Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/20.2.3.3
20.2.3.3 De ingeperkte mogelijkheden voor verlenging en ontheffing in het licht van de doelstellingen van de publicatieverplichtingen
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS577882:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit geldt tot op zekere hoogte ook indien in die situatie de Minister van Economische Zaken om ontheffing van de opmaak-, danwel publicatieplicht, zou worden verzocht om gewichtige redenen.
Een recente uitzondering is het verlenen van uitstel door de AvA van Koninklijke Ahold N.V. voor het opstellen en publiceren van de jaarrekening over boekjaar 2002.
Doorgaans ingevolge art. 5:25i, lid 2 Wft.
Beide situaties zullen doorgaans (kunnen) meebrengen dat voor banken en andere schuldeisers van de beursvennootschap directe opeisbaarheid van verplichtingen uit (financierings) overeenkomsten ontstaat. Ook in dat opzicht doet het ontbreken van een uitstel — of ontheffingsmogelijkheid weinig afbreuk. In deze 'bestraffing' door de markt is, zoals ik § 2.3.1 schreef, (mede) een reden gelegen waarom met het opleggen van een bestuurlijke boete voor schending van de publicatieplicht kan worden volstaan en oplegging van een last onder dwangsom achterwege dient te blijven.
Daarmee wil ik niet verhullen dat de bestuurder van een beursvennootschap door schending van publicatieverplichtingen in een bepaald nadelige positie kan komen te verkeren. Zo kan aansprakelijkheid uit hoofde van 2:138 BW ontstaan. Terecht is door Kroeze/Wezeman (2006) reeds betoogd dat de koppeling tussen 2:138 en 2:394 BW moet worden geschrapt. Ook kan sinds de inwerkingtreding van de zogenoemde 'Vierde tranche Awb'op 1 juli 2009 de bestuurder op grond van art. 5:1, lid 3, Awb persoonlijk worden beboet of een last worden opgelegd voor overtreding van art. 5:25c (en 5:25d en 5:25e) lid 1, Wft. Hierover Roth (2008).
De Jong/Nieuwe Weme (2006), p. 70.
In die zin De Jong/Nieuwe Weme (2006), p. 70. Omdat, zo vervolgen zij, dan duidelijk is dat een strafrechtelijke vervolging geen kans van slagen zal hebben. Dat sluit niet uit dat wel (de dreiging van) civielrechtelijke procedures blijft bestaan.
De implementatie van de Transparantierichtlijn in de Nederlandse wetgeving heeft geleid tot een uitdrukkelijke inperking van de mogelijkheid van de AvA van beursvennootschappen om (aan het bestuur van de vennootschap) verlenging te verlenen van de termijn voor het opmaken — en als gevolg daarvan — publiceren van de jaarrekening. Deze inperking is vanuit de doelstelling van de publicatieverplichtingen terecht en goed te verklaren. Met name de — theoretische mogelijkheid dat in een beursvennootschap met een controlerend aandeelhouder zou kunnen worden besloten tot verlenging van de opmaaktermijn, en daarmee tot publicatie van de jaarlijkse financiële verslaggeving op een later moment, zou tot onwenselijke situaties kunnen leiden. Ook de mogelijkheid voor verlening door de Minister van Economische Zaken van ontheffing van de opmaakplicht — en naar moet worden aangenomen — de publicatieplicht voor beursvennootschappen, is door de implementatie van de Transparantierichtlijn uitdrukkelijk ingeperkt. Hiervoor geldt evenzeer dat die mogelijkheid zich slecht verhield met de doelstellingen die aan de publicatieverplichtingen ten grondslag liggen.
Het uitblijven van — aangekondigde — publicatie van de jaarlijkse financiële verslaggeving is met het oog op het waarborgen van een adequate werking van de effectenmarkt niet wenselijk. Niet alleen leidt dit tot vergroting van de kosten om tot accurate prijsvorming te komen. Belangrijker, mijns inziens, is dat het verlenen van een uitstel of ontheffing afbreuk doet aan het vertrouwen van investeerders dát de voor de werking van de effectenmarkt benodigde informatie door beursvennootschappen wordt gepubliceerd. Bezien vanuit het gezichtspunt dat door deze publicatieverplichtingen "agency-problemen" binnen beursvennootschappen worden tegengegaan, is de inperking van de mogelijkheid tot verlenen van uitstel of ontheffing van de publicatieplicht eveneens toe te juichen. Voorkomen wordt dat in een situatie waarbij binnen de beursvennootschap sprake is van een verschil in zienswijze tussen bestuurders en één of meer aandeelhoudersgroeperingen, de mogelijkheid bestaat dat publicatie van voor dergelijke "principal-agent" conflicten relevante informatie uitblijft.1 Ter nuancering van het voorgaande merk ik overigens op dat in de praktijk beursvennootschappen maar hoogst zelden een beroep doen, of deden, op de uitstel- en ontheffingsmogelijkheden.2 De gevolgen van uitstel van publicatie door beursvennootschappen, in de zin van een — te verwachten — zeer negatieve invloed op de beurskoers, zijn daarvoor te groot. Enerzijds mag daarom verwacht worden dat in de praktijk de aanpassingen in art. 2:101 BW als gevolg van de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn niet tot grote veranderingen leiden. Dat, in dit licht, nu ook in zeer uitzonderlijke omstandigheden niet meer de mogelijkheid bestaat tot het verlenen van uitstel of ontheffing van de verplichting om de jaarrekening te publiceren, zal anderzijds evenmin tot problemen hoeven leiden. Mocht zich een uitzonderlijke, "Aholdachtige" situatie voordoen waarin niet tijdig de jaarrekening kan worden opgesteld, danwel gepubliceerd, dan zal de beursvennootschap dat door middel van een persbericht onverwijld moeten aankondigen.3 Weliswaar zal dit doorgaans door de markt worden afgestraft — maar dat geldt eveneens indien nog een uitstel- of ontheffingsmogelijkheid zou bestaan en daarop een beroep zou worden gedaan.4 Dat de inperking van de mogelijkheden tot het verlenen van uitstel of ontheffing van de publicatieplicht ertoe kan leiden dat de positie van bestuurders van de beursvennootschap een nadelige wordt, lijkt mij onvoldoende rechtvaardiging om af te zien van inperking.5 Voor de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing werd daarbij bovendien reeds — terecht — verdedigd dat sprake moet zijn van "omstandigheden die in overwegende mate buiten de invloedssfeer van de vennootschap liggen."6 Daaraan werd toegevoegd dat voor "evidente overmachtsituaties" dat strikt genomen geen ontheffing vereist is.7 Voor situaties waarin aan die vereisten niet wordt voldaan, kan de vraag worden opgeworpen of het bestaan van een ontheffingsmogelijkheid wel zo wenselijk is geweest.