Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/1.2
1.2 Uitgangspunt: geen beperkte rechten op eigen goederen
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491169:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/10; J.E. Jansen 2007, p. 73; Zwalve 2006,p. 87-90; Van den Bergh 1988, p. 32, 37; Pitlo/Brahn, Zakenrecht 1987, p. 4; Feenstra 1979; Asser/Scholten Zakenrecht 1945, p. 39; Suijling V 1940, nr. 8-10, 83, 306-307, 312, 318, 329; Veegens/Oppenheim II 1925, p. 115, 135, 139, 146, 159, 183, 187, 189, 221, 223; Land II 1901, p. 7, 58, 278, 313-314, 321, 353; Diephuis VI 1886, p. 19, 21-22, 474. Vgl. Asser/Van Mierlo & Krzemi/ski 3-VI 2020/105, 252. Vgl. voor het Belgische recht Sagaert 2014, nr. 187.
Pitlo/Brahn, Zakenrecht 1987, p. 4; Asser/Scholten Zakenrecht 1945, p. 39; Land II 1901, p. 111; Diephuis VI 1886, p. 18, 477. Vgl. voor het Belgische recht Sagaert 2014, nr. 187.
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 311; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/19; Asser/Van Mierlo & Krzemi/ski 3-VI 2020/105, 142b, 318; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/605; Van Velten 2018/2.3.1; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/12; Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen, Hartkamps Compendium van het vermogensrecht 2017/130; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/480; J.E. Jansen 2008, p. 75; J.E. Jansen 2007, p. 73; Fesevur 2005, p. 196; Suijling I 1948, nr. 64; Suijling V 1940, nr. 83, 312. Dat blijkt ook uit art. 753 en 854 onder 3° oud BW.
Land II 1901, p. 112. Vgl. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/33; Van Hoof 2020, p. 6; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/605-606; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/78; Struycken 2007, p. 363; Ploeger 2000; Suijling V 1940, nr. 75.
Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/464; J.E. Jansen 2008, p. 75; Struycken 2007, p. 228-230; Van den Bergh 1988, p. 34; Suijling V 1940, nr. 119, 312; Diephuis VI 1886, p. 477-478. Vgl. Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/10; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/450. Vgl. voor het Duitse recht: Windscheid/Kipp I 1906, §200, p. 1024, voetnoot 4; Hartmann 1838, p. 10-11.
Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 310-311.
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 309-311, 840-841; Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 296, 965; Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 245, 287-289, 393-394; Parl. Gesch. Inv. BW Boek 5, p. 1053-1054; Parl. Gesch. Inv. BW Overgangsrecht, p. 87-88.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/19-21; Asser/Perrick 4 2021/531, 571, 753; Handboek Erfrecht 2020/VII.2.15, XII.5; Asser/Van Mierlo & Krzemi/ski 3-VI 2020/105, 142b, 252, 318; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/605-606, 614, 639, 662, 677, 701; Ploeger & Bounjouh, Erfpacht en opstal (Mon. BW nr. B28) 2019/51; Van Velten 2018/2.3.1, 2.4.3, 10.23, 12.16, 14.5; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/10, 173, 204, 384-384a, 498; Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen, Hartkamps Compendium van het vermogensrecht 2017/130; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/478, 480; Huijgen, Hypotheek (Mon. BW nr. B12b) 2016/30; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/228, 263, 818-819; Fesevur 2005, p. 14, 196; Pitlo/Van der Burght & Ebben, Erfrecht 2004/505.
Suijling I 1948, nr. 64; Suijling V 1940, nr. 9-10, 83, 312-313, 329; Diephuis VI 1886, p. 477-479, 498-500, 604-608. Vgl. Asser/Beekhuis 3-I 1985/12-13; Asser/Scholten Zakenrecht 1945, p. 42.
Nap 1902. Nap is volgens het Leidsch Dagblad van 27 oktober 1905, p. 2, kolom 3, advocaat en procureur te Den Haag en commies van Staat bij de Raad van State. Zie ook: Leidsche Courant 6 september 1912, p. 1, kolom 5; het titelblad van Nap 1910; Leidsch Dagblad 30 december 1901, p. 2, kolom 1.
Zie §11.11.
Vgl. de zeer kritische bespreking van Naps artikel door De Pinto 1902: ‘Het zwakste deel van des schrijvers studie schijnt mij wel § 4, waarin hij tot eene conclusie komt voor het thans bij ons geldende recht. Hij stelt daarbij voorop (bl. 542), dat “de ongeldigheid der leer nulli res sua servit voor het geldende recht als vaststaand (kan) worden beschouwd”, en tracht dan op een paar bladzijden het bewijs dezer gewaagde stelling te leveren. Dit is hem niet gelukt en kon hem niet gelukken, (…).’
Vgl. J.E. Jansen 2007, p. 90-91.
Art. 3:81 lid 3 (eerste en tweede volzin), 4:50 lid 3 en 5:83 BW.
De overdracht onder voorbehoud van een beperkt recht (§2.7), de vestiging van een beperkt recht door de eigenaar ten gunste van zichzelf om de rang van het beperkte recht veilig te stellen (§9.3), het voortbestaan van een beperkt recht op een eigen zaak om de eigenaar de keuze te bieden op welk recht hij een beroep doet (nr. 49) en het voortbestaan van beperkte rechten op een eigen zaak in gemeenschapssituaties (hoofdstuk 6).
Pleysier 1985; Pleysier 1983b; Pleysier 1983a; Reepmaker 1933; Borret 1916, p. 19, 33; De Bussy 1914; Nap 1902; W. Modderman 1867; Cremers 1861; Anoniem 1861, p. 392-393; S.M.S. Modderman 1859; Anoniem 1859. Vgl. J.E. Jansen 2007, p. 89-91. Zie voor meer verwijzingen §2.5.1.
Oostwoud Wijdenes 1889.
Juister gezegd gaat het proefschrift over de vraag of een recht van hypotheek op vruchtgenot tenietgaat, bij het tenietgaan door vermenging van het vruchtgebruik. Volgens art. 819 lid 1 oud BW kon de vruchtgebruiker slechts het vruchtgenot bezwaren met beperkte rechten, niet het vruchtgebruik. In de oude literatuur werd aangenomen dat deze bepaling letterlijk gelezen moest worden. De vruchtgebruiker kon dus alleen het vruchtgenot bezwaren. Oostwoud Wijdenes volgt die oude opvatting. Als het vruchtgebruik tenietgaat, dan eindigt ook het vruchtgenot. Daarom is relevant of het tenietgaan door vermenging van het vruchtgebruik ten nadele werkt van degene die een hypotheek heeft op het vruchtgenot. Volgens een modernere opvatting onder het oude recht kon de vruchtgebruiker wel het vruchtgebruik bezwaren. Zie: Asser/Beekhuis 3-II 1990/395 (met verwijzingen naar andere literatuur); Suijling V 1940, nr. 376.
J.E. Jansen 2007. Zie ook: Spath 2017, p. 23-26; Meijers 1948, p. 134-135.
Zie de literatuurverwijzingen verderop in dit proefschrift.
Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/384; Vonck 2016, p. 81-86; Huijgen 2011; Tweehuysen 2011; Huijgen 2010; Louwman 2004. Zie §6.5 voor meer literatuurverwijzingen.
Van Hoof 2020, p. 16; Van Oostrom-Streep, Verstappen & Van Vliet 2016, p. 265-269; Ploeger 2000.
Hoorweg 1930, p. 21-30, 85; Leopold 1930, p. 53-54.
Ik gebruik de terminologie van art. 1472 oud BW om de vermenging van art. 3:81 lid 2, aanhef en onder e BW, te onderscheiden van die van art. 6:161 BW. Zie over het begrip ‘schuldvermenging’: Asser/Sieburgh 6-II 2017/337. Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 590-591.
Asser/Sieburgh 6-II 2017/337; E.M. Meijers, annotatie onder HR 26 augustus 1929, ECLI:NL:HR:1929:103, NJ 1929, p. 1525(Faillissement Brandts I); Fabricius 1936, p. 66; Modderman 1867, p. 85.
4. De drie besproken gevallen hebben met elkaar gemeen, dat belang bestaat bij een beperkt recht op een eigen goed. In het geldende Nederlandse recht geldt echter het uitgangspunt dat iemand geen beperkte rechten op zijn eigen goed kan hebben. In de wet komt dat uitgangspunt tot uitdrukking in de omschrijvingen van de rechten van vruchtgebruik, erfpacht en opstal: het zijn rechten op zaken of goederen van een ander (art. 3:201, 5:85 lid 1 en 5:101 lid 1 BW).1 Het uitgangspunt blijkt verder uit de wat ouderwetse benaming voor een beperkt recht: een recht op andermans zaak (ius in re aliena).2 Dat in tegenstelling tot het eigendomsrecht: het recht op de eigen zaak.3
Eveneens blijkt het uitgangspunt uit de regel dat beperkte rechten door vermenging tenietgaan (art. 3:81 lid 2, aanhef en onder e BW). De wet bepaalt weliswaar niet wat met ‘vermenging’ wordt bedoeld, maar de parlementaire geschiedenis en de literatuur laten daar geen twijfel over bestaan. Vermenging treedt op als beperkt recht en moederrecht in één hand samenkomen.4 Het optreden van vermenging is een vrij mechanisch verschijnsel: als beperkt recht en moederrecht in één hand komen, gaat het beperkte recht door vermenging teniet. Daarbij is niet van belang op welke wijze beide rechten in één hand zijn gekomen, of dat is bedoeld de rechten voor korte tijd in dezelfde handen te laten. Evenmin is een aparte rechtshandeling nodig voor het tenietgaan van het beperkte recht. Vermenging treedt van rechtswege op en is van dwingend recht.5 Bij de vestiging van een beperkt recht kan bijvoorbeeld niet effectief worden bedongen dat het niet door vermenging tenietgaat, als de eigenaar van de bezwaarde zaak, het beperkte recht verkrijgt.
In het vervolg gebruik ik afwisselend de begrippen ‘eigenaar’ en ‘zaak’, en ‘rechthebbende’ en ‘goed’. Dat doe ik voor de afwisseling en omwille van het leesgemak: het eerstgenoemde begrippenpaar is minder abstract. De begrippen ‘eigenaar’ en ‘zaak’ gebruik ik als pars pro toto. Steeds bedoel ik daarmee ook ‘rechthebbende’ en ‘goed’, tenzij anders aangegeven.
5. Iemand heeft (in beginsel) geen belang bij een beperkt recht op zijn eigen zaak, omdat de bevoegdheden die zijn verbonden aan het beperkte recht, reeds besloten liggen in het eigendomsrecht. De (onbezwaarde) eigendom omvat de beperkte rechten.6 Het beperkte recht heeft de rechthebbende niets méér te bieden dan hij al heeft. Een recht van erfpacht geeft de rechthebbende bijvoorbeeld de bevoegdheid de bezwaarde zaak te houden en te gebruiken (art. 5:85 lid 1 BW). De eigenaar van een zaak heeft die bevoegdheden ook (art. 5:1 lid 2 BW). De hypotheekhouder heeft de bevoegdheid de bezwaarde zaak te verkopen en te leveren indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van de gezekerde vordering, en zich met voorrang op de opbrengst te verhalen (art. 3:227 lid 1 en 3:268 lid 1 BW, art. 546 en 525 lid 1 Rv). De eigenaar is eveneens bevoegd zijn zaak te verkopen en te leveren. Hij heeft (in beginsel) niets aan de bevoegdheid zich bij voorrang te verhalen op de executieopbrengst.
Het uitgangspunt dat iemand geen beperkte rechten op zijn eigen zaak kan hebben, heeft een ordenende functie: beperkte rechten op een eigen zaak worden van rechtswege ‘opgeruimd’, omdat ze geen zinvolle functie meer hebben.7 Een normatieve functie heeft het uitgangspunt niet: beperkte rechten op een eigen zaak worden niet als fout of moreel verwerpelijk gezien.
6. Beperkte rechten op een eigen zaak als zodanig hebben in de Nederlandse rechtsliteratuur op weinig belangstelling mogen rekenen. In de parlementaire geschiedenis van het huidige Burgerlijk Wetboek zijn enkele passages daaraan gewijd, ter toelichting op de voorgestelde wetsbepalingen.8 Het verschijnsel komt in de moderne handboeken en studieboeken niet systematisch en slechts oppervlakkig aan bod.9 De oude handboeken staan iets uitgebreider, maar nog steeds vrij beknopt, stil bij het uitgangspunt dat beperkte rechten niet op een eigen zaak kunnen rusten.10
De Haagse advocaat en ambtenaar J.M. Nap is in een artikel uit 1902, met de titel Het zakelijk recht van den eigenaar, wel uitgebreid ingegaan op de vraag of een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben.11 Nap betoogt dat een eigenaar volgens het geldende recht beperkte rechten op zijn eigen zaak kan hebben (vestigen en verkrijgen), omdat dit wenselijk is. Hij constateert dat een eigenaar volgens het oud BW in bepaalde gevallen een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben.12 Het Romeinse recht kende eveneens enkele van zulke gevallen. Daarom is de regel dat beperkte rechten niet op een eigen zaak kunnen rusten, volgens hem ‘ongeldig’.
Nap heeft gelijk dat het kunnen hebben van beperkte rechten op een eigen zaak, wenselijk kan zijn.13 Zijn argumentatie schiet echter op twee cruciale punten tekort:14
het feit dat iets wenselijk is, betekent nog niet dat het ook kan;
het feit dat de wet enkele gevallen noemt waarin de eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben, betekent nog niet dat de eigenaar steeds beperkte rechten op zijn eigen zaak kan hebben. Als uitgangspunt geldt dat een eigenaar geen beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben.
Naps opvatting heeft geen navolging gevonden in de literatuur.15 Wel zijn de meeste gevallen die hij als voorbeeld noemt waarin een beperkt recht op een eigen zaak wenselijk kan zijn, thans in de wet geregeld.16 De andere voorbeelden komen verderop in dit proefschrift aan bod.17
De vraag of het optreden van vermenging relatieve werking heeft, is in de oude literatuur vrij uitgebreid aan bod gekomen.18 Onder andere in het proefschrift van Oostwoud Wijdenes uit 1889.19 Dat proefschrift gaat over de vraag of een recht van hypotheek op vruchtgebruik eindigt, bij het tenietgaan door vermenging van het vruchtgebruik.20 Die vraag is voor het huidige recht echter niet meer relevant, omdat art. 3:81 lid 3 BW daarvoor een regeling geeft. Daarmee is de discussie beslecht. J.E. Jansen is in een artikel ingegaan op de historische achtergrond van de relatieve werking van vermenging, en de verschillen tussen art. 3:81 lid 3 BW en art. 5:83 BW.21
In de recente literatuur is aandacht besteed aan enkele specifieke kwesties die verband houden met beperkte rechten op eigen goederen.22 In het bijzonder geldt dat voor het optreden van vermenging bij een splitsing in appartementsrechten.23 Daarnaast zijn vrij recent voorstellen tot wetswijziging gedaan om het mogelijk te maken dat erfdienstbaarheden gevestigd worden als heersend en dienend erf in één hand zijn.24 In een preadvies uit 1930 is voorgesteld het mogelijk te maken dat een eigenaar ten gunste van zichzelf een recht van hypotheek op zijn eigen zaak vestigt.25
Verder bestaat literatuur en rechtspraak over schuldvermenging (art. 6:161 BW).26 Een verbintenis gaat door schuldvermenging teniet, wanneer door overgang van de vordering of de schuld de hoedanigheid van schuldeiser en die van schuldenaar zich in één persoon verenigen. De schuldvermenging en het tenietgaan door vermenging van beperkte rechten hebben dezelfde grondslag: er bestaat geen belang bij de verbintenis of het beperkte recht.27 Om die reden verwijs ik op sommige plaatsen – bij wijze van interne rechtsvergelijking – naar rechtspraak en literatuur over de schuldvermenging.