Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.6.5
1.6.5 Proces in twee fasen: in iure en apud iudicem
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644824:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vermoedelijk kende dit proces oorspronkelijk één fase. Wanneer een tweedeling is gekomen in de procedure is omstreden. Voor dit onderzoek is het proces met twee fasen van belang, aangezien het verwantschap toonde met het hierna te bespreken formula-proces. Daarnaast beschreef Gaius in zijn Instituten de twee fasen van het proces. Zie hierover en voor verdere literatuur Kaser/Hackl (1996), p. 32-34; Coenraad (2000), p. 29.
Manthe, (2016), p. 61. Dit in rechte oproepen gold niet alleen voor de legis actio sacramento, maar voor alle legis actiones. Zie: Behrends (1974), p. 11 e.v.; Kaser/Hackl (1996), p. 64. Coenraad (2000), p. 31-32.
Tabula I, 1: “Si in ius vocat, ito. Ni it, antestamino: igitur em capito.” (Vertaald door J.J.H.M. Hanenburg, De Wet der Twaalf Tafelen, 1972).
Van Oven, (1948), p. 96.
Gaius. 4, 16: “Als er een zakelijke actie werd ingesteld, werden roerende zaken - onbezielde en bezielde -, als zij maar naar de plaats waar de ambtsdrager zitting hield, aangevoerd of meegenomen konden worden (…).”
Gaius 4, 17.
Gaius 4, 16 e.v. Zie ook: Kaser, RIDA/1967, p. 282, voetnoot 67.
Kaser/Hackl (1996), p. 100.
Het proces van de legis actiones sacramento kenden twee fasen: de fase die zich afspeelde voor de gerechtsmagistraat (in iure) en de fase die zich afspeelde voor de rechter (apud iudicem).1 De eiser moest voordat het proces begon, zo stond reeds in de Wet der Twaalf Tafelen vermeld, de gedaagde in rechte oproepen (in ius vocatio).2 Daarbij mocht de eiser de gedaagde met geweld meevoeren naar de plek waar het proces plaatsvond, als de gedaagde weigerde mee te gaan.
Tafel I 1: “Wanneer hij iemand voor het gerecht daagt, moet hij gaan. Als hij niet gaat, moet hij er getuigen bij roepen: vervolgens moet hij hem vastgrijpen.”3
Wanneer er sprake was van een zakelijke actie, dan moest de zaak waarover het proces gevoerd werd voor de praetor worden gebracht. De zaak moest voor de praetor worden “gedragen” of “aangevoerd” (adferri adduci),4 afhankelijk van het antwoord op de vraag of het ging om een onbezielde zaak (onbezield wil zeggen een ding, bijvoorbeeld een zuil, een boek of een armband) of om een bezielde zaak (bezield wil zeggen levende wezens zoals dieren en slaven).5 Als het niet mogelijk was om de gehele zaak naar de zittingsplaats mee te nemen, werd er een (symbolisch) deel meegenomen, bijvoorbeeld een kluit aarde uit de grond, een dakpan van een woning of één schaap in plaats van de gehele kudde. Dat ene schaap symboliseerde de gehele kudde en de vordering werd ingesteld alsof de gehele kudde aanwezig was.6 De praetor kende alleen legis actio sacramento in rem toe als de partijen voor de praetor de zaak vastpakten en vervolgens de zaak met een staf aanraakten. Dit kon uiteraard alleen als de zaak zelf in het proces aanwezig was.7 De praetor wees een partij aan bij wie de zaak moest blijven. De aangewezen partij was wel gehouden om borgen (praedes) te stellen, die garant stonden voor de afgifte van de zaak als de partij het proces had verloren. Wilde de verliezende partij namelijk de zaak niet teruggeven, dan was hij gehouden om twee keer (duplum) de waarde van de zaak, inclusief de vruchten, te vergoeden.8