Hof Den Haag, 03-06-2025, nr. 200.324.415/01
ECLI:NL:GHDHA:2025:1261, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
03-06-2025
- Zaaknummer
200.324.415/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2025:1261, Uitspraak, Hof Den Haag, 03‑06‑2025; (Hoger beroep)
Herstelde arrest: ECLI:NL:GHDHA:2025:1242
ECLI:NL:GHDHA:2025:1242, Uitspraak, Hof Den Haag, 28‑01‑2025; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2022:8343, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Herstelarrest: ECLI:NL:GHDHA:2025:1261
Uitspraak 03‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Herstelarrest.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.324.415/01Zaak- / rolnummer rechtbank : C/09/611037 HA ZA 21-400
beslissing van 3 juni 2025
in de zaak van
[appellant] ,
[appellante],
beiden wonend in [woonplaats],
appellanten,
advocaat: mr. A.A.M. Knol, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[verweerder],
wonend in [woonplaats],
verweerder,
advocaat: voorheen mr. H. Eijer, kantoorhoudend in Zoetermeer (onttrokken).
Het hof heeft op 28 januari 2025 in bovengenoemde zaak arrest gewezen.
Het hof heeft kennis genomen van het verzoek van mr. Knol, bij H16 formulier van 17 februari 2025, om aan de voornamen van appellanten als vermeld in de kop van het arrest, de voornamen van appellanten vermeld in de memorie van grieven toe te voegen.
Het hof heeft, nu mr. Eijer geschrapt is als advocaat, het (voormalig) kantoor van mr. Eijer verzocht het bericht waarmee [verweerder] in de gelegenheid werd gesteld om op het verzoek te reageren, door te sturen aan [verweerder]. Daarop is geen reactie ontvangen.
Het hof zal het verzoek toewijzen. Daartoe overweegt het hof dat het niet vermelden van alle voornamen van appellanten als een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 Rv kan worden aangemerkt, die zich leent voor eenvoudig herstel. Waar in de appeldagvaarding alleen de eerste voornaam van appellanten is opgenomen staan in de partijaanduiding in de memorie van grieven twee respectievelijk drie voornamen. Die voornamen komen overeen met de voornamen opgenomen in de partijaanduiding in de memorie van antwoord en komen eveneens overeen met de op verzoek van het hof door mr. Knol overgelegde uittreksels basisregistratie personen met betrekking tot appellanten.
Beslissing
Het hof:
herstelt het tussen partijen gewezen arrest van 28 januari 2025 in dier voege dat de vermelding van de namen van appellanten op de eerste pagina daarvan:
“ 1. [appellant],
2. [appellante],”
komt te luiden
“ 1. [appellant],
2. [appellante],”
Deze verbetering wordt aangebracht op de minuut en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2025.
Voor het overige blijft het arrest, ook wat betreft de datum van uitspraak, geheel in stand.
Deze beslissing is gegeven door mrs. P. Volker, J.M.T. van der Hoeven-Oud en R.W. Polak.
Uitspraak 28‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige daad - bestuurdersaansprakelijkheid.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.324.415/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/611037 HA ZA 21-400
Arrest van 28 januari 2025
in de zaak van
1. [appellant] ,
2. [appellante],
beiden wonend in [woonplaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. A.A.M. Knol, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[verweerder] ,
wonend in [woonplaats] ,
verweerder,
advocaat: voorheen mr. H. Eijer, kantoorhoudend in Zoetermeer (onttrokken).
Het hof zal partijen hierna [appellant] c.s. en [verweerder] noemen.
1. De zaak in het kort
[verweerder] is de (indirecte) bestuurder van [verweerder] Bouw B.V. [appellant] c.s. heeft een aanneemovereenkomst gesloten met [verweerder] Bouw B.V. tot het verrichten van renovatiewerkzaamheden De rechtbank heeft [verweerder] Bouw B.V. veroordeeld tot terugbetaling van een gedeelte van de aanneemsom, omdat een deel van de renovatiewerkzaamheden niet is uitgevoerd. In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of [appellant] c.s. naast [verweerder] Bouw B.V. ook [verweerder] in privé kan aanspreken voor dat bedrag.
2. Procesverloop in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- -
de dagvaarding van 25 november 2022, waarmee [appellant] c.s. in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2022;
- -
het arrest van dit hof van 13 juni 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden);
- -
de memorie van grieven van [appellant] c.s., met bijlagen;
- -
de memorie van antwoord van [verweerder] , met bijlagen.
2.2
Bij H2 formulier van 17 september 2024 heeft mr. Eijer laten weten zich te hebben onttrokken als advocaat van [verweerder] . Uit het formulier volgt dat [verweerder] daarover schriftelijk is geïnformeerd en is gewezen op de gevolgen.
2.3
Bij e-mail van 19 september 2024 heeft het hof aan mr. Eijer verzocht [verweerder] mee te delen dat de op 1 oktober 2024 geplande zitting doorgang zou vinden en dat hij, [verweerder] , ter zitting zelf het woord mocht voeren. Mr. Eijer heeft [verweerder] hier bij e-mail van 19 september 2024 van op de hoogte gesteld, onder toezending van de hiervoor genoemde e-mail van het hof.
2.4
Op 1 oktober 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaat van [appellant] c.s. heeft de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die hij heeft overgelegd. [verweerder] was niet aanwezig.
2.5
Bij e-mail van 2 oktober 2024 heeft het hof mr. Eijer laten weten dat [verweerder] niet ter zitting is verschenen en mr. Eijer verzocht om het hof in verband daarmee te laten weten op welke wijze hij de heer [verweerder] van het doorgaan van de zitting op de hoogte heeft gesteld en – indien dat schriftelijk was – of [verweerder] daarop heeft gereageerd. In reactie daarop heeft mr. Eijer aan het hof zijn e-mail van 19 september 2024 (zie 2.3 hierboven) aan [verweerder] doorgestuurd, en daaraan toegevoegd dat [verweerder] over deze e-mail telefonisch contact met hem heeft opgenomen.
2.6
Het hof concludeert op grond van het bovenstaande dat [verweerder] ervan op de hoogte was dat de zitting doorgang zou vinden en dat hij daar zelf het woord kon voeren, maar ervoor heeft gekozen dat niet te doen.
3. Feitelijke achtergrond
3.1
De rechtbank heeft in het vonnis onder 2 (2.1 t/m 2.11) een aantal feiten vermeld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn tussen partijen niet in geschil en dienen daarom ook het hof tot uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.2
[verweerder] Bouw B.V. is een besloten vennootschap actief in de bouw, die is opgericht op 9 juli 2020. [verweerder] is via [verweerder] Beheer B.V. indirect aandeelhouder en bestuurder.
3.3
[appellant] c.s. heeft [verweerder] Bouw B.V. in augustus 2020 opdracht gegeven een woning in de [straat] in [stad] (hierna: de woning) te renoveren door de offerte van [verweerder] Bouw B.V. van 7 augustus 2020 (de offerte) voor akkoord te ondertekenen. De aanneemsom bedroeg € 155.963,30 exclusief btw (€ 170.000 inclusief btw).
3.4
In de offerte is vermeld:
‘Start: 14 september 2020
Oplevering: 15 december 2020
Betalingscondities: 14 september 2020; 20 % opdrachtverlening.
14 september 2020: 30 % aanvang werkzaamheden,
Halverwege project: 30 %,
Afronding project: 20 %.’
3.5
Eind september 2020 is [verweerder] Bouw B.V. met de opgedragen renovatiewerkzaamheden gestart, nadat eerst een derde partij het oude dak van de woning, dat asbest bevatte, had verwijderd.
3.6
[verweerder] Bouw B.V. heeft [appellant] c.s. de volgende facturen gestuurd:
- factuur van 26 augustus 2020 (deelbetaling opdrachtverlening) € 10.000
- factuur van 10 september 2020 (20% opdrachtverlening) € 24.000
- factuur van 10 september 2020 (30 % aanvang werkzaamheden) € 51.000
- factuur van 27 oktober 2020 (halverwege project 30 %) € 51.000.
3.7
[appellant] c.s. heeft de eerste drie facturen betaald, in totaal € 85.000. Over de betaling van de vierde factuur van 27 oktober 2020, met vervaldatum 30 oktober 2020, is tussen partijen discussie ontstaan in een e-mailwisseling. Kort gezegd heeft [verweerder] namens [verweerder] Bouw B.V. aangedrongen op betaling van deze factuur, bij gebreke waarvan het werk niet kon worden voortgezet. [appellant] c.s. heeft niet binnen genoemde vervaltermijn willen betalen omdat de voortgang in het werk vertraagd was en de helft van het werk nog niet was verricht.
3.8
Bij e-mailbericht van 6 november 2020 heeft [verweerder] Bouw B.V. aan [appellant] c.s. gevraagd een contante betaling te doen van € 10.000. [appellant] c.s. heeft dit afgewezen, geantwoord dat betaling van de vierde factuur zal volgen als de helft van het werk is uitgevoerd en dat hij opschorting van het werk door [verweerder] Bouw B.V. als contractbreuk zal beschouwen.
3.9
Bij e-mailbericht van 10 november 2020 heeft [appellant] c.s. [verweerder] Bouw B.V. in gebreke gesteld en gesommeerd om uiterlijk de volgende dag te bevestigen dat het werk zal worden hervat. Bij e-mailbericht van 12 november 2020 heeft [verweerder] namens [verweerder] Bouw B.V. geschreven de ingebrekestelling niet te accepteren. [verweerder] Bouw B.V. heeft geen werkzaamheden meer verricht en het werk verlaten.
3.10
Op 11 november 2020 heeft [bouwbegeleider] , op verzoek van [appellant] c.s. en in bijzijn van zijn vaste [aannemer] , de door [verweerder] Bouw B.V. uitgevoerde werkzaamheden opgenomen. In zijn verklaring van 12 november 2020 schrijft [bouwbegeleider] onder meer:
‘In onze professionele beoordeling hebben wij vastgesteld dat er, inclusief de dakopbouw cq herstelwerkzaamheden met tevens plaatsing van een aantal nieuwe Velux dakramen, voor niet meer dan € 40.000 incl. btw aan werkzaamheden is verricht. Daarbij zijn alle nevenkosten zoals bijvoorbeeld aan containerhuur, materiaal, en arbeidsuren meegenomen.’
3.11
Bij brief van 13 november 2020 aan [verweerder] Bouw B.V. c.s. heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] c.s. de overeenkomst van opdracht ontbonden en [verweerder] Bouw B.V. c.s. aansprakelijk gehouden voor schade. Onder verwijzing naar de verklaring van [bouwbegeleider] heeft zij [verweerder] Bouw B.V. c.s. gesommeerd een bedrag van € 45.000 voor teveel betaalde factuurbedragen terug te betalen. In een aanvullende sommatiebrief van 1 december 2020 heeft [appellant] c.s. tevens aanspraak gemaakt op aanvullende schadevergoeding en rente.
3.12
[appellant] c.s. heeft [aannemer] half november 2020 opdracht gegeven het renovatiewerk aan de woning te voltooien. [aannemer] heeft op 13 maart 2021 een toelichting geschreven op de verklaring van [bouwbegeleider] over de door [verweerder] Bouw B.V. uitgevoerde werkzaamheden. [aannemer] heeft de resterende werkzaamheden op basis van de offerte van [verweerder] Bouw B.V. begroot op € 110.000 inclusief btw, exclusief houtvloer, sanitair en tegels.
3.13
Blijkens een uittreksel uit het handelsregister is [verweerder] Bouw B.V. op 9 juni 2022 ontbonden en per 14 juni 2022 uitgeschreven uit het handelsregister.
4. Procedure bij de rechtbank
4.1
[appellant] c.s. heeft zowel [verweerder] Bouw B.V. als [verweerder] in privé gedagvaard en gevorderd, samengevat, dat zij worden veroordeeld tot betaling van € 45.000,- aan niet uitgevoerde, maar wel betaalde werkzaamheden en € 3.965,- aan overige kosten en (vervolg)schade, beide te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.264,65 en proceskosten.
4.2
[verweerder] Bouw B.V. en [verweerder] hebben in reconventie gevorderd, samengevat, (i) ‘te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst is ontbonden dan wel deze te ontbinden en dat [appellant] c.s. jegens [verweerder] Bouw B.V. op grond hiervan schadeplichtig is’; en (ii) hoofdelijke veroordeling van [appellant] en [appellante] tot betaling aan [verweerder] Bouw B.V. van de geleden schade van € 35.183,77, te vermeerderen met de wettelijke rente; en (iii) veroordeling van [appellant] c.s. in de kosten van de procedure in reconventie.
4.3
De rechtbank heeft in conventie de vorderingen van [appellant] c.s. tegen [verweerder] Bouw B.V. grotendeels toegewezen, en tegen [verweerder] in privé afgewezen. De vorderingen in reconventie heeft de rechtbank afgewezen. [verweerder] Bouw B.V. is veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie en reconventie.
5. Vorderingen in hoger beroep
5.1
[appellant] c.s. is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis voorzover dit is gewezen tussen [appellant] c.s. en [verweerder] in privé. [appellant] c.s. is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat [verweerder] niet persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die [appellant] c.s. hebben geleden door de wanprestatie van [verweerder] Bouw B.V. [appellant] c.s. heeft een grief tegen het vonnis aangevoerd. Hij vordert dat zijn vorderingen jegens [verweerder] alsnog worden toegewezen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure in beide instanties.
5.2
[verweerder] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] c.s., met veroordeling van [appellant] c.s. in de proceskosten.
6. Beoordeling in hoger beroep
6.1
Met zijn grief komt [appellant] c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank dat [verweerder] niet persoonlijk aansprakelijk is voor de door [appellant] c.s. geleden schade als gevolg van de wanprestatie van [verweerder] Bouw B.V. [appellant] c.s. stelt dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld, al dan niet als (middellijk) bestuurder van [verweerder] Bouw B.V., en dat hij dus aansprakelijk is voor die schade.
6.2
De stellingen van [appellant] c.s. houden onder meer in dat [verweerder] als bestuurder heeft bewerkstelligd dat [verweerder] Bouw B.V. haar verplichtingen jegens [appellant] c.s. niet is nagekomen en dat zijn handelen zo onzorgvuldig was dat hem, [verweerder] , daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [appellant] c.s. verwijst daarbij naar het arrest HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/[…]).
6.3
Uit genoemd arrest volgt dat een bestuurder op grond van onrechtmatige daad voor schade van de schuldeiser aansprakelijk kan worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Daarnaast kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een zodanig verwijt kan worden aangenomen. Het hof zal de vordering van [appellant] c.s. tegen die achtergrond beoordelen.
De ongedaanmakingsverplichting van [verweerder] Bouw B.V.
6.4
[appellant] c.s. heeft zijn vorderingen op [verweerder] Bouw B.V. en [verweerder] gebaseerd op de stelling dat [verweerder] Bouw B.V. toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen door de werkzaamheden op te schorten, waarna [appellant] c.s. de overeenkomst van opdracht rechtsgeldig heeft ontbonden. [verweerder] Bouw B.V. is vervolgens haar ongedaanmakingsverplichting, bestaande uit terugbetaling aan [appellant] c.s. van het voor de werkzaamheden teveel betaalde bedrag van € 45.000, niet nagekomen. [verweerder] Bouw B.V. en [verweerder] hebben in eerste aanleg betwist dat er sprake was van een rechtsgeldige ontbinding, omdat [verweerder] Bouw B.V. niet tekort is geschoten in haar verplichtingen onder de overeenkomst.
6.5
Met het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis voor zover gewezen tussen [appellant] c.s. en [verweerder] Bouw B.V., is tussen hen vast komen te staan dat [appellant] c.s. de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, dat [verweerder] Bouw B.V. op grond daarvan een ongedaanmakingsverplichting heeft en daar niet aan heeft voldaan, en dat die verplichting op € 45.000 moet worden gewaardeerd. Het vonnis tussen [appellant] c.s. en [verweerder] Bouw B.V. heeft echter geen gezag van gewijsde tussen [appellant] c.s. en [verweerder] . In deze hoger beroep procedure tussen [verweerder] en [appellant] c.s. staan de ongedaanmakingsverplichting en het daarmee gemoeide bedrag daarom (nog) niet vast, voor zover [verweerder] daar verweer tegen heeft gevoerd. Het hof zal hier dan ook eerst aandacht aan besteden.
6.6
Voor haar oordeel dat [verweerder] Bouw B.V. een ongedaanmakingsverplichting jegens [appellant] c.s. heeft ten bedrage van € 45.000, heeft de rechtbank in rov. 4.2 tot en met 4.12 van het bestreden vonnis als volgt overwogen:
4.2
De kern van het geschil tussen partijen betreft de uitleg van de betaalcondities die partijen bij de opdracht zijn overeengekomen. Volgens [appellant] c.s. was de vierde factuur van 27 oktober 2020, met vervaltermijn 30 oktober 2020, prematuur en in strijd met de afspraken verzonden. [verweerder] Bouw B.V. liep achter in de planning en de stand van het werk die hoorde bij deze deelfactuur (‘halverwege het project’) was nog niet bereikt. Daarom hoefde [appellant] c.s. de factuur nog niet te betalen. [verweerder] Bouw B.V. mocht de werkzaamheden niet opschorten en is, door dit wel te doen, na ingebrekestelling in verzuim gekomen. [verweerder] Bouw B.V. betoogt op haar beurt dat zij haar werkzaamheden mocht opschorten, toen [appellant] c.s. de vierde factuur, of een gedeelte daarvan, niet tijdig wilde betalen. De factuur was volgens haar wél opeisbaar, omdat het project - in tijd - halverwege was op 1 november 2020, bij een start op 14 september 2020 en de beoogde einddatum op 15 december 2020.
4.3.
Voor de beantwoording van de vraag welke betaalafspraken tussen partijen gelden komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betaalcondities van de opdracht […] mochten toekennen en op hetgeen zij op dit punt redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.4.
[appellant] c.s. stelt dat met de term ‘halverwege het project’ bij de betaalcondities in de offerte bedoeld is: de feitelijke stand van het werk. Het werk moet half af zijn voordat de factuur mag worden verzonden. Dit is gebruikelijk en bovendien is in de offerte geen datum verbonden aan de term ‘halverwege’. De werkzaamheden zouden dus feitelijk voor de helft voltooid moeten zijn, voordat de vierde factuur verzonden mocht worden en opeisbaar was, aldus [appellant] c.s. . [appellant] c.s. wijst verder op het belang van de planning die zou moeten worden betrokken bij de uitleg van de betaalcondities.
4.5.
Als gezegd betoogt [verweerder] Bouw B.V. dat enkel de in de offerte genoemde startdatum van 14 september 2020 en de einddatum van 15 december 2020 bepalend zijn voor de vraag wanneer het project halverwege was en niet de stand van het werk. [verweerder] Bouw B.V. betwist dat de planning deel uitmaakte van de afspraken.
4.6.
Daargelaten de vraag of de planning deel uitmaakte van de afspraken tussen partijen, geeft deze planning naar het oordeel van de rechtbank geen concrete onderbouwing voor de door [appellant] c.s. gestelde uitleg van de betaalcondities, zodat de rechtbank de planning niet bij die uitleg betrekt.
4.7.
Verder kunnen de betaalcondities naar het oordeel van de rechtbank op meerdere manieren worden uitgelegd. De uitleg van [appellant] c.s. (‘halverwege naar de stand van het werk’) is goed gemotiveerd en verdedigbaar en daarmee heeft [appellant] c.s. ook onderbouwd waarom zij redelijkerwijs van die uitleg uit mocht gaan en mocht verwachten dat [verweerder] Bouw B.V. die uitleg bij het aangaan van de opdracht voor ogen stond. Vast staat bovendien dat [verweerder] Bouw B.V. de offerte heeft opgesteld, dat [appellant] c.s. consument is en dat partijen niet over de betalingscondities in de offerte hebben gesproken of onderhandeld. Dat de betaalcondities voor meerdere uitleg vatbaar zijn, moet daarom voor risico van [verweerder] Bouw B.V. komen. De rechtbank volgt de uitleg van [appellant] c.s. en niet het betoog van [verweerder] Bouw B.V. dat per 1 november 2020 mocht worden gefactureerd, ongeacht de stand van het werk.
[…]
4.8.
Vervolgens moet worden vastgesteld of de uitvoering van het werk feitelijk al dan niet halverwege was. [appellant] c.s. stelt van niet, geeft een opsomming van de overeengekomen werkzaamheden die nog niet voltooid waren en verwijst naar zijn e-mailbericht van 29 oktober 2020 en de verklaring van [aannemer] . Bovendien wijst [appellant] c.s. op de verklaring van [bouwbegeleider] , die de waarde van het door [verweerder] Bouw B.V. tot 13 november 2020 uitgevoerde werk op € 40.000 waardeerde, terwijl de totale aanneemsom
€ 170.000 bedroeg en [appellant] c.s. toen al € 85.000 had betaald. Deze stellingen van [appellant] c.s. heeft [verweerder] Bouw B.V. niet voldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank stelt daarom vast dat eind oktober 2020 de werkzaamheden feitelijk nog niet halverwege waren. Daaruit volgt dat [appellant] c.s. toen nog niet verplicht kon worden de vierde factuur te betalen.
4.9.
Omdat [appellant] c.s. de factuur nog niet hoefde te betalen, heeft [verweerder] Bouw B.V. het werk zonder gerechtvaardigde reden opgeschort. [appellant] c.s. mocht [verweerder] Bouw B.V. bij brief van 11 november 2020 in gebreke stellen en sommeren de werkzaamheden te hervatten. In reactie op de ingebrekestelling en sommering van [appellant] c.s. heeft [verweerder] Bouw B.V. geantwoord deze ingebrekestelling niet te accepteren. Met dat antwoord stond naar het oordeel van de rechtbank voor [appellant] c.s. vast dat [verweerder] Bouw B.V. (blijvend) tekortschoot in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht en verkeerde [verweerder] Bouw B.V. met ingang van 12 november 2020 in verzuim. [appellant] c.s. heeft de opdracht per 13 november 2020 naar het oordeel van de rechtbank rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden.
[…]
4.10.
De rechtbank laat de beoordeling van het beroep van [verweerder] Bouw B.V. op artikel 7:756 BW (buitengerechtelijke ontbinding vóór oplevering alleen mogelijk door tussenkomst van rechter) buiten beschouwing. Zoals [appellant] c.s. aanvoert doet artikel 7:756BW niet af aan de bevoegdheid die [appellant] c.s. had om de opdracht buitengerechtelijk te ontbinden op grond van artikel 6:265 BW in samenhang met artikel 6:80 BW.
[…]
4.11.
Na de buitengerechtelijke ontbinding van de opdracht is op grond van artikel 6:271 BW voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van reeds door hen ontvangen prestaties ontstaan. In die zin zal de rechtbank de vordering van [appellant] c.s. tot betaling van het bedrag van € 45.000 en het verweer van [verweerder] Bouw B.V. c.s. op deze ‘schadepost’ opvatten. Deze € 45.000 is het bedrag dat [appellant] c.s. aan [verweerder] Bouw B.V. heeft betaald, dat boven de waarde van € 40.000 gaat (het bedrag waarvoor [bouwbegeleider] het door [verweerder] Bouw B.V. uitgevoerde werk heeft gewaardeerd).
4.12.
[verweerder] Bouw B.V. heeft de juistheid van de waardering van [bouwbegeleider] betwist. Bij de waardering heeft [bouwbegeleider] geen rekening gehouden met voorbereidende kosten en werkzaamheden (waaronder het denkwerk) die [verweerder] Bouw B.V. heeft gemaakt. Bovendien heeft [aannemer] voor de afbouw van de werkzaamheden conform de offerte van [verweerder] Bouw B.V. € 110.000 gefactureerd, terwijl de aanneemsom € 170.000 bedroeg, zodat de waarde van het door [verweerder] Bouw B.V. geleverde werk minstens op het verschil daartussen, te weten € 60.000 moet worden gewaardeerd, aldus nog steeds [verweerder] Bouw B.V. Aan dit betoog gaat de rechtbank voorbij. Gelet op de waardering van [bouwbegeleider] en de gedetailleerde onderbouwing daarvan door [aannemer] (productie 23) had het op de weg van [verweerder] Bouw B.V. gelegen om zelf een gedetailleerde onderbouwing of begroting te geven van de volgens [verweerder] Bouw B.V. gemaakte (voorbereidende) kosten en werkzaamheden die in de waardering van [bouwbegeleider] en de onderbouwing van [aannemer] zouden ontbreken. Die onderbouwing heeft zij echter niet gegeven. De rechtbank gaat daarom uit van de waardering van [bouwbegeleider] . Het uitgevoerde werk was € 40.000 waard. [appellant] c.s. heeft € 85.000 betaald, zodat de rechtbank de ongedaanmakingsverplichting van [verweerder] Bouw B.V. vaststelt op een bedrag van € 45.000. […]
Het hof verenigt zich met dit oordeel. In aanvulling op bovenstaande overwegingen van de rechtbank overweegt het hof nog het volgende.
6.7
In hoger beroep heeft [verweerder] aangevoerd dat het bedrag van € 40.000 aan door [verweerder] Bouw B.V. uitgevoerde werkzaamheden niet klopt. Hij heeft daarbij de hiervoor genoemde, door [appellant] c.s. overgelegde, waardering van [bouwbegeleider] en specificatie van [aannemer] (enkel) betwist door te stellen dat [verweerder] Bouw B.V. in totaal voor een bedrag van € 87.327,07 aan kosten heeft gemaakt. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een “Financieel_Overzicht_2585117” (productie 6 bij memorie van antwoord) overgelegd. Het hof stelt vast dat dit overzicht bij dezelfde posten andere bedragen noemt dan het in eerste aanleg (als productie 2 bij conclusie van antwoord) overgelegde overzicht “Rapportage Project 2585117” dat volgens [verweerder] eveneens een overzicht van het totaal aan gemaakte kosten bevat. Omdat [verweerder] geen inzicht heeft gegeven in de oorsprong van deze twee overzichten en ook niet heeft toegelicht waarom zij van elkaar afwijken, en hij de daarin opgenomen bedragen ook niet heeft onderbouwd, bijvoorbeeld met facturen, werkbonnen of bankafschriften, heeft [verweerder] de stelling van [appellant] c.s. dat er door, of namens, [verweerder] Bouw B.V. voor € 40.000 aan werkzaamheden is verricht, onvoldoende betwist. Ook het hof zal dus van dat bedrag uitgaan.
Aaansprakelijkheid [verweerder]
6.8
[appellant] c.s. voert aan dat [verweerder] als (indirect) bestuurder van [verweerder] Bouw B.V. ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, door een groot deel van het bedrag van € 85.000,- dat door [appellant] c.s. aan [verweerder] Bouw B.V. is betaald ‘zoek te maken’ terwijl [verweerder] Bouw B.V. geen verhaal biedt voor [appellant] c.s. voor de terugbetaling van het bedrag van € 45.000. [appellant] c.s. leidt dit af uit de volgende feiten en omstandigheden:- [verweerder] Bouw BV was op het moment van het sluiten van de aanneemovereenkomst (augustus 2020) met [appellant] c.s. pas net opgericht (juli 2020). Uit niets is gebleken dat [verweerder] Bouw B.V. toen al in een financieel penibele situatie verkeerde;- [appellant] c.s. heeft in augustus-september 2020 in totaal € 85.000 betaald aan [verweerder] Bouw B.V.;- [verweerder] Bouw B.V. heeft slechts voor € 40.000 aan werkzaamheden verricht. Deze werkzaamheden heeft zij bovendien deels uitbesteed aan onderaannemers, wiens facturen zij (gedeeltelijk) niet heeft betaald. Zo heeft zij onder meer een factuur van € 26.382,- van Prefect B.V. niet betaald.[appellant] c.s. concluderen op basis van het bovenstaande dat er op het moment van de ontbinding van [verweerder] Bouw B.V. nog een bedrag van circa € 72.000 (€ 45.000 + € 26.382) in [verweerder] Bouw B.V. aanwezig had moeten zijn, en dat [verweerder] dit bedrag (naar het hof begrijpt: opzettelijk en onrechtmatig) heeft ‘zoek gemaakt’.
6.9
[verweerder] erkent dat er € 85.000 aan [verweerder] Bouw B.V. is betaald en dat [verweerder] Bouw B.V. geen verhaal biedt. maar er is volgens hem geen geld op onrechtmatige wijze verdwenen. Volgens [verweerder] is de oorzaak van het gebrek aan baten te wijten aan het volgende.
6.10
[verweerder] Bouw B.V. had geen ruime reserves, waardoor toen [appellant] c.s. in oktober 2020 de vierde factuur niet betaalde, [verweerder] een keuze moest maken om ofwel [verweerder] Bouw B.V. verplichtingen met leveranciers en ZZP’ers aan te laten gaan die zij niet binnen hun betalingstermijnen kon nakomen, ofwel haar werkzaamheden voor [appellant] c.s. op te schorten. De door [verweerder] Bouw B.V. in augustus 2020 uitgebrachte offertes waren gebaseerd op de op dat moment geldende prijzen. De prijzen van bouwmaterialen zijn in de periode tussen de offerte en de uitvoering van de werkzaamheden exorbitant gestegen. Ook de prijzen van ZZP’ers waren snel aan het stijgen en bovendien waren ZZP’ers in die periode moeilijk te vinden. Na het opschorten van de werkzaamheden voor [appellant] c.s. in oktober 2020 heeft [verweerder] Bouw B.V. nog enkele andere opdrachten uitgevoerd, maar de marges in de bouw zijn niet (meer) van dien aard dat € 45.000,- wordt overgehouden voor terugbetaling aan [appellant] c.s. [verweerder] Bouw B.V. heeft op door haar aanvaarde opdrachten onvoorziene schades geleden en is daardoor in een penibele financiële situatie gekomen. Doordat [verweerder] Bouw B.V. inmiddels is ontbonden en is uitgeschreven uit het handelsregister, kan [verweerder] niet meer over de bankafschriften van [verweerder] Bouw B.V. beschikken om de geldstromen inzichtelijk te maken, aldus nog steeds [verweerder] .
6.11
Het hof oordeelt dat die uitleg van [verweerder] , gezien de onderbouwde stellingen van [appellant] c.s. ten aanzien van de aan [verweerder] Bouw B.V. betaalde gelden, onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd is. Vaststaat dat [appellant] c.s. € 85.000,- aan [verweerder] Bouw B.V. heeft betaald, voor werk dat op € 40.000,- is begroot. De - met een verklaring van onderaannemer Prefect B.V. onderbouwde - stelling van [appellant] c.s. dat (ook) die onderaannemer niet door [verweerder] Bouw B.V. is betaald, heeft [verweerder] niet betwist, zodat ook van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan en het door [verweerder] Bouw B.V. aan het project uitgegeven bedrag dan neerkomt op maximaal (€ 85.000,- min € 45.000,- min € 26.382,- =) € 13.618,-. Waar het overige geld is gebleven, heeft [verweerder] niet duidelijk gemaakt, terwijl – zoals door [appellant] c.s. aangevoerd - de boekhouding van [verweerder] Bouw B.V., gezien het geringe aantal opdrachten sinds haar oprichting, overzichtelijk moet zijn geweest. Wat er ook zij van de juistheid van de stellingen van [verweerder] dat de prijzen van bouwmaterialen en zzp’ers in de betreffende periode zijn gestegen, en dat hij onvoorziene schades heeft geleden, had het in de hiervoor geschetste omstandigheden op de weg van [verweerder] gelegen om de door [verweerder] Bouw B.V. gedane uitgaven met stukken zoals facturen en bankafschriften te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan. Redenen waarom dit voor hem niet mogelijk was, heeft [verweerder] niet gegeven, anders dan door te stellen dat hij de geldstromen niet inzichtelijk kan maken aan de hand van bankafschriften omdat de bankrekening van [verweerder] Bouw B.V. niet meer toegankelijk is.
6.12
Het hof overweegt dat voor zover de uitschrijving van [verweerder] Bouw B.V. uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, [verweerder] inderdaad, zoals hij stelt, belet om nog inzicht te krijgen in de bankrekening van [verweerder] Bouw B.V., hij voorafgaand aan de uitschrijving die bankafschriften in een voor hem toegankelijke administratie op had moeten nemen. Dit geldt temeer nu er op het moment dat [verweerder] Bouw B.V. heeft doen uitschrijven, de procedure bij de rechtbank nog niet was afgerond. Voorts is van belang dat op grond van artikel 2:24 BW de boeken en bescheiden van [verweerder] Bouw B.V. zeven jaar na ontbinding moeten worden bewaard door de bewaarder. Volgens het in deze procedure overgelegde uittreksel uit het handelsregister met betrekking op [verweerder] Bouw B.V. is [verweerder] aangewezen als bewaarder. Voor zover hij niet meer beschikt over de bankadministratie komt dat dan ook voor zijn rekening. Het hof merkt daarbij bovendien nog op dat [verweerder] , los van de bankafschriften, evenmin andere relevante onderliggende stukken heeft overgelegd, zoals facturen of jaarstukken.
6.13
De slotsom is dat [verweerder] de gemotiveerde en onderbouwde stelling van [appellant] c.s. dat - als gevolg van het opzettelijk handelen van [verweerder] - meer dan € 45.000 is verdwenen uit het vermogen van [verweerder] Bouw B.V., onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Door toedoen van [verweerder] kon [verweerder] Bouw B.V. niet aan haar verplichtingen jegens [appellant] c.s. voldoen en daarvan kan hem een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij is dan ook persoonlijk aansprakelijk voor de schade. Deze kan gelijk worden gesteld aan het bedrag dat [verweerder] Bouw B.V. uit hoofde van haar ongedaanmakingsverplichting is verschuldigd.
6.14
Het hof passeert het algemene bewijsaanbod van [verweerder] aan het einde van de memorie van antwoord, omdat het niet specifiek is. Meer in het bijzonder is niet duidelijk gemaakt van welke specifieke stellingen die voor de uitkomst van het geding relevant zijn, bewijs wordt aangeboden.
Conclusie en proceskosten
6.15
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] c.s. slaagt. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen, voor zover gewezen tussen [appellant] c.s. en [verweerder] , en de vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid jegens hem alsnog toekennen. Het hof zal [verweerder] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van zowel de eerste aanleg in conventie als van het hoger beroep. Voor de volledigheid merkt het hof op dat [verweerder] ten aanzien van de betalingsverplichting van zowel de hoofdsom als de proceskosten in eerste aanleg in beginsel - op grond van artikel 6:102 lid 1 BW - , hoofdelijk is (dan wel, als gevolg van de ontbinding van [verweerder] Bouw B.V., was) verbonden met [verweerder] Bouw B.V.
6.16
De proceskosten in hoger beroep worden begroot op:
dagvaarding € 127,43
griffierecht € 783,-
salaris advocaat € 4.426,- (2 punten × tarief IV)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 5.514,43
7. Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2022, voor zover het is gewezen tegen [verweerder] ,
en opnieuw rechtdoende:
- -
veroordeelt [verweerder] om aan [appellant] c.s. te betalen een bedrag van € 45.000,- (vijfenveertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 13 november 2020 tot de dag van volledige betaling;
- -
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten in eerste aanleg in conventie, tot 31 augustus 2022 begroot op € 3.212,80;
- -
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- -
veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] c.s. begroot op € 5.514,43;
- -
bepaalt dat als [verweerder] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [verweerder] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
- -
wijs af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. P. Volker, mr. J.M.T. van der Hoeven - Oud en mr. R.W. Polak en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025 in aanwezigheid van de griffier.