Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/5.6.1.3
5.6.1.3 Eigen schuld van derde
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS305345:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In het hierna te bespreken vonnis Van Lanschot/KPMG (RB Amsterdam, 9 juni 1999, JOR 1999/195) overweegt de rechtbank dat derden er op moeten kunnen vertrouwen dat de van een goedkeurende verklaring voorziene jaarrekening een zodanig inzicht geeft -volgens de normen die in het maatschappelijk verkeer gelden- dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en resultaat van de vennootschap per balansdatum. De overweging is in lijn met het Vie d’Or arrest.
Rb Amsterdam, 9 juni 1999, JOR 1999/195, Gerechtshof Amsterdam 6 februari 2003, JOR 2003/93 (Van Lanschot/KPMG).
De overweging is in lijn met het Vie d’Or arrest.
Beckman (2006), p. 16 e.v.
Beckman (1991), p. 48.
Hijink (2013), p. 863.
Gerechtshof Amsterdam, 5 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2681, r.o. 3.21.
Volgens het Vie d’ Or arrest moeten derden hun gedrag kunnen afstemmen op de informatie zoals deze door openbaarmaking van de jaarrekening en een goedkeurende verklaring naar buiten komt (zie paragraaf 4.3.2.2 voor een kanttekening bij deze formulering). Derden moeten bij het nemen of handhaven van hun (financiële) beslissingen erop kunnen vertrouwen dat het gepresenteerde beeld niet misleidend is.1 Derden hebben echter mijns inziens wel een onderzoeksplicht en dientengevolge kan er sprake zijn van eigen schuld van de derde. De onderzoeksplicht volgt uit het Van Lanschot/KPMG arrest.2 In de casuspositie die ten grondslag ligt aan het arrest heeft de accountant ten onrechte een goedkeurende verklaring afgegeven voor de jaarrekeningen over 1989 en 1990. Van Lanschot stelde dat zij op basis van de jaarrekeningen en de goedkeurende verklaringen over 1989 en 1990 de beslissing had genomen tot het aangaan en voortzetten van een kredietrelatie met de vennootschap in kwestie. De rechtbank overweegt:3 ‘Hoewel [accountant] c.s. tegenover derden hebben in te staan voor betrouwbaarheid van hun controlewerkzaamheden binnen de daaraan door de wetgever gestelde eisen en naar de maatstaven van redelijk bekwame en redelijk handelende accountants, behoeven zij niet te voorzien dat een erkende bankinstelling als Van Lanschot uitsluitend, althans voornamelijk afgaande op de jaarrekening 1989, ongeveer tien maanden na afsluiting van het betreffende boekjaar en ongeveer 3 maanden nadat de accountant zijn goedkeurende verklaring heeft gegeven, zonder nader eigen onderzoek naar de kredietwaardigheid aan een bedrijf in opbouw met een product waarvan bekend is dat zowel het product zelf als de markt ervoor nog in belangrijke mate in ontwikkeling is, een krediet verleent van ƒ 16.000.000,=. Van Lanschot moet de verwijten voor het door haar gestelde verlies daarom zoeken in haar eigen organisatie. De gestelde schade is een gevolg van eigen schuld aan hetgeen haar, naar zij stelt, is overkomen’. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank door te overwegen dat in de gegeven omstandigheden van de bank ten minste kon en mocht worden gevergd dat zij enig eigen onderzoek naar de (financiële) positie van de vennootschap in kwestie uitvoerde of liet uitvoeren. Het hof acht het nalaten van eigen deugdelijk onderzoek bij de beslissing om tot kredietverstrekking over te gaan in dit geval dermate lichtvaardig dat de door de bank gestelde schade aan haar eigen schuld is te wijten. In de gegeven omstandigheden vormt het nalaten van eigen onderzoek een belangrijke bijdrage tot het ontstaan van de schade. Er is onvoldoende grond om hetzelfde te zeggen van de tekortkomingen in de accountantsverklaringen van de vennootschap in kwestie. De nalatigheid van de bank acht het hof voorts van een zodanige ernst dat de fout van de accountant daarbij in het niet valt. Onder deze omstandigheden vereist de billijkheid dat de vergoedingsplicht van de accountant volledig vervalt.
Het Van Lanschot/KPMG arrest heeft betrekking op een ‘erkende bankinstelling’, hetgeen de vraag oproept of een onderzoeksplicht ook aan de orde kan zijn bij andere derden. Mijns inziens kan een onderzoeksplicht voor alle derden aan de orde zijn. Voor alle derden geldt immers dat een goedkeurende verklaring (slechts) wil zeggen dat de accountant tot de conclusie komt dat de financiële overzichten in alle van materieel belang zijnde opzichten zijn opgesteld in overeenstemming met het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving. Een onderzoeksplicht zal naar mijn idee wel sneller worden aangenomen, indien de derde een deskundige of professional is.
Beckman4 kan zich niet vinden in de eis van ‘zelfonderzoek’. Naar zijn mening is het niet zo makkelijk om op basis van de jaarrekeningen zelfstandig eigen onderzoek te doen naar de kwaliteit van de jaarrekening zelf. Hij ziet niet in waarom een bank er niet op zou mogen vertrouwen ‘dat de jaarrekening voldoet aan Titel 9 Boek 2 BW indien een goedkeurende verklaring daarbij is afgegeven’. Beckman5 heeft in eerdere literatuur in dit verband echter wel opgemerkt: ‘Van belang is of in het kader van het doel waarvoor de jaarrekening en/of accountantsverklaring werd gebruikt, het toereikend was om geheel, of in belangrijke mate op de financiële informative in de jaarrekening en/of accountantsverklaring te steunen. Zo zal bijvoorbeeld het over-wegend gebruik van een acht maanden oude jaarrekening bij de beslissing tot het verstrekken van een lening door een bank voor een dergelijke kredietverlening geen deugdelijke grondslag opleveren’.
Hijink6 stelt dat bij de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag een belangrijke rol dient te spelen of de derde zich voor het nemen van zijn beslissingen op de jaarrekening en de daarbij gevoegde accountantsverklaring (waaronder de door de controlerend accountant verrichte controlewerkzaamheden) kon baseren, en zo ja, in welke mate. Daarbij is van belang dat de jaarrekening niet altijd (vaak zelfs niet) de functie heeft om aan de hand van de jaarrekening tal van investeringsbeslissingen te nemen. De jaarrekening is hier ook niet per definitie geschikt voor. ‘Als gevolg daarvan, zo al de horde van aansprakelijkheid van de controlerend accountant wordt genomen, [zouden] doorgaans correcties ingevolge artikel 6:101 BW [.] moeten volgen’. Ik deel de mening van Hijink. Mijns inziens volgt dit standpunt ook uit het Heli Holding7arrest, waarin het hof uitgaat van de mogelijkheid van een eigen schuld verweer, maar ‘geen voldoende duidelijk en gemotiveerd beroep op eigen schuld’ heeft aangetroffen in de processtukken.