni 2012. Wij komen op korte termijn op uw brief terug.”
2.17.
In reactie daarop heeft Videma bij brief van 13 juli 2012 (productie NVZ16) – voor zover hier van belang – aan NVZ meegedeeld:
“[…]
Videma ziet zich in dit stadium (mede in verband met tijdsdruk en noodzakelijke voorbereidingen) gedwongen om uw leden zo snel mogelijk te informeren over de ontstane situatie en de gevolgen daarvan.
In dat kader merk ik op dat het onjuist was in uw nieuwsbericht de suggestie te wekken dat
zorginstellingen pas tot het sluiten van een individuele licentie hoeven over te gaan wanneer de NVZ hierover overeenstemming zou hebben bereikt.
[…]
Wij zullen de ziekenhuizen benaderen conform de aanpak en afhandeling zoals wij die eerder, tot tevredenheid van alle partijen, met ActiZ hebben afgesproken. Wij beschikken over gebruiksgegevens
van uw leden en een duidelijk, hanteerbare parameter (een vergoeding per bed per dag). Met deze
gegevens kunnen wij uw leden een nieuwe licentie aanbieden per 1 januari 2013, waarbij uiteraard
een vergoeding exclusief korting wordt geboden, die korting was er immers op grond van ons
collectieve contract.
[…]”
2.18.
Op 12 november 2012 heeft een bespreking tussen vertegenwoordigers van NVZ en Videma plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze bespreking heeft de heer [betrokkene 3] per e-mail van 22 november 2012 (onderdeel productie V27a) aan de heer [betrokkene 2] onder meer meegedeeld dat NVZ graag van Videma wil weten hoe zij samen tot een maatwerkregeling voor de leden van NVZ kunnen komen en welke samenwerkingsafspraken daarbij horen.
2.19.
Op 29 januari 2013 heeft een bespreking tussen NVZ en Videma plaatsgevonden. Naar aanleiding van die bespreking heeft Videma bij brief van 8 februari 2013 (productie NVZ24) – voor zover hier van belang – aan NVZ medegedeeld:
“[...]
Zoals meegedeeld in dat gesprek kan er voor 2013 geen afspraak meer komen voor een contract, branche regeling of andersoortige afspraken. NVZ heeft de deadline bewust laten verstrijken en op dit moment is Videma (…) al te ver onderweg met het afsluiten van nieuwe licenties en ook heeft zij substantiële kosten gemaakt met het aanpassen van automatisering e.d. die zo'n koerswijziging in de weg staan.
[…]
Voor 2014 en verder hebben wij bereidheid gemeld om nader te onderzoeken of er toch niet een nieuw contract of regeling kan komen. Wij zullen in verband daarmee ons later in het jaar weer melden voor het maken van een afspraak.”
2.20.
Vanaf 2013 biedt Videma ziekenhuizen de keuze uit twee licenties: een licentie voor vertoning van TV en video en doorgifte van TV (verder: de all-in licentie) en een beperkte licentie. De vergoeding voor de all-in licentie in 2013 bedraagt per bed € 0,1545 per dag (€ 56,39 per jaar) excl. BTW en in 2014 per bed € 0,1567 per dag (€ 57,20 per jaar) excl. BTW (verder: de all-in vergoeding). Voor zover de beperkte licentie de doorgifte van TV betreft wordt de vergoeding daarvoor berekend op basis van het feitelijk gebruik op basis tegen het standaardtarief voor doorgifte per aansluiting van Videma (verder: het doorgifte tarief).
2.21.
In 2013 en 2014 hanteerde Videma de volgende staffel voor het doorgifte tarief per jaar (productie V2):
Aantal aansluitingen per vertoningslocatie | 2013 | 2014 |
1 tot 49 | € 29,31 | € 29,73 |
50 tot 99 | € 28,75 | € 29,15 |
100 tot 249 | € 28,23 | € 28,63 |
250 tot 499 | € 27,79 | € 28,17 |
500 tot 749 | € 27,39 | € 27,77 |
meer dan 750 | € 27,05 | € 27,43 |
2.22.
Bij brief van 25 februari 2013 (productie V29) heeft NVZ aan haar leden – voor zover hier van belang – meegedeeld:
“[…]
De NVZ roept u op – indien u dit als lid wenst – om deze aangetekende brief of mail ( zie bijlage 1 voor de voorbeeldtekst hiervan) uiterlijk op 31 maart 2013 aan Videma te versturen met een kopie hiervan aan NVZ. Als een ruime meerderheid van de NVZ-leden deze brief of e-mail aldus verstuurt, zal de NVZ opnieuw contact met Videma opnemen om de onderhandelingen over een raamregeling te openen.
[…]”
Hierna heeft Videma van ongeveer 50 ziekenhuizen protestbrieven ontvangen.
2.23.
Ter voorbereiding op de onderhandelingen voor een branchetarief voor 2014 heeft NVZ vanaf maart 2014 onderzoek laten verrichten naar hoeveel de ziekenhuizen in andere landen betalen voor gebruik van rechten die Videma vertegenwoordigt. De resultaten van dit onderzoek heeft NVZ in juli en augustus 2013 op haar website gepubliceerd (productie NVZ20).
2.24.
Bij brief van 6 november 2013 (productie NVZ28) heeft NVZ Videma uitgenodigd tot overleg voor een raamregeling 2014 en volgende jaren met voor haar leden “aanvaardbare en realistische tarieven”. Hierop heeft Videma bij brief van 20 november 2013 (productie NVZ29) meegedeeld bereid te zijn om met NVZ om de tafel te gaan. In reactie daarop heeft NVZ bij brief van 29 november 2013 (productie NVZ30) aan Videma – voor zover hier van belang – meegedeeld:
“[…]
Wij zijn verheugd dat u ingaat op ons verzoek om met ons om de tafel te gaan. U laat ons in uw brief echter niet weten waarover u wilt komen praten. Wij nodigden u in onze brief van 6 november jl uit tot overleg over een raamregeling 2014 en volgende jaren met voor onze leden aanvaardbare en realistische tarieven.
[…]
Wij willen daarbij echter ook open zijn: gezien onze ervaringen in het verleden, en om geen tijd te verspillen en zo te voorkomen dat onze leden nog veel langer teveel betalen, bereiden wij op dit moment ook een rechtszaak tegen Videma voor.
[…]
Wij hebben goede hoop dat de rechter zal oordelen dat tenminste het Videma-tarief voor 2013 onrechtmatig hoog was en dat onze leden het teveel betaalde kunnen terugvorderen.
Wij beseffen dat de voorbereiding van deze procedure druk zal zetten op onze besprekingen, maar stellen vast dat wij u reeds in januari hebben laten weten alle noodzakelijke stappen te zullen nemen die wij in het kader van de belangenbehartiging voor onze leden nodig achten zolang wij geen acceptabele overeenkomst met u tot stand hebben weten te brengen.
[…]
Hoe dan ook, het heeft onze voorkeur om in overleg met Videma tot een akkoord te komen met voor onze leden aanvaardbare en realistische tarieven.
[…]”
2.25.
Op 9 december 2013 en 18 december 2013 heeft overleg tussen vertegenwoordigers van NVZ en Videma plaatsgevonden.
2.26.
Bij e-mail van 20 december 2013 (productie V35) heeft de heer [betrokkene 3] aan de heer [betrokkene 2] – voor zover hier van belang – meegedeeld:
“[…]
Jij kwam met het voorstel om op basis van jullie uitgangspunten […] een vervolggesprek te plannen, hetgeen mij op dat moment niet opportuun leek.
Ik wil niet de indruk wekken dat we nu anders […] denken over jullie uitgangspunten en voorlopige conclusie maar gisteravond bedacht ik me wel dat het wellicht wel nuttig is als we deze beide elementen toch nog eens even goed met zijn vieren bespreken om te kijken wat de mogelijkheden en onmogelijkheden hierin zijn. Wellicht zitten hier toch nog mogelijkheden voor onze leden in en zo niet dan hebben beide organisaties zich in ieder geval tot het uiterste ingespannen. Als je aanbod voor een overleg met ons vieren nog staat, dan wil ik daar alsnog graag gebruik van maken.
[…]”
2.27.
Op 10 januari 2014 heeft opnieuw een overleg tussen de vertegenwoordigers van NVZ en Videma plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft de heer [betrokkene 2] per e-mail van 15 januari 2014 aan de heer [betrokkene 3] – voor zover hier van belang – meegedeeld:
“[...]
Als gezegd, kunnen wij de raamregeling per 1 januari 2015 invoeren. Voor 2014 zijn immers de afspraken reeds gemaakt, onze begroting ligt vast en facturering heeft plaatsgevonden.
Daarnaast verwachten wij dat de totstandkoming van de raamregeling nog wat tijd zal vergen. Immers, er zijn verschillende opties te bespreken en wellicht komen wij in overleg tot de conclusie dat het zinvol is nog wat onderzoek uit te voeren.
[…]”
2.28.
Op 17 februari 2014 heeft de raadsman van NVZ c.s. Videma gesommeerd schriftelijk te bevestigen dat zij misbruik maakt van een machtspositie en/of een onbillijk tarief hanteert en derhalve onrechtmatig handelt, en dat ze aansprakelijk is voor de schade die daardoor is geleden, dat ze heeft gehandeld in strijd met de Cbo-Keurmerkcriteria, dat ze NVZ-leden onjuist heeft voorgelicht waardoor er sprake is van bedrog en/of dwaling, en ze tevens onrechtmatig handelde jegens NVZ-leden en aansprakelijk is voor de schade die zij daardoor lijden. Videma heeft niet aan deze sommatie voldaan.
3. Het geschil
3.1.
NVZ c.s. vordert na vermindering van haar eis – samengevat – :
1. te verklaren voor recht dat Videma onrechtmatig heeft gehandeld door, als uiteengezet in het lichaam van de dagvaarding, een in de zin van artikel 22 en 25 Wet toezicht cbo's onbillijk tarief vast te stellen voor 2013 en/of 2014 voor de ziekenhuisbranche, althans voor de NVZ-leden;
2. te verklaren voor recht dat de tarieven voor 2013 en/of 2014 en/of daarvóór die Videma de NVZ-leden, eenzijdig oplegt en/of oplegde excessief zijn en/of waren en dat Videma derhalve onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij misbruik maakt en/of maakte van een machtspositie;
3. te verklaren voor recht dat Videma misbruik maakte van een machtspositie en derhalve onrechtmatig handelde, door zonder dat daarvoor een objectieve reden bestond, ongeoorloofd onderscheid te maken tussen de ziekenhuisbranche en andere branches, waaronder de horeca, door ten minste anderhalf jaar lang te weigeren met de branchevereniging voor ziekenhuizen een tarief voor de betreffende branche overeen te komen, zonder dat die branchevereniging daarvoor een wederdienst hoefde te bewijzen, zoals de incasso verzorgen en het incassorisico te dragen, terwijl Videma wel bereid is gebleken met andere brancheverenigingen dergelijke regelingen overeen te komen waardoor aan leden van die andere brancheverenigingen een lager tarief wordt gerekend;
4. te verklaren voor recht dat Videma misbruik maakte van een machtspositie en derhalve onrechtmatig handelde door van NVZ-leden, een relatief hoge vergoeding te eisen in vergelijking met andere branches, zonder dat daarvoor een objectieve reden bestaat of bestond;
5. te verklaren voor recht dat de NVZ-leden, althans eisers 2 en 3, aanspraak hebben op een schadevergoeding van Videma, nader op te maken bij staat, omdat Videma op één of meerdere van de bovenbeschreven wijzen onrechtmatig handelde welk handelen Videma kan worden toegerekend, waardoor de NVZ-leden, althans eisers 2 en 3, schade hebben geleden;
6. te verklaren voor recht dat Videma onrechtmatig heeft gehandeld door tarieven voor 2013 en/of 2014 vast te stellen voor de ziekenhuisbranche, althans voor de NVZ-leden, zonder daarover in overleg te treden met de NVZ;
7. te verklaren voor recht dat Videma niet heeft gehandeld in overeenstemming met de Cbo Keurmerkcriteria, door tarieven voor 2013 en/of 2014 vast te stellen voor de ziekenhuisbranche, althans voor de NVZ-leden, zonder daarover in overleg te treden met de representatieve organisatie voor de branche, de NVZ;
8. te verklaren voor recht dat Videma niet heeft gehandeld in overeenstemming met de Cbo Keurmerkcriteria, door jegens de NVZ-leden onvolledig en onduidelijk te zijn over de tarieven voor 2013 en/of 2014, de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen en/of waarop zij gebaseerd zijn;
9. te verklaren voor recht dat de niet naleving door Videma in bovengenoemde zin van een of meerdere normen van de Cbo Keurmerkcriteria, dient te leiden tot intrekking van het recht van Videma op het voeren van het Cbo-keurmerk;
10. indien en voor zover de rechtbank een of meerdere van de verklaringen voor recht onder 7, 8 en/of 9 niet uitvaardigt, te verklaren voor recht dat een cbo die weigert in overleg te treden met een representatieve organisatie van de desbetreffende categorie van gebruikers en/of betalingsplichtigen, en/of die onduidelijk is over de tarieven, de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen en waarop zij zijn gebaseerd, het Cbo-keurmerk niet kan blijven voeren;
11. te verklaren voor recht dat Videma door opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededelingen, en/of opzettelijk verzwegen feiten die zij verplicht was mede te delen, en/of een andere kunstgreep, de NVZ-leden heeft bewogen akkoord te gaan met haar licentievoorwaarden voor 2013 en/of 2014, zodat overeenkomsten van NVZ-leden met Videma aangaande 2013 en/of 2014 vernietigbaar zijn;
12. te verklaren voor recht dat de overeenkomsten voor 2013 en/of 2014 van NVZ-leden met Videma vernietigbaar zijn, daar zij onder invloed van dwaling tot stand zijn gekomen en bij een juiste voorstelling van zaken niet zouden zijn gesloten:
- omdat er sprake is van dwaling die te wijten is aan inlichtingen verstrekt door
Videma, waarbij Videma niet mocht aannemen dat de overeenkomsten ook zonder
deze inlichtingen zouden worden gesloten, en/of
- Videma in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de NVZ-leden (juist) had behoren in te lichten, en/of
- Videma bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de NVZ-leden is uitgegaan, terwijl zij bij een juiste voorstelling van zaken had moeten begrijpen dat de NVZ-leden daardoor van het sluiten van de overeenkomst zouden worden afgehouden;
13. te verklaren voor recht dat Videma op de wijze als weergegeven in het lichaam van deze dagvaarding, althans de NVZ-leden, heeft misleid in de zin van artikel 6:194 BW en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld jegens de NVZ-leden;
14. te verklaren voor recht dat Videma onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld jegens NVZ, althans de NVZ-leden, door hen, als weergegeven in het lichaam van deze dagvaarding, van onjuiste en/of incomplete informatie te voorzien aangaande het tarief voor 2013 en/of voor 2014, over de wijze waarop dat tarief zich verhoudt tot buitenlandse tarieven, over de rol die zij zelf speelde en het handelen van NVZ, en/of over de afspraken tussen enerzijds VNO/NCW en MKB-Nederland, en anderzijds de gezamenlijke cbo's verenigd in Voi©e;
15. te verklaren voor recht dat Videma de schade die de NVZ, de NVZ-leden, althans eisers 2 en 3, hebben geleden door bovenbeschreven misleiding, en/of onzorgvuldig handelen die/dat Videma kan worden toegerekend, moet vergoeden, nader op te maken bij staat;
16. Videma te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2.
Videma voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Inleiding
4.1.
NVZ heeft haar bevoegdheid tot het instellen van de rechtsvorderingen in dit geding ten behoeve van haar leden gebaseerd op artikel 3:305a BW. Voor zover hierna niet anders is vermeld staat niet ter discussie dat aan de bij dat artikel gestelde voorwaarden voor een collectieve actie is voldaan en volgt zulks uit de statuten van NVZ, de onder 2.28 vermelde sommatie en de aard van de vorderingen.
4.2.
Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft NVZ c.s. verklaard dat daar waar in haar vorderingen “en/of” wordt gehanteerd het of-gedeelte als subsidiair gedeelte moet worden gezien. Videma heeft bezwaar tegen de aanpassing gemaakt omdat zij de consequenties daarvan op dat moment niet kon overzien. Hetgeen NVZ c.s. heeft verklaard betreft echter geen wijziging van haar eis, maar de lezing daarvan. Aangezien die lezing gebruikelijk is, kan zonder nadere toelichting, welke Videma niet heeft gegeven, bovendien niet worden ingezien dat Videma daardoor in haar verdediging wordt geschaad. Aan het bezwaar van Videma zal derhalve voorbij worden gegaan.
Economische machtspositie
4.3.
NVZ c.s. stellen dat Videma misbruik heeft gemaakt van haar economische machtspositie. Misbruik van een economische machtspositie is krachtens artikel 24 Mw verboden en derhalve onrechtmatig. Alvorens kan worden ingegaan op het gestelde misbruik dient te worden vastgesteld of Videma een economische machtspositie heeft.
4.4.
NVZ c.s. stellen dat de relevante markt die is van het als collectief, met één overeenkomst regelen van de rechten van TV- en filmproducenten en van omroepen die met name relevant zijn op de Nederlandse markt en dat de geografische omvang van die markt is beperkt tot Nederland. Zij hebben de gestelde machtspositie op die markt onderbouwd met een verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Wet toezicht cbo’s (Tweede kamer 2008/2009, 31.766, nr. 3, p. 5). Voorts wijzen NVZ c.s. er op dat Videma met name de rechten voor de belangrijkste Nederlandse kanalen levert, die volgens Videma 85% van de Nederlandse markt beslaan, dat Videma de enige cbo is die in Nederland collectieve licenties aanbiedt voor de door haar vertegenwoordigde rechten en dat het schaalvoordeel dat Videma geniet door de vele rechthebbenden die bij haar zijn aangesloten het voor nieuwkomers zo goed als onmogelijk maakt een marktaandeel van enige betekenis te veroveren.
4.5.
Videma betwist dat zij een machtspositie heeft en voert daartoe het volgende aan. Videma is geen bij de wet aangewezen organisatie en is daarom afhankelijk van vrijwillige mandaten. De aan Videma verleende contractuele mandaten zijn niet exclusief, zodat rechthebbenden en gebruikers – zoals ook gebeurt – zonder tussenkomst van Videma licentie-overeenkomsten kunnen sluiten. Verder vertegenwoordigt Videma niet alle zenders. De wetgever heeft geen onderzoek gedaan waaruit blijkt dat Videma een machtspositie heeft in mededingingsrechtelijke zin.
4.6.
Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. NVZ c.s. noch Videma hebben een beroep gedaan op een grotere geografische markt dan de Nederlandse markt, zodat er geen sprake is van een gedraging die de handel tussen lidstaten beïnvloedt waarop artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) dient te worden toegepast. De rechtbank zal derhalve de vorderingen beoordelen aan de hand van het Nederlandse mededingingsrecht (art. 24 Mw), zij het dat voor de interpretatie en toepassing daarvan de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) en het Gerecht van de Europese Unie (Gerecht) wel mede richtinggevend zijn.
4.7.
Een economische machtspositie wordt in artikel 1 sub i Mw omschreven als de positie van een of meer ondernemingen die hen in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen door hun de mogelijkheid te geven zich in belangrijke mate onafhankelijk van hun concurrenten, hun leveranciers, hun afnemers of de eindgebruikers te gedragen.
4.8.
Het bestaan van een machtspositie kan worden aangenomen op grond van verschillende feiten en omstandigheden die elk afzonderlijk niet beslissend hoeven te zijn, hoewel een groot marktaandeel van de onderneming op de relevante markt bij de beoordeling een belangrijke factor is. Voor het bepalen van het marktaandeel van een onderneming is het van belang de relevante productmarkt en de relevante geografische markt af te bakenen. Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld ten aanzien van welke diensten en binnen welk geografisch gebied concurrentiedruk op de onderneming met de beweerdelijke machtspositie wordt uitgeoefend.
4.9.
Voor wat betreft de relevante productmarkt is in ieder geval niet tussen partijen in geschil dat het gaat om de markt voor licenties voor zakelijke (groeps)vertoning van televisieprogramma’s en speelfilms en doorgifte van televisieprogramma’s. De stelling van NVZ c.s. dat de geografische markt gelijk valt met de nationale markt wordt bevestigd door de zenders die Videma vertegenwoordigt en is niet, althans niet gemotiveerd door Videma weersproken. Vast staat derhalve dat de nationale markt als de relevante geografische markt moet worden aangemerkt.
4.10.
Voor het antwoord op de vraag of op een relevante markt sprake is van een economische machtspositie zijn de marktstructuur, en meer in het bijzonder, de betrokken marktaandelen van belang. Deze bepalen immers of een onderneming zich kan onttrekken aan een werkzame mededinging. Indien het marktaandeel van een onderneming 50% of meer bedraagt is er, behalve door de onderneming te bewijzen uitzonderingen, in beginsel sprake van een economische machtspositie (HvJ EG 3 juli 1991, nr. C-62/86, Jur. 1991, p. I-3359 (AKZO Chemie).
4.11.
Volgens de vermelding op de website van Videma hebben de zenders waarvan zij de rechten beheert 85% van het marktaandeel in de consumentenmarkt. Voorts is niet in geschil dat er op de Nederlandse markt geen anderen dan de oorspronkelijke rechthebbenden zelf zijn die buiten Videma om licenties aan gebruikers kunnen verstrekken. Het zal voor een gebruiker niet aanlokkelijk zijn om met iedere individuele rechthebbende afzonderlijke overeenkomsten te sluiten, omdat daaraan zoals NVZ c.s. onweersproken hebben gesteld aanzienlijk meer transactiekosten verbonden zullen zijn. Tenslotte blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis van de Wet toezicht cbo’s (Tweede Kamer 2008-2009, 31.766, nr. 3, p. 3 - 5) dat het daarin geregelde toezicht noodzakelijk is geacht omdat er geen volwaardige markt van elkaar beconcurrerende beheersorganisaties bestaat en dat Videma volgens de wetgever qua marktkracht in haar optreden niet wezenlijk verschilt van dat van organisaties met verplicht collectief beheer, die een monopoliepositie hebben. Op grond van dit alles staat voldoende vast dat het marktaandeel van Videma op de markt voor licenties voor zakelijke (groeps)vertoning van televisieprogramma’s en speelfilms en doorgifte van televisieprogramma’s in elk geval meer dan 50% bedraagt. Feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er sprake is van een uitzondering op het onder 4.10 vermelde beginsel zijn niet door Videma gesteld, zodat hiermee vast staat dat Videma een economische machtspositie heeft.
Onbillijke vergoedingen ex artikelen 22 en 25 Wet toezicht cbo’s (vordering sub 1)
4.12.
Partijen verschillen van mening over de vraag of het opleggen van een onbilllijke vergoeding in de zin van artikelen 22 en 25 Wet toezicht cbo’s onrechtmatig handelen van een cbo oplevert. NVZ c.s. stellen dat er sprake is van onrechtmatigheid door handelen in strijd met een wettelijke plicht. Videma bestrijdt dit en voert daartoe aan dat in de wet niet staat dat cbo’s de plicht hebben om billijke tarieven te voeren.
4.13.
Uitgangspunt van artikel 22 Wet toezicht cbo’s is dat de hoogte en de toepassing van de door een cbo aan een betalingsplichtige opgelegde vergoeding billijk moeten zijn (Tweede Kamer 2008-2009, 31 766, nr. 3 p. 38). Daarmee legt deze wet cbo’s nog geen plicht op om billijke vergoedingen op te leggen. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van vergoedingen door Videma waarvan de hoogte en de toepassing niet billijk zijn een onrechtmatige daad oplevert. Hiervoor is immers vastgesteld dat Videma een economische machtspositie heeft. Indien de hoogte en de toepassing van de door Videma aan leden van NVZ opgelegde vergoeding niet billijk is, levert dat een gedraging op van een onderneming met een machtspositie die ingaat tegen de mededinging als bedoeld in artikel 24 Mw (art. 102 sub a VWEU) en is daarmee de onrechtmatigheid van die gedraging gegeven.
4.14.
NVZ c.s. stellen dat de hoogte van het tarief dat Videma voor de ziekenhuisbranche, althans haar leden, voor 2013 en 2014 heeft vastgesteld niet billijk is, omdat
- a.
voor hetzelfde gebruik in andere lidstaten van de Europese Unie vele malen minder hoeft te worden betaald,
- b.
voor vergelijkbaar gebruik in Nederland door hotels, verpleeghuizen, cafés en recreatiebedrijven veel minder wordt betaald,
- c.
de all-in prijs van 2013 in vergelijking met die van 2012 buitenproportioneel is verhoogd.
4.15.
Videma betwist het door NVZ c.s. gestelde en voert daarbij het volgende aan.
Er is onvoldoende homogeen vergelijkingsmateriaal voor een internationale tariefsvergelijking en de door NVZ c.s. uitgevoerde vergelijkingen kunnen ook niet als homogene vergelijkingen gelden. NVZ c.s. gaan er ten onrechte aan voorbij dat bij de bepaling van de economische waarde rekening dient te worden gehouden met de aard van “de content” en de omvang en de intensiteit van het gebruik. Op grond van de in het Pastorsoverleg gemaakte afspraken kan aan de leden van NVZ geen korting worden verleend die vergelijkbaar is met de korting onder de collectieve regeling die NVZ eind 2012 heeft opgezegd of vergelijkbaar is met de korting die een aantal andere branches, zoals horeca en recreatieparken, onder nog lopende overeenkomsten hebben.
4.16.
Niet in geschil is dat de vergoedingen die Videma over 2013 en 2014 aan de leden van NVZ in rekening heeft gebracht zijn gebaseerd op de door haar voor die jaren vastgestelde tarieven voor de ziekenhuisbranche. Het geschil over de billijkheid van de hoogte van de door Videma voor die jaren vastgestelde tarieven betreft derhalve tevens een geschil over de door haar over 2013 en 2014 aan de NVZ-leden in rekening gebrachte vergoedingen.
4.17.
Ingevolge artikel 24 juncto artikel 22 van de op 1 juli 2013 in werking getreden Wet toezicht cbo’s beslist de rechter over een geschil tussen een cbo en betalingsplichtigen over de billijkheid van de hoogte en de toepassing van de door cbo’s in rekening gebrachte vergoedingen niet dan nadat de in artikel 22 van die wet bedoelde geschillencommissie (verder: de Geschillencommissie Auteursrechten) in de gelegenheid is gesteld hieromtrent advies uit te brengen, tenzij die commissie hierover reeds uitspraak heeft gedaan of de rechter ook zonder advies aanstonds kan beslissen. Van een eerdere uitspraak van de Geschillencommissie Auteursrechten is niet gebleken. De andere uitzondering doet zich evenmin voor nu Videma de gestelde onbillijkheid van de tarieven betwist (vgl. Tweede Kamer 2008-2009, nr. 31.766, nr. 3, p 38). De rechtbank zal derhalve de Geschillencommissie Auteursrechten in de gelegenheid stellen het bedoelde advies te geven. Dat de taak van de Geschillencommissie Auteursrechten bij artikel 3 van haar reglement (bijlage I bij Regeling aanwijzing geschillencommissie ex artikel 22 Wet toezicht cbo’s) is beperkt tot geschillen over de billijkheid van de hoogte en toepassing van door cbo’s op of na 1 juli 2013 in rekening gebrachte vergoedingen, geeft gelet op het verplichte karakter van het advies van de Geschillencommissie Auteursrechten geen aanleiding tot een andere beslissing, te meer nu het onderhavige geschil vergoedingen omvat die na die datum in rekening zijn gebracht.
4.18.
Iedere verdere beslissing met betrekking tot vordering sub 1 wordt aangehouden totdat de Geschillencommissie Auteursrechten haar advies heeft gegeven.
Misbruik van economische machtspositie (vorderingen sub 2 t/m 4)
4.19.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie houdt het enkele feit dat een onderneming een machtspositie heeft geen verwijt in aan het adres van die onderneming, maar heeft de onderneming met een machtspositie wel een ‘bijzondere verantwoordelijkheid’ om niet door haar gedrag inbreuk te maken op een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt. Eén van de vormen van dergelijk gedrag is uitbuiting van de marktmacht door onbillijk hoge (excessieve) prijzen op te leggen (vgl. art. 102 onder a VWEU). Op de partij die een dergelijke inbreuk van het mededingingsrecht stelt rust de stelplicht en in geval van voldoende gemotiveerde betwisting, de bewijslast van die stelling (art. 150 Rv en artikel 2 van Verordening (EG) 1/2003).
4.20.
Vorderingen sub 2, 3 en 4 van NVZ c.s. strekken ertoe dat in rechte wordt vastgesteld dat Videma misbruik van haar economische machtspositie maakt door:
- i.
aan ziekenhuizen (eenzijdig) een excessieve prijs op te leggen (vordering sub 2):
- ii.
van medio 2012 tot eind 2013 te weigeren om een maatwerkregeling voor ziekenhuizen over een te komen, tenzij NVZ daarvoor een tegenprestatie zou leveren, met name – kort gezegd – de incasso zou verzorgen en het incassorisico zou dragen, terwijl Videma wel bereid was met andere brancheverenigingen dergelijke regelingen over een te komen waardoor aan leden van die brancheverenigingen een lager tarief wordt gerekend (vordering sub 3);
- iii.
zonder objectieve reden van ziekenhuizen voor hetzelfde of vergelijkbaar gebruik veel hogere bedragen te eisen dan ze eist van andere gebruikers, zoals hotels, verpleeghuizen en recreatiebedrijven (vordering sub 4).
4.21.
Deze vorderingen betreffen ieder (mede) de hoogte van de tarieven die Videma voor 2013 en 2014 voor de leden van NVZ heeft vastgesteld. Het geschil over de vraag of Videma misbruik maakt van haar economische machtspositie omvat aldus het geschil over de billijkheid van de hoogte van de vergoedingen die over de jaren 2013 en 2014 door Videma aan de leden van NVZ in rekening heeft gebracht. Hetgeen NVZ c.s. ter onderbouwing van de vorderingen sub 2, 3 en 4 hebben gesteld en Videma ter betwisting daarvan heeft aangevoerd overlapt ook hetgeen ter onderbouwing van vordering sub 1 is gesteld en ter betwisting daarvan is aangevoerd.
4.22.
Het vorenstaande geeft aanleiding ook iedere beslissing op vorderingen sub 2, 3 en 4 aan te houden totdat de Geschillencommissie Auteursrechten haar advies als bedoeld in artikel 24 van de Wet toezicht cbo’s heeft gegeven.
Aanspraak op schadevergoeding op grond van het vorenstaande (vordering sub 5)
4.23.
Videma voert aan dat NVZ niet ontvankelijk is in vordering sub 5 omdat NVZ geen verklaring voor recht zou kunnen vorderen inhoudende dat schadeplichtigheid bestaat tegenover individuen, aangezien dat er in feite op neer zou komen dat wordt verzocht de schadevergoedingsplicht jegens ieder van de individuele rechthebbenden vast te stellen en zulks niet kan zonder te treden in de beoordeling van de concrete omstandigheden van elk geval. Videma verwijst hiertoe naar het Vie d’Or arrest (HR 13-10-2006, NJ 2008, 528). NVZ c.s. hebben hier tegenover gesteld dat de onderhavige zaak niet vergelijkbaar is met de in genoemd arrest beoordeelde zaak, nu Videma de enige gedaagde is en zij in 2013 en 2014 voor ziekenhuizen slechts twee verschillende tarieven hanteert.
4.24.
In een collectieve actie is onder omstandigheden mogelijk dat een belangenorganisatie een verklaring voor recht verkrijgt met betrekking tot vragen over causaliteit en schade. Het dient daarbij te gaan over veralgemeniseerbare vragen over causaliteit en schade die de rechter kan beantwoorden zonder acht te slaan op de individuele omstandigheden van de gelaedeerden (vgl. HR 13-10-2006, NJ 2008, 528). Of hiervan in het onderhavige geval sprake is kan eerst worden beoordeeld indien duidelijkheid bestaat over de omvang en aard van het onrechtmatig handelen op basis waarvan dient te worden vastgesteld of leden van NVZ schade hebben geleden. Dit betekent dat iedere verdere beslissing op vordering sub 5 ten behoeve van de leden van NVZ ook dient te worden aangehouden totdat over de vorderingen sub 1 t/m 4 is beslist. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich na ontvangst van het advies van de Geschillencommissie Auteursrechten nader uit te laten over de vraag in hoeverre sprake is van veralgemeniseerbare vragen over causaliteit en schade.
4.25.
Voor het deel van vordering sub 5 dat eiseressen sub 2 en 3 betreft, geldt eveneens dat iedere beslissing wordt aangehouden totdat over de vorderingen sub 1 t/m 4 is beslist.
vaststelling tarieven voor 2013 en 2014 zonder overleg (vordering sub 6)
4.26.
NVZ c.s. stellen dat Videma onrechtmatig heeft gehandeld door tarieven voor 2013 en/of 2014 vast te stellen voor de ziekenhuisbranche, althans voor de NVZ-leden zonder daarover in overleg te treden met NVZ, als representatieve organisatie voor de branche.
4.27.
Indien Videma, zoals NVZ c.s. stellen, verplicht is met NVZ overleg te voeren alvorens zij tarieven voor de ziekenhuisbranche, althans de NVZ-leden, vaststelt maar onwillig is om dat te doen, hebben NVZ c.s. – anders dan Videma meent – met op het oog op de toekomst voldoende belang bij de gevorderde verklaring voor recht.
4.28.
Op NVZ c.s. rust de stelplicht en bewijslast van de gestelde gedraging van Videma alsmede de gestelde onrechtmatigheid daarvan (art. 150 Rv). Als onrechtmatige daad wordt aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
4.29.
De stelling dat Videma verplicht is om met NVZ in overleg te treden over de tarieven voor de ziekenhuisbranche, althans de NVZ-leden, baseren NVZ c.s. op artikel II.3 van de cbo-keurmerkcriteria. Het cbo-keurmerk berust niet op een wet maar is ingesteld door Voi©e. Van een wettelijke plicht is derhalve geen sprake. Dit betekent dat indien komt vast te staan dat Videma artikel II.3 van de cbo-keurmerkcriteria niet heeft nageleefd dat slechts onrechtmatig jegens NVZ en/of haar leden kan worden geacht indien zulks in strijd is met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die Videma jegens hen in acht dient te nemen.
4.30.
Bij de vaststelling van de inhoud van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen komt met name gewicht toe aan de (gerechtvaardigde) verwachtingen van justitiabelen onderling. De maatschappelijke zorgvuldigheid brengt mee dat men zijn eigen belangen tegen die van een ander moet afwegen en zich daarbij moet laten leiden door hetgeen mensen onderling in de maatschappij in redelijkheid van elkaar kunnen verwachten. Ongeschreven zorgvuldigheidsnormen kunnen daardoor mede worden beïnvloed door bepaalde (geschreven) regels die door betrokkenen zelf zijn opgesteld of waaraan betrokkenen zich hebben geconformeerd en die dientengevolge de verwachtingen van betrokkenen beïnvloeden. Of dergelijke regels daadwerkelijk een gerechtvaardigde verwachting van een derde meebrengen hangt af van de context en de bijzonderheden van het geval. In dat kader is het volgende van belang.
4.31.
NVZ c.s. hebben niet weersproken dat het cbo-keurmerk door Voi©e is ingesteld ter bevordering van de kwaliteit en transparantie, zodat dit tussen partijen vast staat. Artikel II.3 van de keurmerkcriteria voor het cbo-keurmerk luidt:
“Voor zover de Auteurswet of de Wet naburige rechten niet anders bepalen, stelt de CBO tarieven vast in of na overleg met representatieve organisaties van de desbetreffende categorie van Gebruikers en/of betalingsplichtigen, een en ander – voor zover van toepassing – conform het Onderhandelingsprotocol, tenzij Rechthebbenden op basis van hun individuele recht een tarief hebben voorgeschreven of als er sprake is van een goed werkende praktijk van individuele licenties waarvoor de voorwaarden door de individuele partijen worden overeengekomen.”
Voor zover NVZ c.s. bedoelen te stellen dat Videma uitsluitend in overleg met NVZ tarieven voor de ziekenhuisbranche, althans de NVZ-leden kan vaststellen, vindt dat geen steun in deze bepaling.
4.32.
Vast staat voorts dat NVZ niet heeft gereageerd op de uitnodigingen voor overleg van Videma bij de e-mails van 16 april 2012, 15 mei 2012 en 27 mei 2012. Ondanks dat Videma in verband met de tijd die de uitvoering van individuele afspraken met de ziekenhuizen zou vergen bij laatstgenoemde e-mail 15 juni 2012 als deadline heeft gesteld, heeft NVZ eerst bij brief van 6 juli 2012 Videma meegedeeld dat zij heeft besloten de collectieve overeenkomst per eind 2012 te beëindigen en dat zij met Videma in overleg wilde om afspraken te maken over de tarieven en parameters voor 2013. Weliswaar heeft Voi©e, zoals NVZ c.s. stellen, niet eerder dan bij brief van 27 juni 2012 op de brief van BoZ van 8 november 2011 gereageerd, maar niet gesteld is dat zij er redelijkerwijs op mochten vertrouwen dat Voi©e de voorwaarde van budgetneutraliteit zou laten varen en het overleg met BoZ zou hervatten. Het verstrijken van de door Videma gestelde deadline van 15 juni 2012 komt derhalve voor rekening en risico van NVZ. Feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat Videma 15 juni 2012 redelijkerwijs niet als deadline mocht stellen, hebben NVZ c.s. niet gesteld. Artikel II.3 van de cbo-keurmerkcriteria brengt derhalve niet mee dat na 15 juni 2012 bij NVZ nog de gerechtvaardigde verwachting mocht bestaan dat de tarieven voor haar leden over 2013 in overleg met haar zouden worden vastgesteld.
4.33.
Vast staat ook dat Videma zich niet, zoals op grond van haar brief van 8 februari 2013 mocht worden verwacht, bij NVZ heeft gemeld voor het maken van een afspraak voor een contract of regeling voor 2014. Daar staat echter tegenover dat uit de brief die NVZ op 25 februari 2013 naar haar leden heeft verzonden blijkt dat zij opnieuw contact met Videma wilde opnemen om de onderhandelingen over een raamregeling te openen als daaraan bij haar leden behoefte bestond, zodat NVZ er kennelijk niet vanuit ging dat Videma zich voor het overleg moest melden. Voorts staat vast dat NVZ in maart 2013 ter voorbereiding van het overleg met Videma informatie is gaan verzamelen, over welke informatie zij – gelet op de publicaties op haar website – kennelijk in juli en augustus 2013 beschikte. Vervolgens heeft NVZ eerst in november 2013 Videma voor een overleg over een raamregeling voor de jaren 2014 en volgende uitgenodigd, terwijl zij op dat moment reeds een rechtszaak tegen Videma aan het voorbereiden was. Alhoewel daaruit volgt dat er op dat moment bij NVZ niet de verwachting bestond dat zij in overleg met Videma tot vaststelling van de tarieven voor haar leden over 2014 kon komen, is Videma op de uitnodiging van NVZ ingegaan en heeft er overleg tussen hen plaatsgevonden voor een raamregeling over 2014 en volgende jaren. Op 10 januari 2014 heeft Videma onder opgaaf van de redenen meegedeeld dat een raamregeling pas per 1 januari 2015 kon worden ingevoerd. Niet gesteld is dat die opgegeven redenen voorgewend waren noch waarom Videma in de afweging van haar belangen en die van NVZ en haar leden bij verder overleg over mede de tarieven voor 2014 niet tot die beslissing kon komen.
4.34.
Uit het vorenstaande volgt dat het feit dat Videma de tarieven voor 2013 en/of 2014 voor de ziekenhuisbranche, althans voor de NVZ-leden, niet in overleg met NVZ heeft vastgesteld niet is te wijten aan de gestelde onwil van Videma en in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig was. Dit leidt er toe dat vordering sub 6 als ongegrond dient te worden afgewezen.
Cbo-keurmerk(criteria) (vorderingen sub 7 t/m 10)
4.35.
Voor de toewijsbaarheid van een vordering tot verklaring voor recht is vereist dat eiser een concreet belang in de zin van artikel 3:303 BW bij die vordering heeft en dient daarnaast te zijn voldaan aan artikel 3:302 BW waarin is bepaald dat de verklaring slechts wordt gegeven op vordering van een bij de rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon.
4.36.
De vorderingen sub 7 en 8 strekken er toe dat in rechte wordt vastgesteld dat Videma met haar gedragingen jegens NVZ, althans de NVZ-leden, niet in overeenstemming met de cbo-keurmerkcriteria heeft gehandeld. Vordering sub 9 en 10 strekken er toe dat wordt vastgesteld dat het recht van Videma op het voeren van het cbo-keurmerk dient te worden ingetrokken, althans dat Videma dat keurmerk niet kan blijven voeren.
4.37.
Videma betwist dat NVZ c.s., althans de NVZ-leden, belang bij deze vorderingen hebben, zodat NVZ c.s. dat belang duidelijk dient te maken. NVZ c.s. hebben daartoe gesteld dat het belang bij de vorderingen daarin is gelegen dat Videma zich niet als een goede cbo kan voordoen. Zonder nadere toelichting kan de rechtbank NVZ c.s. hierin niet volgen nu zijzelf onweersproken hebben gesteld dat er geen andere cbo’s op de Nederlandse markt zijn die aan gebruikers licenties voor (groeps)vertoning van televisieprogramma’s en speelfilms en doorgifte van televisieprogramma’s verstrekken. Bij gebreke van die toelichting blijkt niet dat NVZ c.s., althans de NVZ-leden voldoende belang bij vorderingen 7 t/m 10 hebben. Daarbij komt dat die vorderingen geen rechtsverhouding betreffen waarbij NVZ c.s. onmiddellijk zijn betrokken. NVZ c.s. noch de NVZ-leden zijn immers lid van Voi©e. Evenmin zijn zij partij bij de toekenning van het cbo-keurmerk; het Keurmerkinstituut toetst of Videma voldoet aan de criteria voor het cbo-keurmerk en die criteria naleeft. Voorts is het aanvragen en voeren van het cbo-keurmerk een vorm van zelfregulering van de in Voi©e verenigde cbo’s met als doel de transparantie en kwaliteit te bevorderen en niet om rechten aan gebruikers en/of betalingsplichtigen te verlenen. De vorderingen sub 7 t/m 10 strekken derhalve niet tot vaststelling van de rechtsverhouding tussen NVZ c.s., dan wel de NVZ-leden enerzijds en Videma anderzijds of het preciseren van de inhoud daarvan. Evenmin beoogt het een partijen verdeeld houdend rechtsgeschil te doen beslissen.
4.38.
Het vorenstaande leidt tot afwijzing van de vorderingen 7 t/m 10.
Bedrog (vordering sub 11)
4.39.
Vordering sub 11 strekt er toe dat in rechte wordt vastgesteld dat de door Videma met de NVZ-leden gesloten overeenkomsten voor 2013 en/of 2014 vernietigbaar zijn op grond van bedrog.
4.40.
Videma heeft als verweer aangevoerd dat de vordering niet voldoende bepaald is omdat er meerdere keren “en/of” wordt gebruikt en daarmee niet duidelijk is over welke gedragingen het gaat. Dit verweer faalt op grond van het navolgende.
Het lichaam van de dagvaarding bevat onder het kopje ‘’Videma heeft NVZ-leden misleid, althans onjuist geïnformeerd” (randnummers 137 t/m 159) een opsomming van de mededelingen die volgens NVZ c.s. onjuist en/of onvolledig zijn. Met de verwijzing daarnaar onder het kopje “Bedrog en dwaling” is voldoende duidelijk en dient ook voor Videma voldoende duidelijk te zijn waartegen Videma zich dient te verdedigen. Het gebruik van “en/of” in het petitum maakt dat niet anders.
4.41.
Videma betwist dat de NVZ-leden belang bij die vordering hebben omdat de NVZ-leden op grond van de vertoning en/of doorgifte van TV en/of video ook na vernietiging van de overeenkomsten een vergoeding aan de bij Videma aangesloten rechthebbenden verschuldigd zijn. NVZ c.s. stellen dat het belang van haar leden bij deze vorderingen daarin is gelegen dat het partijen noopt om opnieuw in onderhandeling te treden. Zonder nadere toelichting kan niet worden ingezien dat de NVZ-leden belang bij die onderhandelingen hebben indien niet komt vast te staan dat de door Videma voor 2013 en/of 2014 voor hen vastgestelde tarieven onbillijk en/of excessief zijn. Indien dat wel komt vast te staan kunnen de NVZ-leden in beginsel wel belang bij die onderhandelingen hebben. Gelet op het navolgende behoeft de beslissing daarop echter niet te worden afgewacht.
4.42.
Voor bedrog is vereist dat de bedrieger de ander willens en wetens heeft misleid. Een mededeling waarvan men meent dat zij juist is, levert – ook bij gebleken onjuistheid – geen bedrog op; evenmin het feit dat men vergeet een bepaalde mededeling te doen. De op NVZ c.s. rustende stelplicht brengt mee dat zij niet kan volstaan met de stelling dat sprake is van opzet maar ook concrete feiten en omstandigheden dient te stellen waaruit dat opzet volgt. NVZ c.s. hebben nagelaten dergelijke concrete feiten en omstandigheden te stellen en aldus niet aan de op hun rustende stelplicht voldaan. Dit betekent dat het door NVZ c.s. gestelde en door Videma betwiste bedrog niet komt vast te staan en vordering sub 11 dient te worden afgewezen.
Dwaling (vordering sub 12)
4.43.
Vordering sub 12 strekt er toe dat in rechte wordt vastgesteld dat de door Videma met de NVZ-leden voor 2013 en/of 2014 met Videma gesloten overeenkomsten vernietigbaar zijn op grond van dwaling.
4.44.
Het verweer van Videma dat de vordering onvoldoende bepaald is, faalt op grond van hetgeen onder 4.40 is overwogen.
4.45.
Uit hetgeen onder 4.42 is overwogen volgt dat de NVZ-leden ook bij deze vordering slechts belang hebben indien komt vast te staan dat de door Videma voor 2013 en/of 2014 voor hen vastgestelde tarieven onbillijkheid en/of excessief zijn.
4.46.
Videma heeft aangevoerd dat ieder van de leden van NVZ op basis van de door Videma verstrekte informatie een eigen beslissing heeft genomen. Dit roept de vraag op of de betrokken belangen van de leden van NVZ zich, zoals onder artikel 3:305a BW is vereist, voor bundeling lenen, aangezien in het algemeen de vraag of bij een juiste voorstelling van zaken de individuele overeenkomsten niet zouden zijn gesloten, slechts individueel kan worden beantwoord. Voor bundeling van de belangen van de leden van NVZ is plaats indien en zover er – gelet op de diverse inlichtingen waarop de gestelde dwaling berust – sprake is van veralgemeniseerbare vragen die de rechter kan beantwoorden zonder acht te slaan op de individuele omstandigheden van die leden. Nu partijen zich daarover nog niet hebben uitgelaten, zal de rechtbank hen na ontvangst van het advies van de Geschillencommissie Auteursrechten daartoe in de gelegenheid stellen.
4.47.
Ieder verdere beslissing over deze vordering wordt aangehouden totdat de Geschillencommissie Auteursrechten haar advies heeft gegeven.
Misleiding ex artikel 6:194 BW (vordering 13)
4.48.
Vordering sub 13 strekt er toe dat in rechte wordt vastgesteld dat Videma de NVZ-leden heeft misleid in de zin van artikel 6:194 BW en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld.
4.49.
Ook hier heeft Videma het belang bij de vordering bestreden, zodat NVZ dat belang duidelijk dient te maken. NVZ c.s. stellen dat de NVZ-leden belang hebben bij de vaststelling omdat die een grondslag voor een schadevergoeding biedt en Videma kan aansporen haar gedrag in de toekomst aan te passen. NVZ c.s. kunnen hierin niet worden gevolgd omdat artikel 6:194 BW sinds 15 oktober 2008 alleen concurrenten beoogt te beschermen tegen de ongeoorloofde voorsprong die een bedrijfs- of beroepsgenoot zich poogt te verschaffen door misleidende mededelingen over zijn product aan het publiek en de NVZ-leden niet als een concurrent van Videma kunnen worden beschouwd.
4.50.
Op grond van het vorenstaande dient vordering sub 13 te worden afgewezen, zodat niet behoeft te worden ingegaan op het verweer van Videma dat de vordering onvoldoende bepaald is en het debat tussen partijen over het al dan niet misleidende karakter van de mededelingen van Videma.
Onjuiste en/of incomplete informatie (vordering sub 14)
4.51.
Vordering sub 14 strekt er toe dat in rechte wordt vastgesteld dat Videma onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens NVZ, althans de NVZ-leden, heeft gehandeld door hen van onjuiste en/of incomplete informatie te voorzien met betrekking tot:
- i.
het tarief voor 2013 en/of 2014,
- ii.
de wijze waarop dat tarief zich verhoudt tot buitenlandse tarieven,
- iii.
de afspraken tussen enerzijds VNO/NCW en MKB-Nederland en anderzijds de gezamenlijk cbo’s verenigd in Voi©e,
- iv.
de rol die zijzelf speelde en het handelen van NVZ.
4.52.
Voor de handelingen waarop deze vordering is gebaseerd verwijzen NVZ c.s. in het petitum naar het lichaam van de dagvaarding. De dagvaarding bevat onder het kopje “Videma heeft NVZ-leden misleid, althans onjuist geïnformeerd” (randnummers 137 t/m 159) een opsomming van de mededelingen die volgens NVZ onjuist en/of onvolledig zijn. Aldus is voldoende duidelijk op welke mededelingen van Videma de onderhavige vordering ziet. Dat dit ook voor Videma voldoende duidelijk is blijkt uit hetgeen Videma inhoudelijk ter verdediging daartegen heeft aangevoerd. Het verweer van Videma dat de vordering onvoldoende bepaald is, faalt derhalve.
4.53.
Videma betwist dat NVZ en/of haar leden een zelfstandig belang bij de vordering hebben. NVZ c.s. stellen dat het belang bij de vordering daarin is gelegen dat het een grondslag voor een schadevergoedingsactie biedt en Videma ook aanspoort haar gedrag in de toekomst aan te passen. Of dat belang – gelet op hetgeen overigens in deze procedure wordt beslist – aangenomen kan worden, kan gelet op het navolgende onbesproken blijven.
4.54.
Op NVZ c.s. rust de stelplicht en bewijslast van de onjuistheid en/of onvolledigheid van de mededelingen van Videma alsmede de gestelde onrechtmatigheid daarvan (art. 150 Rv).
4.55.
NVZ c.s. beroepen zich op een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die een algemene en onvoorwaardelijke verplichting behelst om geen onjuiste of onvolledige informatie te verstrekken, vindt geen steun in het recht. Het beroep dat NVZ c.s. in dit verband hebben gedaan op het (niet gepubliceerde) arrest dat het gerechtshof Den Haag op 10 juli 2008 heeft gewezen, faalt omdat dit arrest informatie over de geldende tarieven zelf betrof, zijnde evident andere informatie dan in de door NVZ gewraakte uitingen van Videma, zoals vermeld in de randnummers 139-157 van de dagvaarding. Indien en voor zover de onjuistheid en/of onvolledigheid van Videma afkomstige informatie komt vast te staan is derhalve daarmee niet zonder meer de onrechtmatigheid gegeven. Dat zal afhangen van de omstandigheden waaronder de betreffende informatie is verstrekt, in het bijzonder de wetenschap die Videma had of behoorde te hebben over de onjuistheid en/of onvolledigheid van de betreffende informatie en de voorzienbare nadelige gevolgen daarvan voor NVZ en/of haar leden, mede gelet op hun mogelijkheden om de informatie te verifiëren. Omtrent die wetenschap en voorzienbare nadelige gevolgen hebben NVZ c.s. niets gesteld.
4.56.
Uit het vorenstaande volgt dat NVZ c.s. ten aanzien van de door hen gestelde onrechtmatigheid van het handelen van Videma niet aan hun stelplicht hebben voldaan, zodat die onrechtmatigheid niet komt vast te staan. Dit leidt er reeds toe dat vordering sub 14 dient te worden afgewezen, zodat niet (nader) behoeft te worden ingegaan op de beweerdelijke onjuistheid en/of onvolledigheid van de door Videma verstrekte informatie en het zelfstandig belang van NVZ en haar leden bij de vordering.
Vordering sub 15
4.57.
Uit de afwijzingen van vorderingen sub 13 en 14 volgt dat vordering sub 15 als ongegrond dient te worden afgewezen, zodat niet behoeft te worden ingegaan op de door Videma bestreden ontvankelijkheid van NVZ op grond van artikel 3:305a BW.
Samenvatting en verdere voortgang van de procedure
4.58.
Samengevat leidt het vorenstaande tot het volgende.
4.59.
De vorderingen sub 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14 en 15 zullen bij het eindvonnis worden afgewezen.
4.60.
De Geschillencommissie Auteursrechten zal overeenkomstig artikel 24 van de Wet toezicht cbo’s in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over de hoogte van de door Videma over 2013 en 2014, althans over 2014, aan de leden van NVZ in rekening gebrachte vergoedingen.
4.61.
Uit de parlementaire geschiedenis van genoemd wetsartikel (Tweede Kamer, 2008-2009), 31 766, nr. 3, p. 38) blijkt dat het inschakelen van de Geschillencommissie Auteursrechten moet worden beschouwd als een deskundigenbericht als bedoeld in art. 194 Rv. Artikel 194 e.v. Rv zullen derhalve zoveel mogelijk overeenkomstig worden toegepast met in achtneming van de door de Geschillencommissie Auteursrechten in overleg met de Raad voor de Rechtspraak opgestelde procesbeschrijving.
4.62.
Op grond van artikel 2 van de Regeling aanwijzing geschillencommissie ex artikel 22 Wet toezicht cbo’s juncto artikel 25 lid 2 en artikel 14 lid 1 van het Reglement geschillencommissie auteursrechten zal de Geschillencommissie Auteursrechten zelf inlichtingen kunnen inwinnen indien zij dat noodzakelijk acht.
4.63.
Ingevolge de hoofdregel van artikel 195 Rv dient het voorschot op de kosten van het advies van de Geschillencommissie Auteursrechten door NVZ c.s. te worden gedeponeerd.
4.64.
De rechtbank is voornemens de volgende vragen aan de Geschillencommissie Auteursrechten voor te leggen:
1. Is de hoogte van de door Videma voor 2013 en 2014 voor de leden van NVZ vastgestelde tarieven voor
a) doorgifte van TV
b) vertoning van TV
c) voor vertoning van TV en video en doorgifte van TV (de all-in prijs)
en de op basis daarvan in rekening gebrachte vergoedingen over die jaren billijk?
Wilt u bij de beantwoording van deze vraag in ieder geval ingaan op het debat tussen partijen over:
- de in die jaren door Videma gehanteerde tarieven in vergelijkbare branches, zoals zorginstellingen, hotels, cafés en recreatiebedrijven,
- het verschil tussen de all-in prijs van 2012 en die van 2013 en 2014
- vergelijkbare tarieven in andere lidstaten van de EU,
- de aard en de omvang en de intensiteit van het gebruik.
2. Als er sprake is van verschillen ten opzichte van vergelijkbare branches zijn die dan gerechtvaardigd, bijvoorbeeld vanwege bestaande afspraken betreffende de branche en/of in het Pastorsoverleg gemaakte afspraken?
3. Als er sprake is van aanzienlijke verschillen met vergelijkbare tarieven in andere lidstaten van de EU zijn die dan gerechtvaardigd?
4. Indien en voor zover u zichzelf niet bevoegd acht om de voormelde vragen met betrekking tot de in (de eerste helft van) 2013 gehanteerde tarieven en in rekening gebrachte vergoedingen te beantwoorden, wilt u dan in ieder geval de vragen beantwoorden met betrekking tot de in het restant van de in vraag 1 vermelde periode gehanteerde tarieven en in rekening gebrachte vergoedingen?
5. Heeft u overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten (uitsluitend) over de aan de Geschillencommissie Auteursrechten voor te leggen vragen, zulks ten einde aanscherpingen en/of aanvullingen van die vragen voor te stellen. Hiertoe zal de zaak, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, naar de rol worden verwezen.
4.65.
Na ontvangst van het advies van de Geschillencommissie Auteursrechten zullen partijen zich bij de alsdan te nemen conclusie kunnen uitlaten als vermeld onder 4.24 en 4.46.
5. De beslissing
De rechtbank
verwijst de zaak naar de rol van 23 september 2015 voor een dan door ieder van partijen te nemen akte als bedoeld onder 4.64;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2015.
2515/2477/2066