Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.II.B.2
2. Historie
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS479852:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Aldus D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 20.
Zie tevens onderdeel C van het vorige hoofdstuk.
Resolutie van 21 april 1972, nr. B72/5399, RBR-18.
Zie omtrent art. 7 Rvkw 1954 uitgebreid grenspost 1, hfdst I, onderdeel F.3.
Aldus GG. van Huls, ‘Enige fiscale aspecten van de ruilverkavelings-overeenkomst’, p. 278-279.
Kamerstukken II 1936/1937, 210, nr. 6, p. 45. Zie grenspost 1, hfdst. I, onderdeel E3.
Zoals hierna in onderdeel C.5 zal blijken, zijn er veel overeenkomsten tussen de huidige situatie in fiscalibus en de situatie onder vigeur van de tweede ruilverkavelingswet.
Zie grenspost 1, hfdst I, onderdelen F.3 en G.6.h.
O.a. bij de wetten van 24 maart 1977 (Stb. 1977, 233), 23 november 1977 (Stb. 1977, 694), 9 mei 1985 (Stb. 1985, 299), 24 december 1986 (Stb. 1986, 667) en 6 december 1995 (Stb. 1995, 588).
De WILG is aan de wettekst toegevoegd bij de wet van 31 januari 2002 (Stb. 2002, 116).
Deze twee wetten zijn in 1977, op 24 maart 1977 (Stb. 1977, 233) en op 23 november 1977 (Stb. 1977, 694) aan de wettekst toegevoegd.
De RCC is toegevoegd bij de wet van 31 januari 2002 (Stb. 2002, 116). Zie nader grenspost 1, hfdst. II, onderdeel A.l.b.
Zie KB 30 september 1985, Stb. 523.
Zo blijkt uit navraag bij de heer mr. H.J.W. Leenen, senior juridisch adviseur DLG regio Oost.
Zie in dit kader uitgebreid H.W. Mojet, ‘Landinrichting in de WILG en het overgangsrecht bij projecten’. Zie tevens grenspost 1, hfdst. II, onderdeel A.5, alsmede H.J.W. Leenen, ‘De Wet inrichting landelijk gebied; Decentraal wat kan, centraal wat moet’, p. 578.
Zie het Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 27 januari 2014, nr. DGNR- PDJNG/14001844, houdende wijziging van de Regeling herverkaveling in verband met de ruilverkaveling Over-Betuwe-Oost, de herinrichting Haren en de ruilverkaveling Rijssen; blok Rijssen- West. Zie tevens http://www.kadaster.nl/web/Nieuws/Bericht/Gronden-geruild~in-Over-Betuwe-Oost.htm, datum inzage 28 januari 2014.
Aldus de heer mr. ing. J. Heinen, senior adviseur juridische zaken DLG en de heer mr. H.J.W. Leenen, senior juridisch adviseur DLG regio Oost.
Stb. 2009, 550.
Kamerstukken II 2008/2009, 31809, nr. 3, p. 3.
Zie nt. 75.
Bij de hercodificatie van de diverse vrijstellingen in (o.m.) art. 15, lid 1, onderdeel 1, WBR in 1970 zijn tevens een aantal vrijstellingen uit op dat moment niet meer actueel zijnde wettelijke regelingen (o.a. de Herverkavelingswet Walcheren, de Herverkavelingswet Noodgebieden en de Wet op de Materiële Oorlogsschaden) niet in de wettekst van (het nieuwe) onderdeel 1 opgenomen. Zie Kamerstukken II 1969/1970, 10560, nr. 3, p. 28.
Stct. 2006/249. Zie tevens H.W. Mojet, ‘Landinrichting in de WILG en het overgangsrecht bij projecten’, p. 285.
De (fiscale) vrijstelling voor verkrijgingen krachtens landinrichting vindt zijn oorsprong reeds vóór de totstandkoming van de WBR in 1970.1 Een vrijstelling van registratie- en zegelrecht was opgenomen in respectievelijk artikel 89 van de Ruilverkavelingswet 1924, artikel 101 van de Ruilverkavelingswet 1938 en artikel 128 van de Ruilverkavelingswet 1954.2 In de tot 12 november 2004 geldende paragraaf 34, lid 2 van de Toelichting WBR3 was goedgekeurd dat de vrijstelling ook wordt toegepast op verkrijgingen krachtens een ruilverkaveling bij overeenkomst op grond van de Ruilverkavelingswet 1954 en later de Landinrichtingswet. De tekst van de regeling luidde als volgt:
Art. 15(1)1 verleent vrijstelling van overdrachtsbelasting voor verkrijgingen krachtens de Ruilverkavelingswet 1954. Deze vrijstelling is in de plaats getreden van die welke was opgenomen in art. 128 van laatstgenoemde wet. Zij zal dus in de eerste plaats toepassing vinden op verkrijging van onroerend goed ingevolge de in titel III van die wet geregelde ruilverkavelingen uit kracht van de wet.
In het voetspoor van P.W. nr. 14227 wordt voorts goedgekeurd, dat de vrijstelling eveneens wordt toegepast ten aanzien van verkrijgingen krachtens een ruilverkavelingsovereenkomst waarbij op de voet van art. 7 Ruilverkavelingswet 1954 bepalingen van de derde titel van die wet toepasselijk zijn verklaard.”
Indien het in lid 2 genoemde ‘beding’4 niet in de ruilverkavelingsovereenkomst was opgenomen, waren alle voor heffing van zegelrecht in aanmerking komende stukken aan dat recht onderworpen en moesten voor de inschrijving van de akte, houdende de ruilverkavelingsovereenkomst en van de akte van toedeling de verschuldigde rechten worden betaald en was de akte van toedeling onderworpen aan het evenredig recht van registratie.5 De goedkeuring van de minister van Landbouw en Visserij, de Centrale Cultuurtechnische Commissie gehoord hebbende, was dus een voorwaarde voor de fiscale facilitering van de kavelruil: zonder ministeriële goedkeuring geen fiscale vrijstelling, zo luidde het devies. Deze gedachte dat niet iedere ruilverkavelingsovereenkomst in aanmerking zou moeten komen voor de fiscale vrijstelling was niet nieuw: ook binnen de kaders van de Ruilverkavelingswet 1938 was men in beginsel niet voornemens iedere ruilverkaveling bij overeenkomst ook fiscaal te faciliteren. In de parlementaire geschiedenis is namelijk het volgende te lezen:
“Op de eerste plaats zal, zooals de Commissie terecht opmerkt, dienen te worden voorkomen, dat men ter ontduiking van zegel- of registratierecht een ruiling giet in den vorm van een ruilverkaveling.”6
Er moest dus gewaakt worden voor het ‘vermommen’ van een (niet-vrijgestelde) ruiling tot een (vrijgestelde) ruilverkaveling. Desalniettemin is in de wettekst van artikel 101 Ruilverkavelingswet 1938 geen beperkende voorwaarde ten aanzien van de fiscaliteit opgenomen. Ook bestond er geen document zoals de Toelichting WBR uit 1972, waarin nadere eisen werden gesteld aan de fiscale behandeling van ruilverkavelingen bij overeenkomst.7
Sinds de totstandkoming van de WBR gold, net als op grond van de Toelichting WBR voor de registratie- en zegelbeiasting het geval was, de vrijstelling van overdrachtsbelasting enkel voor verkrijgingen krachtens een door de DLG goedgekeurde kavelruil. Goedkeuring door de DLG was dus een essentieel vereiste en leverde dus niet alleen volledige subsidiëring van de notaris- en kadasterkosten op, 8 maar ook de vrijstelling van overdrachtsbelasting.
De tekst van de vrijstelling is sinds 1970 diverse malen gewijzigd.9 Behalve voor verkrijgingen krachtens de Landinrichtingswet en, sinds 1 januari 2007, de WILG10 gold en geldt de vrijstelling ook voor verkrijgingen krachtens de Reconstructiewet Midden-Delfland, de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën11 en de Reconstructiewet concentratiegebieden.12 Bij de invoering van de Landinrichtingswet op 15 november 1985 werd de Ruilverkavelingswet 1954 ingetrokken.
Toch staat deze wet nog steeds genoemd in artikel 15, lid 1, onderdeel 1. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat ruilverkavelingen die op 15 november 1985 in het eindstadium verkeerden, werden afgerond volgens de Ruilverkavelingswet 1954. Het betrof hier tien met name genoemde ruilverkavelingen.13 Deze projecten zijn echter reeds geruime tijd geleden afgerond.14
Hetzelfde geldt ten aanzien van de invoering van de WILG en de intrekking van de Landinrichtingswet.15 Er zijn thans nog landinrichtingsprojecten in uitvoering onder het regime van de Landinrichtingswet 1985. Deze projecten zijn echter wel de fase van het plan van toedeling gepasseerd. De laatste akte van toedeling onder de landinrichtingswet is op 14 februari 2013 gepasseerd in het landinrichtingsproject ‘ruilverkaveling Over-Betuwe-Oost’.16 Er lopen in de regio’s Zuid, Oost en Noord van ons land per 1 januari 2014 nog vijftien projecten waar de lijst der geldelijke regelingen conform de Landinrichtingswet 1985 nog vastgesteld moet worden, te weten de projecten Appingedam-Delfzijl, Lutjegast-Doezum, Haren, Midden-Groningen Blok 1 en Midden- Groningen Blok 2 in de provincie Groningen, de projecten Baarderadeel en Doniawer- stal in de provincie Fryslân, het project Laaghalen in de provincie Drenthe, de projecten Rijssen, Blok Notter-Zuna, Rijssen, Blok Rijssen-West en Noord-West Overijssel, Blok Rond de Weerribben in de provincie Overijssel, het project De Hilver in de provincie Noord-Brabant, het project Centraal Plateau in de provincie Limburg en de projecten Land van Maas en Waal en het hiervoor vermelde project Over-Betuwe-Oost in de provincie Gelderland.17
De Reconstructiewet Midden-Delfland en de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën zijn per 1 juli 2010 ingetrokken.18 Uit de Memorie van Toelichting blijkt de reden voor intrekking:
“In het kader van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb. 1977, 694) en de Reconstructiewet Midden-Delfland (Stb. 1977, 233) zijn de herinrichtingscommissie Oost- Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (hierna: herinrichtingscommissie) en de reconstructie- commissie Midden-Delfland (hierna: reconstructiecommissie) in het leven geroepen. De herinrichtingscommissie en de reconstructiecommissie vallen beiden onder de definitie van zelfstandig bestuursorgaan van de Kaderwet zbo. Echter, gezien het vergevorderde stadium waarin de herinrichting van Oost- Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën en de reconstructie van Midden-Delfland zich bevinden, heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in de bijlage bij de eerdergenoemde brief van 21 januari 2008 reeds aangekondigd de herinrichtingcommissie en de reconstructiecommissie niet in overeenstemming met de Kaderwet ZBO te zullen brengen en aangekondigd een voorstel te doen om de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën en de Reconstructiewet Midden- Delfland in te trekken.
In de artikelen VI en VII wordt hieraan uitvoering gegeven. Er zijn echter op grond van beide wetten nog activiteiten, maatregelen en projecten die moeten worden afgerond. De uitvoering van het plan van voorzieningen voor Midden-Delfland bevindt zich in de laatste fase. Verwacht wordt dat de bezwarenbehandeling van de lijst der geldelijke regeling begin 2009 is afgerond. De verschillende blokken die op grond van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën heringericht worden, bevinden zich in het stadium van de akte van toedeling dan wel in het stadium van de lijst der geldelijke regelingen. Om de afronding van de verschillende activiteiten, maatregelen en projecten soepel te laten verlopen, is in artikel VIII overgangsrecht opgenomen. De bij of krachtens de Herinrichtingswet Oost- Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën en Reconstructiewet Midden-Delfland gestelde regels blijven van toepassing op de uitvoering van het herinrichtingsplan, bedoeld in artikel 20 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, respectievelijk op de uitvoering van het plan van voorzieningen, bedoeld in artikel 39 van de Reconstructiewet Midden-Delfland. Voor de goede uitvoering van het herinrichtingsplan dan wel van het plan van voorzieningen kunnen zo nodig bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.”19
De reconstructie van Midden-Delfland is inmiddels volledig afgerond. Aan de reconstructiecommissie is op 12 oktober 2012 décharge verleend. De projecten inzake de Herinrichtingswet, te weten de projecten Oude Veenkoloniën, Blok III Gieterveen- Eexterveen en Oude Veenkoloniën, Blok IV Hoogezand, bevinden zich in een laatste, afrondende fase. Ook hier betreft het de laatste ‘stuiptrekkingen’ in het kader van de lijst geldelijke regelingen.20
Gezien bovenstaande constateringen en actualiteiten zou ik de wetgever willen adviseren om de wettekst van artikel 15, lid 1, onderdeel 1, WBR aan te passen en de verwijzingen naar de Ruilverkavelingswet 1954 en de Reconstructiewet Midden-Delfland te schrappen. Dit komt de leesbaarheid van de wettekst zeker ten goede. Indien en zodra de projecten op grond van de Landinrichtingswet en de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën zullen zijn afgerond, kan ook de verwijzing naar deze beide wetten worden geschrapt.21
De verwijzing naar de Reconstructiewet concentratiegebieden dient (voorlopig) wel te worden gehandhaafd, aangezien er op basis van deze wet nog steeds diverse projecten worden uitgevoerd. Bij de Regeling overgangsbepalingen Reconstructiewet concentratiegebieden zijn nadere regels gegeven voor de overgang van landinrichtingsprojecten van de Landinrichtingswet naar de Reconstructiewet concentratiegebieden.22 In artikel 1, lid 1 van deze Regeling is bepaald dat landinrichtingsprojecten die in een reconstructiegebied in voorbereiding of in uitvoering zijn, voor zover ten aanzien van deze projecten nog geen regels voor het plan van toedeling, bedoeld in artikel 195 van de Landinrichtingswet zijn vastgesteld, volgens de procedure van de Reconstructiewet worden uitgevoerd. Voorts heeft de inwerkingtreding van de WILG ertoe geleid dat de gehele herverkavelingsparagraaf uit de WILG van toepassing is verklaard op het ruilproces als voorzien in een reconstructieplan of uitwerkingsplan, zo zagen wij reeds in grenspost 1, hoofdstuk II, onderdeel A.1.b. Daarmee is evenwel de wet niet ingetrokken of buiten werking gesteld. De verwijzing naar de RCC in artikel 15, lid 1, onderdeel l, WBR, is derhalve nog steeds actueel.