Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/I.4.3.6
I.4.3.6 Het openbaarheidsbeginsel
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De studiecommissie van de Vereniging voor Media- en communicatierecht (hierna: VMC-studiecommissie) Openbaarheid van rechtspraak wijst er in haar rapport op dat de geschiedenis van art. 121 Grondwet reeds teruggaat tot de Staatsregeling van 1798, Rapport Toegang tot rechterlijke uitspraken, Mediaforum 2006/4, p. 3. Ook worden openbaarheidvereisten reeds geruime tijd in de literatuur gesteld. Zie bijvoorbeeld: K. Wiersma, Administratieve en burgerlijke procesgangen, beginselen en organisatie, in: Een goede procesorde (Haardtbundel), Deventer: Kluwer 1983, p. 132 en 140-143; A.G. van Galen & H.Th.J.F. van Maarseveen, Beginselen van administratief procesrecht (preadvies VAR), Alphen aan den Rijn: Tjeenk Willink 1978, p. 60 e.v.; J.M. Polak, Vormen en beginselen van rechtspraak (preadvies Vereniging voor Bouwrecht), Deventer: Kluwer 1976, p. 1516. Meer recent ook: Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 56-57; A.M.L. Jansen, Constitutionalisering van het bestuursprocesrecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 60-65; M.F.J.M. de Werd, De openbare uitspraak Reconstructie van een verwaarloosd leerstuk, NJB 2001/2, p. 67 e.v.
Zie: Rapport VMC-studiecommissie Openbaarheid van rechtspraak 2006, p. 3-4; Jansen 2004, p. 65; B.W.N. de Waard, 'De grote ogen van de grondwetgever, in: J.B.J.M. ten Berge e.a. (red.), De Grondwet als voorwerp van aanhoudende zorg (Burkens-bundel), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 449-450. Zie ook de toelichting op art. 121 GW in: A.W. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 549-550.
Zie de toelichting van de grondwetgever op art. 121 GW, Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 21-23.
Bedoeld lijkt te zijn vonnissen. Volgens de toelichting vallen echter onder de term vonnissen ook de beslissingen van de administratieve rechter, zie: Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 22.
Zie vorige noot. Merkwaardigerwijs wordt in art. 121 GW gesproken van terechtzittingen, vonnissen en uitspraken in het kader van respectievelijk de drie daar genoemde eisen van openbare behandeling, motivering en openbaarmaking. In de literatuur is dan ook kritiek geuit op de onduidelijkheid van de tekst van de bepaling en de reikwijdte daarvan, zie: De Waard 1995, p. 448-450.
Rapport VMC-studiecommissie Openbaarheid van rechtspraak 2006, p. 4.
Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing in procedures in eerste aanleg en in hoger beroep bij de Afdeling, de CRvB en het CBb, zie art. 36 lid 1 en 39 lid 1 WRvS, art. 17 lid 1 en 21 lid 1 Beroepswet, art. 19 lid 1 en 22 lid 1 Wbbo.
Zie art. 121 Gw dat dat onderscheid maakt, evenals de Awb door eisen ten aanzien van beide aspecten in artt. 8:62, 8:78 en 8:79 Awb neer te leggen. Zie over de eisen verder: Jansen 2004, p. 60-65.
Zie bijvoorbeeld: De Werd 2001, p. 67 e.v.; De Waard 1995, p. 449-450. Hoewel de laatste jaren meer aandacht bestaat voor de openbaarheidseisen, wijst Widdershoven erop dat de aandacht, in vergelijking tot andere eisen die gesteld worden aan behoorlijke rechtspraak, gering is, Widdershoven 1989, p. 142.
De Waard 1987, p. 110.
Dat heeft in zijn ogen te maken met het onderscheid rechtsbeginsel en regel en de omstandigheid dat inrichtingseisen evenals regels, in tegenstelling tot de beginselen van behoorlijke rechtspleging, gelden of niet gelden waardoor ook duidelijker is of zij in een concreet geval geschonden zijn en wat de consequenties daarvan moeten zijn, De Waard 1987, p. 111.
Widdershoven 1989, p. 111-114 en p. 142-143.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 576; Stroink 2004a, p. 23-30; Stroink 1993, p. 66-69; Van der Heijden 1984, p. 48; Polak 1976, p. 15-16.
Zie hieronder de jurisprudentie bij de behandeling van de verschillende deelaspecten van het openbaarheidsbeginsel.
De Werd 2001, p. 67 e.v.
Jansen 2004, p. 60-65; Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 56; De Waard 1995, p. 449.
PG Awb II, p. 458; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 638.
CRvB 25 januari 1998, AB 1998/168 m.nt. FP; JB 1998/61 m.nt. Heringa; RSV 1998/106 m.nt. Van der Kris; USZ 1998/69 m.nt. Driessen.
De beginselen van behoorlijke rechtspleging of inrichtingseisen in de Awb in dat kader worden door de bestuursrechter niet gerekend tot de bepalingen van openbare orde waaraan de bestuursrechter ambtshalve mag en moet toetsen, zie hierover: Brugman 2005, p. 266 e.v. Zie ook par. 4.1 van dit deel.
Zie daarover ook par. 3.2.2 van dit deel.
Er moet een mogelijkheid bestaan voor de rechter om al dan niet op verzoek van partijen van de regel dat de zitting met gesloten deuren plaatsvindt af te wijken, aldus het EHRM in: EHRM 24 april 2001, B. en P. t. Verenigd Koninkrijk EHRC 2001/43 par. 38-40.
Zie bijvoorbeeld: EHRM 24 juni 1993, Schuler-Zgraggen t. Zwitserland, nr. 14518/89, par. 58; EHRM 21 februari 1990, Hakansson en Sturesson t. Zweden, nr. 11855/85, par. 66.
Van der Velde 2004, p. 30-31, en, Jansen 2004, p. 61 met verwijzingen naar jurisprudentie.
Zie bijvoorbeeld: EHRM 29 november 2007, Hummatov t. Azerbeidzjan, EHRC 2008/12 m.nt. Van der Velde, par. 141; EHRM 8 december 1983, Azen t. Duitsland, nr. 8273/78, par. 28.
Hummatov, par. 151; EHRM 26 september 1995, Diennet t. Frankrijk, nr. 18160/91, par. 34.
Zie Hummatov, par. 149.
In de volgende uitspraken lijkt het recht op een mondelinge behandeling (en aanwezigheid van partijen) samen te vallen met of niet duidelijk onderscheiden te worden van het recht op een openbare behandeling, EHRM 20 mei 2008, Giilmez t. Turkije, EHRC 2008/89 m.nt. Jansen, par. 35-39; EHRM 18 maart 2008, Piroklu en Karakaya t. Turkije, nrs. 36370/02 en 37581/02, par. 38-40; EHRM 23 november 2006, Jussila t. Finland, EHRC 2007/31 m.nt. Albers. Zie verder: Van der Velde 2004, EVRM R&C (katern 3.6.0 art. 6 Eerlijk proces), p. 29-30. Zie hierover ook: P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn en L. Zwaak (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, Antwerpen: Intersentia 2006, p. 599.
In sommige uitspraken scheidt het EHRM beide kwesties wel duidelijk van elkaar. Zie bijvoorbeeld: Moser, par. 89-98 waarin het EHRM eerst beziet of klaagster recht had op een 'oral hearing en de toepasselijke principes en daarna of er een recht op een 'public hearing bestond. Zo ook: EHRM 7 juni 2007, Zagomdnikov t. Rusland, nr. 66941/01, par. 18-27 (openbare behandeling van de zaak) en par. 28-35 (recht om aanwezig te zijn bij de zitting). Het EHRM constateert een schending van art. 6 lid 1 vanwege gebrek aan een openbare zitting, maar gƩƩn schending het recht om aanwezig te zijn bij de zitting. Vgl. ook: De Waard 1987, p. 111.
Zie bijvoorbeeld Van den Hoogen in navolging van de jurisprudentie van het EHRM, R.H. van de Hoogen, Beginselen van behoorlijke elektronische rechtspraak (diss Utrecht), Den Haag: Sdu 2007, p. 33; Jansen 2004, p. 61 e.v.; Van der Velde 2004, p. 29.
Zie anders: Van der Velde 2004, p. 30 met verwijzing naar EHRM 25 maart 1998, Belziuk t. Polen, nr. 23103/93, par. 38-39.
De eis dat een belanghebbende aanwezig moet zijn bij de behandeling van de zaak is een interne openbaarheidseis die in mijn ogen evengoed op het beginsel van hoor en wederhoor, zie par. 4.3.5, gegrond kan worden.
De Werd 2001, p. 70.
Zie hierover ook: De Werd 2001, p. 71.
Rapport VMC-studiecommissie Openbaarheid van rechtspraak 2006, p. 4-5; De Werd, p. 67.
Rapport Commissie verbetervoorstellen bestuursrecht, p. 16.
Rb. Den Haag, nevenzittingsplaats A'dam, 8 oktober 2007, zaakar. AWB 06/57653 en Rb. Den Haag, neven-zittingsplaats A'dam, 11 december 2006, AWB 06/46447. In beide gevallen blijkt uit de uitspraak slechts dat op welke datum deze is gedaan en verzonden aan partijen. In beide gevallen blijkt ook niet uit het proces-verbaal dat (het dictum van) de uitspraak mondeling openbaar is gemaakt en heeft de rechtbank eveneens aangegeven in een brief dat zulks niet is geschied, zie de uitspraken van de Afdeling genoemd in de noot hierna. Overigens zijn er via www.rechtspraak.nl nog meer gevallen te vinden waarin de rb. A'dam (en ook andere rechtbanken) deze psub>raktijk lijkt te hanteren.
AbRvS 21 januari 2008, AB 2008/115 m.nt. De Waard; AbRvS 9 februari 2007, JB 2007/68 m.nt. DWMW; AB 2007/90 m.nt. Sew. Ook de CRvB heeft deze praktijk inmiddels in strijd bevonden met art. 8:78 Awb, zie: CRvB 23 juni 2009, LJN BJ0880, AB 2009/267.
Rapport Commissie verbetervoorstellen bestuursrecht, p. 16. De commissie doet daarnaast de aanbeveling aan de wetgever om art. 8:78 Awb aan te passen en daarin te bepalen dat het uitspreken van de beslissing in het openbaar ook kan geschieden door publicatie op de website van de rechtbank. Zie verder het advies van de Raad voor de Rechtspraak over het conceptvoorstel aanpassing bestuursprocesrecht, waarin de aanbevelingen van de commissie verbetervoorstellen bestuursrecht overgenomen worden, waaronder de aanbeveling inzake het openbaar uitspreken van de uitspraak, Raad voor de Rechtspraak, 19 oktober 2006, p. 16.
Op de website www.rechtspraak.nl wordt bij de verschillende rechtbanken aangegeven dat de uitspraken op grond van de Awb in het openbaar moeten worden uitgesproken. Dat gebeurt op een dagelijkse of wekelijkse zitting.
Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 1-3. Dit wetsvoorstel is op 24 juli 2010 ingediend bij de Tweede Kamer. In dit proefschrift konden eventuele wijzingen ten opzichte van het concept-voorstel echter niet meer worden meegenomen. Waarin de hoofdstekst op dit wetsvoorstel wordt ingegaan, betreft het derhalve de voorstellen zoals gedaan in het concept-voorstel.
Zie EHRM 8 december 1983, Pretto t. Italiƫ, nr. 7984/77, par. 21-26; Moser, par. 101; EHRM 22 februari 1984, Sutter t. Zwitserland, nr. 8209/78, par. 32-33; EHRM 8 december 1983, Axen t. Duitsland, nr. 8273/78, par. 30.
Moser, par. 101; Sutter, par. 32-33; Axen, par. 30; Pretto, par. 21-26. Zie hierover ook: De Werd 2001, p. 68- 69.
Sutter, par. 34; Pretto, par. 26-28.
EHRM 17 januari 2008, Ryakib Biryukov t. Rusland, EHRC 2008/43 m.nt. Van der Velde, par. 43-45; Pretto, par. 27.
Moser, par. 102-103.
Zie Moser, par. 102 waarin het EHRM verwijst naar Sutter, par. 33-34.
B. en P., par. 46-48.
PG Awb II, p. 458; De Werd 2001, p. 68; Widdershoven 1989, p. 142; De Waard 1987, p. 110; U. Van de Pol, Openbaar terecht (diss. Amsterdam VU), Arnhem: Gouda Quint 1986, p. 16; Van Galen & Maarseveen 1978, p. 60.
S.K. Martens in zijn openingsrede bij de opening van www.rechtspraak.nl (te raadplegen via http://www.rechtspraak.M/Gerechten/HogeRaad/Actualiteiten/Archief/1999/12/)
Zie over de kwaliteitsbevorderende functie van het motiveringsbeginsel par. 3/.2.7.
Widdershoven 1989, p. 142. Zie ook: Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 597; Van Dijk 1983, p. 109.
Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 597; Widdershoven 1989, p. 142; Van Dijk 1983, p. 109.
Zie bijvoorbeeld: Giilmez, par. 34; Hummatov, par. 140. Zie ook: Jansen 2004, p. 61.
Ryakib Biryukov, par. 30.
Zie bijvoorbeeld: Pretto, par. 21 (openbaar maken uitspraak); Moser, par. 93 (openbare behandeling), par. 93.
Stroink beschouwt de eis van een openbare uitspraak bijvoorbeeld als een afgeleide van de eis dat een openbare behandeling moet plaatsvinden en acht de eerste ook van ondergeschikt belang daaraan, Stroink 1993, p. 68. Zie ook: De Waard 1995, p. 449.
Zie bijvoorbeeld De Waard die zich afvraagt welke waarde het in het openbaar uitspreken van vonnissen nog heeft, De Waard 1995, p. 449.
Zie over die praktijk van de bestuursrechter: De Werd 2001, p. 67 e.v.
L. van Lent, Externe openbaarheid in het strafproces (diss. Utrecht), Den Haag: BJu 2008, p. 1. Zie ook conclusie A-G Machielse bij HR 2 juli 2002, NJ 2003/2 m.nt. Kn, par. 3.7; J. C. Somer, 'Openbaarheid en de rechtsbescherming van het individu', in: B. de Goede, H.Th.J.F. van Maarseveen (red.), Hoe openbaar wordt ons bestuur, Den Haag: VUGA 1969, 243-244.
Van Lent 2008, p. 1.
Conclusie A-G Machielse bij HR 2 juli 2002, NJ 2003/2 m.nt. Kn, par. 3.8. A-G Machielse legt in par. 3.10 ook een uitdrukkelijk verband tussen het openbaarheidsbeginsel (als uitwendige eis) en de grondslagen van onze democratische rechtsstaat alsmede de (democratische) legitimatie van de rechter die schuilt in het vertrouwen in rechtspraak van het publiek. Zie ook: Van Lent 2008, p. 1.
Rapport VMC-studiecommissie Openbaarheid van rechtspraak 2006, p. 5.
Zie noot 318.
Pretto, par. 27.
Vgl.: Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 597; Van Dijk 1983, p. 109-110.
Schuler-Zgraggen t. Zwitserland, par. 58; Hakansson en Sturesson t. Zweden, par. 66.
Vgl. ook De Werd die aangeeft dat het doel van openbaarmaking van rechterlijke uitspraken de publieke controle van de rechtspleging is, De Werd 2001, p. 68.
Stroink 1993, p. 69.
Stroink 1993, p. 69.
Zie ook S.K. Martens die het verband tussen beide beginselen legt in zijn toespraak bij de opening van www.rechtspraak.nl (te raadplegen via http://www.rechtspraak.M/Gerechten/HogeRaad/Actualiteiten/Archief/1999/120. Zie nader par. 4.3.7 inzake het motiveringsbeginsel.
Zoals lid 2 van art. 8:79 Awb bepaalt is het bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing. Het betreft dan art. 17 van die wet en art. 12 lid 3 Besluit tarieven in strafzaken 2003.
Zie hierover en over de selectiecriteria die gehanteerd worden: R.H. van den Hoogen, E-justice: beginselen van behoorlijke elektronische rechtspraak (diss. Utrecht), Den Haag: Sdu 2007, p. 77-80 (hfst. 5).
Verbondenheid openbaarheidsvereisten met rechtspraak
Openbaarheid van rechtspraak is een vereiste dat van oudsher onderdeel uitmaakt van het samenstel van eisen dat aan behoorlijke (bestuurs)rechtspraak gesteld wordt.1 Het vormt een van de vereisten van behoorlijke rechtspraak die gecodificeerd zijn, zelfs in de Grondwet. Het vereiste is immers in artikel 121 Grondwet en voor de verschillende vormen van rechtspraak in verschillende desbetreffende wetten vastgelegd. De in de Grondwet neergelegde eisen gelden echter ā merkwaardigerwijs ā strikt genomen niet voor de bestuursrechterlijke instanties die niet tot de gewone rechterlijke macht behoren.2' De openbare behandeling wordt uitsluitend ten aanzien van terechtzittingen van de gewone rechterlijke macht voorgeschreven.3 De openbaarmaking van de uitspraak4 is daarentegen ook voor de uitspraken van de bestuursrechter voorgeschreven, aldus de toelichting op die bepaling.5 Aangenomen wordt ook dat artikel 121 Grondwet (of in elk geval de daarin neergelegde eisen) voor alle bestuursrechterlijke instanties geldt.6 Specifiek voor de bestuursrechter zijn ook voorschriften inzake openbaarheid te vinden in de artikelen 8:62, 8:78 en 8:79 Awb.7 Daarnaast stelt artikel 6 EVRM buiten twijfel dat, wil er sprake zijn van eerlijk proces, voldaan moet zijn aan de uit die bepaling voortvloeiende openbaarheidvereisten.
De eisen van openbaarheid die gesteld worden aan rechtspraak kunnen worden ingedeeld in twee categorieƫn. Enerzijds betreft het eisen die betrekking hebben op de openbaarheid van de behandeling van de zaak of de zitting en anderzijds gaat het om eisen die betrekking hebben op het openbaar maken van de uitspraak.8 Ondanks het feit dat deze openbaarheidvereisten al geruime tijd stevig verankerd zijn in het nationale recht door opname in de Grondwet en de Awb alsook vanwege de doorwerking van artikel 6 EVRM, vormen deze eisen geen rustig bezit. De vereisten en de naleving daarvan in de praktijk hebben de afgelopen jaren ter discussie gestaan.9
Voor dit onderzoek is allereerst van belang dat er verschil van mening bestaat over de vraag of openbaarheid van rechtspraak moet worden gezien als een beginsel van behoorlijke rechtspraak dan wel als een aan rechtspraak te stellen inrichtingseis. De Waard stelt zich uitdrukkelijk op het standpunt dat openbaarheid van de behandeling en van de uitspraak moeten worden gezien als inrichtingseisen en niet als beginselen van behoorlijke rechtspraak.10 Met name het feit dat categoriale uitzonderingen op de openbaarheidseisen mogelijk zijn (op grond van artikel 6 EVRM) en dat deze eisen voor bepaalde categorieƫn van rechtspraak niet van toepassing zijn, brengt De Waard ertoe deze eisen aan te merken als inrichtingseis.11 Widdershoven daarentegen meent dat er wel degelijk sprake is van een beginsel van behoorlijke rechtspraak.12 In het algemeen wordt openbaarheid in de literatuur, mede onder invloed van artikel 6 EVRM, ook gezien als een beginsel van behoorlijke rechtspleging.13 Ik zou mij bij die heersende opvatting willen aansluiten omdat zowel vanuit een oogpunt van het nationale recht als van artikel 6 EVRM schending van de openbaarheidseisen tot vernietiging van de uitspraak leidt en rechtens derhalve consequenties heeft.14
In de literatuur is voorts aandacht gevraagd voor het feit dat de (bestuurs)rechterlijke praktijk niet in overeenstemming zou zijn met het vereiste van een mondelinge openbare uitspraak.15 De bestuursrechter pleegt in de praktijk, in tegenspraak met hetgeen artikel 8:62 Awb en artikel 121 Grondwet voorschrijven, het dictum van de uitspraak niet (altijd) meer in het openbaar op een zitting uit te spreken. Op deze kwestie wordt hieronder nog nader ingegaan.
Het eerste deelaspect: een openbare behandeling van de zaak
Zoals aangegeven, heeft het openbaarheidsbeginsel betrekking op twee aspecten: de behandeling van de zaak en de uitspraak. Het eerste aspect staat in dit onderdeel centraal. Een openbare behandeling van de zaak ter zitting waarbij de zitting openstaat voor publiek is het uitgangspunt, maar uitzonderingen daarop zijn geoorloofd. In artikel 121 Grondwet is neergelegd dat, behoudens de gevallen bij de wet bepaald, terechtzittingen in het openbaar plaatsvinden. Hoewel, zoals hiervoor aangegeven werd, niet geheel duidelijk is of deze bepaling uitsluitend ziet op zittingen van de gewone rechterlijke macht ā strikt genomen volgt uit de tekst van de bepaling dat dit het geval is ā wordt er in het algemeen van uitgegaan dat deze eisen ook gelden voor de bestuursrechterlijke instanties die daartoe niet behoren16; de openbaarheidseisen gelden in elk geval op grond van het ongeschreven openbaarheidsbeginsel of op grond van artikel 6 EVRM.17 Op grond van welke belangen afgezien mag worden van een openbare behandeling, wordt in de Grondwet niet geregeld. Artikel 6 EVRM regelt dat wel. Ook in deze bepaling is neergelegd dat een openbare behandeling het uitgangspunt is maar tevens is geregeld dat op grond van de daar genoemde belangen uitzonderingen mogelijk zijn daarop. De zitting mag met gesloten deuren plaatsvinden indien dat in het belang is van de goede zeden, de openbare orde of nationale veiligheid, de belangen van minderjarigen of de privacy van procespartij en of een behoorlijke rechtspleging. In de Awb heeft in artikel 8:62 aansluiting plaatsgevonden bij de in artikel 6 EVRM genoemde doelcriteria.18 Het Nederlandse algemene bestuursrecht lijkt wat dat betreft derhalve met deze bepaling (en artikel 121 Grondwet) in overeenstemming te zijn. Dat betekent niet dat de bestuursrechtelijke procedures zich nimmer in de gevarenzone kunnen bevinden. Soms wordt immers in een bijzondere wet afgeweken van de regeling in de Awb op een wijze die niet verenigbaar is met artikel 6 EVRM. Een bekend voorbeeld in dat kader betreft artikel 88h WAO waarin werd bepaald dat de zitting, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren moest plaatsvinden. De Centrale Raad heeft deze regeling in strijd geacht met artikel 6 EVRM, omdat deze een categorische uitsluiting van de openbare behandeling met zich bracht.19 Interessant aan deze uitspraak is 1) dat de Centrale Raad zich ambtshalve over deze kwestie uitspreekt en 2) dat volgens de Centrale Raad dit wettelijk voorschrift zo moet worden toegepast dat de behandeling in beginsel met gesloten deuren plaatsvindt maar dat de rechter ambtshalve of op verzoek van partijen kan beslissen dat de zitting in het openbaar behoort te geschieden. De bestuursrechter heeft immers nog nooit expliciet aangegeven dat aan de openbaarheid van de zitting of andere eisen van behoorlijke rechtspleging ambtshalve moet worden getoetst.20 Bovendien wordt uit de uitspraak duidelijk dat het de bestuursrechter zelf is die beoordeelt of de beginselen van behoorlijke rechtspleging in het concrete geval in acht zijn genomen, waarbij hij de daarmee in strijd zijnde wettelijke voorschriften anders kan uitleggen of buiten toepassing kan laten.21
Zoals de Centrale Raad terecht aangeeft in de hiervoor aangehaalde uitspraak zijn categoriale uitzonderingen op het vereiste van een openbare behandeling in geschillen waarop artikel 6 EVRM van toepassing is in beginsel niet toegestaan. De noodzaak voor behandeling met gesloten deuren moet volgens het EHRM gelegen zijn in de omstandigheden van het geva1.22 Beperking van het recht op een openbare behandeling is mogelijk, mits daarmee een van de in artikel 6 genoemde belangen gediend wordt. Ook erkent het EHRM dat een partij afstand kan doen van het recht op een openbare behandeling, maar indien een zwaarwegend publiek belang dat vereist vindt desondanks een openbare behandeling plaats 23 Het EHRM heeft wel aangegeven voor de openbare behandeling dat niet in alle stadia van het geschil, afhankelijk van de bijzondere kenmerken van de betreffende procedure, een openbare behandeling van de zaak behoeft plaats te vinden. In beginsel moet in elk geval in één instantie een openbare behandeling plaatsvinden zowel in gevallen waarin burgerlijke rechten of verplichtingen in het geding zijn als gevallen waarin het een ingestelde strafvervolging betreft; dat geldt ook, indien er uitsluitend één instantie geadieerd kan worden.24 Als in eerste aanleg echter een openbare zitting heeft plaatsgevonden, mag daarvan in appèl worden afgezien, indien er slechts rechtsvragen beantwoord hoeven worden.25 Heeft in eerste aanleg geen openbare zitting plaatsgevonden, dan kan dat in (hoger) beroep hersteld worden, mits het appél devolutief is en de rechter zowel rechtsvragen als feitelijke kwesties mag beoordelen.26 Openbaarheid moet niet alleen de jure gewaarborgd zijn, maar ook de facto. Soms betekent dat dat een staat maatregelen moet treffen om de toegang voor het publiek en aanwezigheid van publiek mogelijk te maken, zoals een vervoersvoorziening indien de zitting in een afgelegen gebied plaatsvindt.27 De eis van een openbare behandeling van de zaak bevindt zich in de Nederlandse doctrine verder in redelijk rustig vaarwater en lijkt niet vaak onderwerp van geschil in de jurisprudentie te vormen.
Een punt dat echter nog nadere toelichting verdient, vormt de omstandigheid dat, zoals al werd aangegeven in paragraaf 4.3.5, soms naar aanleiding van of in de jurisprudentie van het EHRM het recht op een openbare behandeling in verband wordt gebracht met het recht op een mondelinge behandeling van de zaak, dat wil zeggen het recht van de belanghebbende om bij de behandeling aanwezig te zijn.28 Dat lijken mij twee verschillende kwesties. Openbaarheid ziet op controle en toegang door het publiek, terwijl het beginsel van hoor en wederhoor en equality of arms de aanwezigheid van alle partijen/belanghebbenden bij de zitting eisen.29 Het lijkt mij onzuiver om onder openbaarheid (naast het openbare karakter van de zitting) ook een recht om bij de zitting aanwezig te zijn te begrijpen.30 Een zitting kan heel goed niet in het openbaar gehouden worden, terwijl belanghebbenden wel het recht hebben om deze bij te wonen. De vraag of alle belanghebbenden in elkaars aanwezigheid gehoord moeten worden, is ook een vraag die door het beginsel van hoor en wederhoor en equality of arms beheerst wordt en niet zo zeer verband houdt met de openbaarheid van de zitting.31 In theorie kan het immers zo zijn dat belanghebbenden afzonderlijk worden gehoord maar (bei)de zitting(en) toch openbaar is (of zijn) voor het publiek. Wel is mogelijk dat een zitting in het geheel achterwege blijft, waarmee het recht op de openbare behandeling en het recht op een mondelinge behandeling van de belanghebbende samenvallen, maar dan gaat het in mijn optiek nog steeds om twee te onderscheiden kwesties die ook op een verschillende grondslag berusten. In het bovenstaande stond dan ook uitsluitend het recht op een openbare behandeling en uitspraak centraal. De vraag of een belanghebbende recht heeft op een mondelinge behandeling en daarbij aanwezig moet kunnen zijn, is reeds aan de orde geweest in het kader van paragraaf 4.3.5.32 Deze interne openbaarheid kan beter bij het beginsel van hoor en wederhoor worden ondergebracht.
Het openbaar maken van de uitspraak
Van de twee deelvereisten van het openbaarheidsbeginsel staat het vereiste van een openbare uitspraak in de Nederlandse doctrine het meest ter discussie. Daarbij draait het vooral om de vraag in hoeverre het in het openbaar mondeling uitspreken van de beslissing zinvol is alsmede in hoeverre dat vereist is en of de praktijk daarmee in overeenstemming is.
Zoals hierboven al is aangegeven, bepaalt de Grondwet dat de uitspraak te allen tijde in het openbaar geschiedt. Uitzonderingen daarop lijken gelet op de tekst van de bepaling niet mogelijk.33 De vraag is echter of de grondwetgever met de term 'geschiedt' bedoeld heeft dat (het dictum van) de uitspraak mondeling in het openbaar gewezen moet worden.34 In artikel 8:78 Awb is in elk geval ondubbelzinnig neergelegd dat het dictum van de uitspraak in het openbaar moet worden uitgesproken.35 In de praktijk heeft de bestuursrechter (in eerste aanleg) zich daaraan echter niet altijd gehouden en het dictum van de uitspraak wer veelal niet in het openbaar uitgesproken.36 Die (alom bekende) praktijk kwam echter nooit in de uitspraak zelf tot uitdrukking. Daarin werd steevast de zinsnede 'in het openbaar uitgesproken' opgenomen.37 De rechtbank Amsterdam heeft een einde aan deze fictie gemaakt. In verschillende uitspraken is duidelijk aangegeven dat (het dictum van) de uitspraak niet mondeling openbaar is gemaakt, maar 'is gedaan' op een bepaalde datum.38 Dat heeft vervolgens geleid tot vernietiging van de uitspraken door de Afdeling wegens strijd met artikel 8:78 Awb.39 Overigens heeft de commissie Verbetervoorstellen bestuursrecht aan de rechtbanken het advies gegeven om in elk geval een einde te maken aan de handhaving van de fictie in de uitspraken zelf dat de dicta mondeling worden uitsproken.40 Voor dat advies valt iets te zeggen, omdat vermelding in de uitspraak dat mondelinge openbaarmaking heeft plaatsgevonden, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is geweest, in elk geval geen praktijk is die moet blijven voortbestaan. De fictie kan opgeheven worden, door het in het openbaar uitspreken van de (dicta van) de uitspraken door de rechtbanken (de dicta) totdat de wetgever aan zet is geweest. Zo lang dat niet is geschied, is de handelwijze van de rechtbank Amsterdam naar de letter in strijd met de Awb en daarmee evenmin te billijken. Daarvan lijkt deze rechtbank (en ook andere rechtbanken) zich bewust, omdat inmiddels wordt overgaan tot het mondeling in het openbaar uitspraken van alle uitspraken.41 In het wetsvoorstel aanpassing bestuursprocesrecht is een wijziging op dit punt van de Awb vooralsnog evenmin voorgenomen42, hetgeen betekent dat ook in de toekomst in bestuursrechtelijke geschillen openbaarmaking van het dictum van de uitspraak nog steeds mondeling dient plaats te vinden. Duidelijk is echter dat hier een punt van aandacht ligt voor zowel de grondwetgever als de Awb-wetgever.
Vanuit het perspectief van de openbaarheidseisen, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM, vormt de praktijk om uitspraken niet in het openbaar uit te spreken geen probleem. Het EHRM laat de geoorloofdheid van de vorm van publiciteit die aan de uitspraak gegeven wordt door een verdragsstaat vooral afhangen van de bijzondere kenmerken van de procedure waar het in het betreffende geval om gaat.43 Een algemene eis dat (het dictum van) een uitspraak te allen tijde in het openbaar mondeling uitgesproken moet worden, stelt het EHRM niet.44 Afhankelijk van de aard van de desbetreffende procedure, kan openbaarmaking ook geschieden op andere wijze, zoals door toezending aan partijen en/of ter imagelegging bij de griffie en/of publicatie in een officiƫle collectie of tijdschriften.45 Het EHRM lijkt vooral waarde te hechten aan de vraag of de toegang voor het publiek tot de uitspraak oftewel 'public scrutiny' voldoende gewaarborgd is.46 Wel bestaat er soms een samenhang met de openbare behandeling van de zaak. Is dat vereiste geschonden, dan lijken er ook hogere eisen gesteld te worden aan de openbaarmaking van de uitspraak.47 In het geval dat er een openbare zitting is geweest in eerste aanleg, kan openbaarmaking aan partijen en belanghebbenden en in vaktijdschriften voldoende zijn.48 Daarentegen kan juist de omstandigheid dat een zitting in camera mocht worden gehouden in sommige gevallen ook betekenen dat openbaarmaking van de uitspraak, vanwege de in het geding zijnde belangen, op andere wijze dan in het publiek uitspreken daarvan geoorloofd is.49
Openbaarheidseisen en controle door het publiek
De eisen dat de zitting in de procedure bij de (bestuurs)rechter openbaar moet zijn en ook de uitspraak openbaar gemaakt moet worden of (althans naar Nederlands recht in elk geval het dictum) in het openbaar moet worden uitgesproken, worden gesteld ten behoeve van de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van de werkzaamheid van de rechter voor de betrokken partijen en het publiek.50 Openbaarheid van rechtspraak is van fundamenteel belang, omdat de rechter onafhankelijk behoort te zijn en vanwege zijn onafhankelijkheid geen verantwoording over zijn uitspraken schuldig is aan andere staatsmachten. Het vertrouwen in rechtspraak wordt door de openbaarheid bevorderd. Martens noemt deze functie de democratische functie van de openbaarheidseisen.51 Daarnaast wordt de kwaliteit van rechtspraak gediend door openbaarheid van rechtspraak, in het bijzonder door de combinatie van de openbare uitspraak en motivering van de uitspraak. Het afleggen van verantwoording naar buiten en de controle van het publiek werkt kwaliteitsverhogend.52 Met openbaarheid van de rechtspraak wordt naast het algemene belang ook het belang van partijen gediend.53 Openbaarheid van de behandeling door en de beslissing van de rechter vormt immers een waarborg voor partijen tegen willekeur en heeft een functie ten behoeve van het vertrouwen van het publiek in de onafhankelijke rechtspraak.54
Ook het EHRM wijst er in zijn jurisprudentie standaard op dat deze belangen gediend worden met de openbaarheid van de rechtspraak alsmede dat openbaarheid van procedures en uitspraken bijdraagt aan de realisatie van een eerlijk proces.55 In een vrij recente uitspraak verwoordde het EHRM het als volgt:
ā(...) that the public character of proceedings protects litigants against the administration of justice in secret with no public scrutiny; it is also one of the means whereby confidence in the courts, superior and inferior, can be maintained. By rendering the administration of justice visible, publicity contributes to the achievement of the aim of Article 6 § 1, namely a fair trial, the guarantee of which is one of the fundamental principles of any democratie society, within the meaning of the Convention(ā¦)56
Een onderscheid tussen de openbare behandeling en de openbare uitspraak maakt het EHRM in dat kader niet.57 Ook in de Nederlandse doctrine wordt een onderscheid in functies niet expliciet gemaakt tussen het vereiste van de openbare behandeling en de openbare uitspraak. In het licht van de functies van de openbaarheidseisen wordt soms wel aangenomen dat aan de openbaarheid van de uitspraak minder gewicht toekomt dan de openbaarheid van behandeling.58 De scepsis richt zich echter vooral tegen de (nationale) eis dat een uitspraak mondeling in het openbaar moet worden uitgesproken en betreft niet zozeer de eis dat een uitspraak openbaar moet worden gemaakt.59 Dat bleek ook uit de (inmiddel verlaten) praktijk van de Nederlandse bestuursrechter waarin een openbaar mondeling uitgesproken (dictum van de) uitspraak nauwelijks meer voorkwam.60 Publieke controle kan ook, zoals hierboven is gebleken, plaatsvinden (naast de openbaarheid van de zitting) op andere wijze of door het gebruik van andere middelen dan het mondeling in het openbaar uitspreken van de beslissing.
In de hiervoor genoemde functies van de openbaarheidseisen is er wederom een duidelijke tweedeling te herkennen: bescherming van de belangen van partijen bij de procedure alsmede bescherming van het algemene belang bevordering van het vertrouwen in rechtspraak door middel van controle door het publiek. Die tweedeling wordt ook wel treffend geĆÆllustreerd door het onderscheid tussen inwendige en uitwendige (of interne en externe) openbaarheid dat met name in het strafprocesrecht en strafrechtelijke procedures onderkend wordt.61 Inwendige openbaarheidseisen beogen de betrokken partijen te beschermen tegen willekeur, terwijl uitwendige openbaarheidseisen de controle door het publiek beogen te waarborgen.62 Aan de interne openbaarheid wordt voldaan, indien partijen of procesdeelnemers toegang tot de zitting hebben en de beschikking krijgen over de betreffende uitspraak, terwijl de externe of uitwendige openbaarheid vereist dat de zitting en de uitspraak toegankelijk zijn voor het publiek.63 In mijn opinie moet openbaarheid van rechtspraak met name met die uitwendige openbaarheidseisen in verband worden gebracht en dienen de openbaarheidseisen ook met name dat algemene belang. De bescherming van partijen tegen willekeur vormt daaraan een ondergeschikt belang, aangezien dit belang bijvoorbeeld ook (of zelfs primair) door de mondelinge behandeling in elkaars aanwezigheid of de motiveringsplicht voor de rechter gewaarborgd wordt. De mogelijke controle door het publiek versterkt dat alleen maar. De VMCstudiecommissie Openbaarheid van rechtspraak wijst erop dat de omstandigheid dat de grondwetgever destijds een openbare uitspraak wenselijk vond ten behoeve van het voorkomen van geheime vonnissen, erop duidt dat het vereiste in eerste instantie gericht is op bescherming van individuen die voor de rechter moeten verschijnen.64 Tevens geeft zij echter aan dat tegenwoordig ook gewezen wordt op de controle door het publiek als een belangrijke ratio van dat vereiste alsmede een functie in het kader van de rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Dat de controle door het publiek echter de doorslag geeft als ratio blijkt mijns inziens uit het feit dat het EHRM op de mogelijke toegang van het publiek tot de uitspraken de nadruk lijkt te leggen bij de beoordeling of aan de openbaarheidseisen op grond van artikel 6 EVRM is voldaan.65 Het EHRM overwoog ook in Pretto dat het doel van artikel 6 EVRM in de context van de openbaarheidseisen is:
āto ensure scrutiny of the judiciary by the public with a view to safeguarding the right to a fair trial."66
Voorts blijkt ook uit de jurisprudentie van het EHRM inzake het afstand doen van het recht op een openbare behandeling dat de bescherming van de belangen van partijen in het concrete geschil niet altijd voorop staat. Indien immers een zwaarwegend algemeen of publiek belang daartoe noopt, behoort, hoewel de betrokken partij daartoe de noodzaak blijkbaar niet zag, toch een openbare zitting plaats te vinden.67 Het Hof overweegt dienaangaande dat:
āHowever, a waiver must be made in an unequivocal manner and must not run counter to any important public interest."68
De primaire functie van de openbaarheidseisen schuilt derhalve in de bescherming van het vertrouwen in rechtspraak door controle van het publiek.69 Secundair staan de openbaarheidseisen ten dienste van de bescherming van de belangen van partijen tegen willekeur. In dat licht wordt hier een enigszins andere benadering voorgestaan dan die van Stroink inzake het vereiste van een openbare behandeling van de zaak. Stroink meent dat het vereiste van een openbare behandeling van de zaak ten dienste staat aan het verdedigingsbeginsel en derhalve de bescherming van de belangen van partijen.70 In zijn optiek bevordert het een gelijke positie van partijen, doordat partijen kennis hebben van alle relevante informatie en elkaars standpunten. Ook legt hij een verband tussen het recht op inzage van stukken en het verbod van de rechter om onderhandse contacten met partijen te hebben (als onderdeel van het verdedigingsbeginsel) en het vereiste van openbare behandeling van de zaak.71 In mijn ogen geldt hier echter hetzelfde als ik reeds heb betoogd ten aanzien van het recht van partijen op een mondelinge behandeling van de zaak en daarbij aanwezig te mogen zijn. Die eisen worden reeds volledig door het beginsel van hoor en wederhoor gedekt (zie hierover paragraaf 4.3.5). Het recht op inzage in stukken moet dan ook eerder in verband worden gebracht met dat beginsel (en de deelaspecten het recht om informatie te ontvangen en equality of arms) dan met het openbaarheidsbeginsel. Het beginsel van hoor en wederhoor heeft als primaire functie ook de bescherming van belangen van partijen in het concrete geschil. Voor het openbaarheidsbeginsel vormt dit 'slechts' een secundaire functie of neveneffect. De openbaarheidseisen hebben in mijn ogen op hoor en wederhoor en de genoemde eisen een gering ā doch versterkend ā effect.
Openbaarheid in samenhang met andere beginselen
Het voorgaande laat zien dat het openbaarheidsbeginsel samenhangt met enkele andere beginselen van behoorlijke rechtspleging. Allereerst bestaat er een (zij het in mijn ogen niet al te sterk) verband tussen het vereiste van een openbare behandeling van de zaak en het beginsel van hoor en wederhoor. Het openbaarheidsbeginsel staat in zeker opzicht ten dienste van of heeft als neveneffect de realisatie van het beginsel van hoor en wederhoor en de belangen van partijen in de procedure.
De openbare behandeling van de zaak kan ook in verband worden gebracht met de onpartijdigheidseisen. Hier is er een verband tussen de externe werking in de vorm de publieke controle van de werkzaamheid van de rechter en de wijze waarop hij deze verricht van het openbaarheidsbeginsel en de interne werking van het onpartijdigheidsbeginsel. Doordat de behandeling in het openbaar geschiedt, is de kans op willekeur of partijdigheid van de rechter door de publieke controle geringer. Evenals bij het verdedigingsbeginsel versterkt het openbaarheidsbeginsel de onpartijdigheid van de rechter. Op deze wijze verkrijgt het beginsel, dat primaire externe werking heeft, ook een interne dimensie.
Er bestaat niet alleen een samenhang tussen het openbaarheidsbeginsel en deze beginselen, maar ook tussen het motiveringsbeginsel en het vereiste van een openbare uitspraak bestaat deze.72 Zo kan publieke controle van de uitspraak slechts plaatsvinden indien die uitspraak openbaar wordt gemaakt, maar tevens de motivering bevat waardoor de rechter publiekelijk verantwoording aflegt voor de uitspraak. Een openbare uitspraak zonder motivering zou zinloos zijn en kan het doel ervan ā publieke controle ten behoeve van het vertrouwen in de rechtspraak ā maar zeer ten dele bewerkstelligen. Een gegeven motivering is echter evenzeer zinloos in het kader van dĆ”t doel indien de uitspraak niet openbaar is; de groep personen die kennis kan nemen van de uitspraak en de motivering is dan zo beperkt dat ook in dat geval die functie van de motiveringsplicht niet tot zijn recht komt. Van belang is voor ogen te houden dat de openbaarmaking niet mondeling behoeft plaats te vinden; voldoende om de functies te realiseren is dat de uitspraak en de gegeven motivering in elk geval voor het publiek voldoende toegankelijk zijn op welke wijze dan ook.
Procesrechtelijke eisen voor de procedure bij en uitspraak van de bestuursrechter
De inrichtingseisen voor een procedure om aan de beide deelvereisten van het openbaarheidsbeginsel te voldoen, kunnen van verschillende aard zijn. Voor een openbare behandeling van de zaak moet gedacht worden aan het uitgangspunt dat in de procedure voor de rechter een terechtzitting behoort plaats te vinden die in beginsel ook open is voor publiek. Uitzonderingen daarop kunnen in bepaalde nauwkeurig omschreven gevallen mogelijk zijn. Aangesloten kan worden bij de mogelijkheden tot beperking die in artikel 6 EVRM genoemd worden, zoals ook is geschied in artikel 8:62 van de Awb voor de procedure bij de bestuursrechter. Die bepaling legt een openbare behandeling van de zaak als uitgangspunt vast in het eerste lid, terwijl in het tweede lid is vastgelegd dat dit uitgangspunt uitzondering lijdt in het belang van de openbare orde en goede zeden, in het belang van de veiligheid van de Staat, indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de partijen dit eisen of indien openbaarheid het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schenden.
Voor de openbaarmaking van de uitspraak zien de inrichtingseisen op de wijze waarop de uitspraak bekend wordt gemaakt aan partijen, maar ook op de wijze van bekendmaking voor het publiek. De Awb bevat verschillende voorschriften daarover. Allereerst het al eerder aangehaalde voorschrift in artikel 8:78 dat het dictum van de uitspraak in het openbaar wordt uitgesproken. Voorts bepaalt artikel 8:79 Awb dat een afschrift van de uitspraak (of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak) door de griffier binnen twee weken kosteloos aan partijen wordt verstrekt. Aan anderen kan eveneens op verzoek een afschrift of uittreksel van de uitspraak (of het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak) verstrekt worden. Geheel kosteloos is dit echter niet.73 Daarnaast worden verschillende uitspraken geselecteerd voor publicatie op internet74 en vaktijdschriften en bestaat op die wijze (beperkte) toegang voor het publiek tot uitspraken van de rechterlijke instanties.