Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.15:20.15 De criminal charge in punitieve belastingzaken
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.15
20.15 De criminal charge in punitieve belastingzaken
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499528:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bezien vanuit art. 6 EVRM is het wetssystematische onderscheid tussen de heffings- en sanctiesfeer, die in de voorgaande twee hoofdstukken aan de orde kwam, niet beslissend voor het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in punitieve belastingzaken. Dat bereik steunt op de notie van dwang tot zelfbelasting in een strafcontext. De van burgers gevorderde medewerking moet hen kunnen belasten in verband met een tegenover hen geuite criminal charge ofwel beschuldiging; in deze studie vanwege overtreding van een fiscaal voorschrift. Deze medewerking kan ook worden gevorderd in de (fiscale) heffingssfeer, op grond van de aangifteplicht en de bijkomende (informatie)verplichtingen.
Tegen deze achtergrond heb ik in hoofdstuk 15 onderzocht of de uitleg en toepassing die de Nederlandse wetgever, rechter en uitvoerder aan het criminal charge-begrip in punitieve belastingzaken geven, in overeenstemming is met de uitleg en toepassing daarvan door het EHRM. Ik heb de nadruk gelegd op het ‘charge’-begrip. Het beginpunt van de ‘charge’ in art. 6 EVRM is in beginsel bepalend voor de toepassing van het recht tegen gedwongen zelfbelasting.
De uitleg die de Nederlandse wetgever en rechter in punitieve belastingzaken aan het ‘criminal’-begrip geven, sluit aan op de uitleg daarvan door het Hof. Als ‘criminal’ zijn aan te merken de strafsancties (geldboete, taak- en gevangenisstraf) en de bestuurlijke vergrijp- en verzuimboetes die zijn gesteld op de overtreding van een fiscaal voorschrift. De processuele sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast is volgens vaste rechtspraak van de belastingkamer van de HR geen bestraffende sanctie. Hoewel de omkering punitieve elementen kent en daarvan dwang op de verdacht uitgaat, is deze opvatting naar mijn oordeel juist en raakt de omkering van de bewijslast als zodanig niet aan art. 6 EVRM.
Voor wat betreft het ‘charge’-begrip kan worden vastgesteld dat vanwege de (geobjectiveerde) uitleg en toepassing die de straf- en belastingkamer van de HR aan het Straatsburgse beïnvloedingscriterium (‘substantially affected’) geeft, het aanvangsmoment van de criminal charge in punitieve belastingzaken niet (steeds) aansluit op de uitleg en toepassing die het Hof daaraan geeft. Volgens de HR dient een criminal charge zich aan zodra de verdachte op grond van een handeling van overheidswege redelijkerwijs mag verwachten dat hij strafrechtelijk zal worden vervolgd of aan hem een boete zal worden opgelegd (= verwachtingscriterium).
De vereiste redelijkheid laat minder ruimte voor subjectivering dan het EHRM lijkt voor te staan met het beïnvloedingscriterium. Temeer omdat de HR de verwachting afhankelijk stelt van een voor de betrokkene kenbare handeling van de autoriteiten. Zodoende lijkt het verwachtingscriterium wat dichter bij het wetssystematische onderscheid tussen de heffings- en sanctiesfeer te liggen dan geldt voor het beïnvloedingscriterium.
De bestuurswetgever kiest voor het (eerste) verhoor ex art. 5:10a Awb als moment a quo voor de toepassing van het boeterechtelijk zwijgrecht respectievelijk art. 6, lid 1 EVRM. De verdedigingspositie van de boeteling kan echter al eerder wezenlijk zijn beïnvloed door op bestraffing gerichte (en al dan niet kenbare) handelingen van de inspecteur of de voor hem werkzame controleambtenaren. Mogelijk is in het geheel geen sprake van een verhoor. Ook dan heeft het jurisprudentiële verwachtingscriterium (en voor zover dat ruimer is: het Straatsburgse beïnvloedingscriterium) aanvullende werking.
In de Nederlandse (fiscale) strafvordering staat centraal het redelijke vermoeden van schuld in art. 27 Sv. Dit vermoeden is het ijkpunt voor de toepasselijkheid van het strafrechtelijk zwijgrecht in art. 29 Sv. Hoewel denkbaar is dat het ‘charge’-moment in strafzaken voorafgaat aan een strafrechtelijke verdenking, is de verdachte ex art. 27 Sv in grote mate vergelijkbaar met die van de ‘person charged’ in de rechtspraak van het Straatsburgse hof.
Aangenomen moet worden dat alle categorieën aangifte-, inhoudings- en informatieplichtigen in belastingzaken onder de werkingssfeer van het ‘criminal head’ van art. 6 EVRM vallen. Wel is het zo dat aan overheidsinstanties geen beroep op het individueel klachtrecht bij het EHRM toekomt.