De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board
Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.1:IV.1 Inleiding
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.1
IV.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242916:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk stond ik stil bij de invoering van het monistische bestuursmodel. Ik concludeerde dat de instelling van de one tier board op grond van art. 2:129a/239a lid 1 BW een statutaire basis vergt. De statuten moeten ten minste bepalen dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer uitvoerende bestuurders en één of meer niet-uitvoerende bestuurders. Dat de statuten conform art. 2:129a/239a lid 1 BW een grondslag bieden, betekent niet dat het monistische bestuursmodel functioneel is. Daartoe is vereist dat de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders als zodanig worden benoemd.
In dit hoofdstuk staat de rechtspositie van de niet-uitvoerende bestuurder centraal. In de eerste paragraaf ga ik in op de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder. Daarna besteed ik aandacht aan zijn persoonlijke aanstelling en bezoldiging. In § IV.4 komt de schorsing en het ontslag van de niet-uitvoerende bestuurder aan de orde. Vervolgens analyseer ik de rol van de ondernemingsraad bij deze aangelegenheden. In § IV.6 sluit ik af met een synthese.