Rb. Rotterdam, 23-01-2020, nr. ROT 19/2189
ECLI:NL:RBROT:2020:424
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
23-01-2020
- Zaaknummer
ROT 19/2189
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2020:424, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 23‑01‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Schadevergoedingsuitspraak, Verzet)
ECLI:NL:RBROT:2019:6583, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 28‑08‑2019; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Vereenvoudigde behandeling)
Uitspraak 23‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Verzet tegen onbevoegdverklaring (ECLI:NL:RBROT:2019:6583). Uit het systeem van de wet en uit de rechtspraak volgt dat de rechter die bevoegd is te beslissen over een materieel geschil tevens bevoegd is om uitspraak te doen op een beroep wegens het niet tijdig beslissen over die kwestie en over de verschuldigdheid van een dwangsom in dat verband (vgl. ECLI:NL:HR:2013:1797; ECLI:NL:RVS:2010:BM1041 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722). Verder volgt uit de artikelen 8:88, eerste lid, en 8:90, eerste lid, van de Awb dat de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het schadeveroorzakende besluit of het niet tijdig nemen van een besluit, tevens bevoegd is te oordelen over een verzoek om schadevergoeding. Dit betekent niet alleen dat de uitspraak waartegen het verzet zich richt juist is, maar ook dat opposant tegen beter weten in blijft volharden in een volstrekt kansloze rechtsgang door verzet aan te tekenen. Uit de proceshouding van opposant, die gelet op de hoeveelheid door hem uitgelokte uitspraken over dit onderwerp (en het daarbij meermaals niet betalen van het verschuldigde griffierecht) tot een onevenredige belasting op de rechtspraak leidt, volgt dat het hem enkel is te doen om geldsommen te incasseren ten koste van de overheid, zonder dat (nog) sprake is van een onderliggend inhoudelijk geschil. De verzetsrechter kan deze proceshouding niet anders kwalificeren dan als misbruik van recht, aan welk leerstuk de bestuursrechter ambtshalve toepassing kan geven omdat dit raakt aan de toegang tot de rechter (ECLI:NL:RVS:2018:291 en ECLI:NL:RVS:2018:1636).
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/2189
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2020 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van
[Naam], te [plaats], opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 augustus 2019 in het geding tussen opposant en
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat, over zijn verzoek om schadevergoeding.
Procesverloop
Opposant heeft de rechtbank bij brief van 26 april 2019 verzocht om een schadevergoeding vanwege het uitblijven van uitspraken van het gerechtshof Den Haag (het Hof) op in 2015 ingediende hoger beroepschriften tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2015 (zaaknummers ROT 14/5256 en ROT 14/5192).
De griffier heeft het verzoek doorgezonden naar het Hof, omdat naar het oordeel van de griffier niet de rechtbank maar het Hof bevoegd is. Opposant is van de doorzending bij brief van 2 mei 2019 op de hoogte gesteld.
Bij brief van 3 juli 2019 heeft opposant gepersisteerd in zijn verzoek aan de rechtbank om schadevergoeding.
De rechtbank heeft zich op 28 augustus 2019 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onbevoegd verklaard (ECLI:NL:RBROT:2019:6583).
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
De rechtbank heeft bepaald dat een (nadere) zitting achterwege wordt gelaten.
Overwegingen
1. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat hoewel uit de brief van het Gerechtsbestuur van het Hof (het Gerechtsbestuur) van 12 juli 2016 volgt dat volgens het Gerechtsbestuur geen procedure loopt bij het Hof, er blijkbaar wel onherroepelijke uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) voorliggen, het verzoek van opposant om een schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niettemin is gestoeld op zijn stelling dat het Hof nog immer in gebreke is uitspraken te doen op zijn hoger beroepen. Gelet op die insteek van het verzoek is de rechtbank overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid, van de Awb kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Omdat opposant heeft volhard in zijn stelling dat de rechtbank bevoegd is, zal de rechtbank de brief van opposant van 3 juli 2019 niet doorzenden naar het Hof, maar uitspraak doen.
2. Opposant heeft aangevoerd dat uit de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 maart 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:728) volgt dat het Hof als belastingrechter bevoegd was te beslissen over de verschuldigdheid van een of meer dwangsommen wegens niet tijdig beslissen en dat het Hof in zijn uitspraak van 13 januari 2016 heeft verzuimd uitspraak te doen over de beroepschriften die zien op het niet tijdig beslissen en de verschuldigdheid van dwangsommen. Voorts heeft opposant aangevoerd dat uit de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188) volgt dat behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens trage rechtspraak kan worden behandeld door een rechtbank en dat de rechtbank gehouden is om het beroepschrift door te sturen naar de bevoegde rechtbank. Gelet op het tijdstip van indiening van de hoger beroepschriften bij het Hof op 12 en 19 maart 2015 en de omstandigheid dat het Hof nog steeds niet daarop heeft beslist, is volgens opposant de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM ruimschoots verstreken, zodat hij aanspraak maakt op schadevergoeding wegens het niet binnen redelijke termijn doen van een einduitspraak door het Hof.
3. De verzetsrechter stelt, net als in de uitspraak waartegen het verzet is gericht, voorop dat in een geval als dit waarin wordt verzocht om schadevergoeding wegens trage rechtspraak, de Staat als procespartij dient te worden aangemerkt. In die uitspraak staat evenwel tussen haakjes daarachter vermeld de Minister voor Rechtsbescherming. Naar het oordeel van de verzetsrechter moet dit zijn de Minister van Justitie en Veiligheid. Vandaar dat die in aanhef tussen haakjes is opgenomen achter de Staat.
4. Uit het systeem van de wet en uit de rechtspraak volgt dat de rechter die bevoegd is te beslissen over een materieel geschil tevens bevoegd is om uitspraak te doen op een beroep wegens het niet tijdig beslissen over die kwestie en over de verschuldigdheid van een dwangsom in dat verband (vgl. ECLI:NL:HR:2013:1797; ECLI:NL:RVS:2010:BM1041 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722). Verder volgt uit de artikelen 8:88, eerste lid, en 8:90, eerste lid, van de Awb dat de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het schadeveroorzakende besluit of het niet tijdig nemen van een besluit, tevens bevoegd is te oordelen over een verzoek om schadevergoeding.
5. Het standpunt van opposant dat de belastingrechter bevoegd is te beslissen over beroepen wegens niet tijdig beslissen en in dat verband dwangsommen toe te kennen is daarom op zichzelf juist, maar die bevoegdheid is er alleen indien het onderliggende geschil gaat over belastingheffing. De uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 maart 2014 waarnaar opposant heeft verwezen ziet op een dergelijke heffing. De geschillen waarin opposant echter meent aanspraak te kunnen maken op dwangsommen wegens niet tijdig beslissen zien – zo blijkt hierna – op twee verzoeken om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). In die zaken is de rechtbank in eerste aanleg als algemene bestuursrechter bevoegd en staat hoger beroep open bij de Afdeling. Dat in een van die twee zaken de heffingsambtenaar van de gemeente Binnenmaas (de heffingsambtenaar) het bestuursorgaan is tot wie het Wob-verzoek is gericht maakt dit niet anders (ECLI:NL:RVS:2015:1230 en ECLI:NL:RVS:2016:476). Dit geldt evenzeer in de andere zaak waarin het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas (het college) wordt verzocht om informatie omtrent de heffingsambtenaar (ECLI:NL:RVS:2013:2218 en ECLI:NL:RVS:2014:4682).
6. Met betrekking tot de afdoening van het verzet neemt de verzetsrechter voorts het volgende in aanmerking.
7. Bij uitspraak van 22 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:5915) heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van opposant tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar ten aanzien van de waardevaststelling van de woning en de aanslag onroerende zaakbelasting voor het jaar 2013. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 januari 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:63) heeft het Hof de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
8. Bij uitspraak van 22 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:5914) heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van opposant tegen het besluit op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 maart 2014, waarbij het bezwaar tegen de afwijzing van een dwangsom wegens het veronderstelde niet tijdig beslissen op een informatieverzoek (omtrent de ambtelijke positie van twee personen die hem naar aanleiding van het bezwaarschrift hebben gehoord) ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant in verzuim was het juiste griffierecht te voldoen. Opposant heeft tegen deze uitspraak geen rechtsmiddelen ingesteld, maar heeft op 6 augustus 2014 opnieuw beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 20 maart 2014. Bij uitspraak van 6 maart 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1469) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep niet verschoonbaar te laat is ingesteld.
Opposant heeft tegen deze uitspraak van 6 maart 2015 hoger beroep opengesteld bij het Hof. Het Hof heeft het hoger beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling. De Afdeling heeft uitspraak gedaan op 23 juli 2015 (20150175/2/A3). De Afdeling heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant verwijtbaar niet tijdig het in hoger beroep verschuldigde griffierecht heeft voldaan.
9. Bij uitspraak van 22 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:5912) heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van opposant tegen de brief van 14 oktober 2013 van het college met betrekking tot een informatieverzoek van opposant (documenten aangaande de benoeming en het mandaat van de heffingsambtenaar). De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant in verzuim was het juiste griffierecht te voldoen.
Opposant heeft tegen deze uitspraak geen rechtsmiddelen ingesteld, maar hij heeft op 1 augustus 2014 beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen op hetzelfde informatieverzoek.
Bij uitspraak van 6 maart 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1467) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep onredelijk laat is ingesteld. Opposant heeft tegen deze uitspraak van 6 maart 2015 hoger beroep opengesteld bij het Hof. Het Hof heeft het hoger beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling. De Afdeling heeft uitspraak gedaan op 30 juli 2015 (20152175/2/A3). De Afdeling heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant verwijtbaar niet tijdig het in hoger beroep verschuldigde griffierecht heeft voldaan.
10. Uit het voorgaande volgt dat – anders dan waarin opposant wenst te volharden – er geen sprake is van enige hoger beroepszaak waarin het Hof weigerachtig is uitspraak te doen over niet tijdig beslissen en de verschuldigdheid van een dwangsom nu de Afdeling daarover in haar uitspraken van 23 juli en 30 juli 2015 onherroepelijk heeft beslist. Voor zover dit opposant niet reeds duidelijk had kunnen zijn uit de hiervoor opgesomde uitspraken waarin hij partij was, had hem dit toch uiterlijk na kennisname van de brief van het Gerechtsbestuur van 12 juli 2016, waarin het procesverloop in deze zaken uitgebreid is opgesomd, duidelijk moeten zijn.
11. Dit betekent niet alleen dat de uitspraak waartegen het verzet zich richt juist is, maar ook dat opposant tegen beter weten in blijft volharden in een volstrekt kansloze rechtsgang door verzet aan te tekenen. Uit de proceshouding van opposant, die gelet op de hoeveelheid door hem uitgelokte uitspraken over dit onderwerp (en het daarbij meermaals niet betalen van het verschuldigde griffierecht) tot een onevenredige belasting op de rechtspraak leidt, volgt dat het hem enkel is te doen om geldsommen te incasseren ten koste van de overheid, zonder dat (nog) sprake is van een onderliggend inhoudelijk geschil. De verzetsrechter kan deze proceshouding niet anders kwalificeren dan als misbruik van recht, aan welk leerstuk de bestuursrechter ambtshalve toepassing kan geven omdat dit raakt aan de toegang tot de rechter (ECLI:NL:RVS:2018:291 en ECLI:NL:RVS:2018:1636).
12. Gelet hierop zal de rechtbank het verzet wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk verklaren.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 januari 2020.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitspraak 28‑08‑2019
Inhoudsindicatie
Hoewel uit het voorgaande volgt dat volgens het gerechtsbestuur van het Hof geen procedure loopt bij het Hof, terwijl er blijkbaar wel onherroepelijke uitspraken van de Afdeling voorliggen, is het verzoek van eiser om een schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM niettemin gestoeld op zijn stelling dat het Hof nog immer in gebreke is uitspraken te doen op zijn hoger beroepen. Gelet op die insteek van het verzoek is de rechtbank overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid, van de Awb kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Omdat eiser heeft volhard in zijn stelling dat de rechtbank bevoegd is, zal de rechtbank de brief van 3 juli 2019 niet per brief van de griffier doorzenden naar het Hof, maar uitspraak doen. De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/2189
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[Naam], te [Plaats], eiser,
en
de Staat der Nederlanden (Minister voor Rechtsbescherming), de Staat, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft de rechtbank bij brief van 26 april 2019 verzocht om een schadevergoeding vanwege het uitblijven van uitspraken van het gerechtshof Den Haag (het Hof) op in 2015 ingediende hoger beroepschriften tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2015 (zaaknummers ROT 14/5256 en ROT 14/5192).
De griffier heeft het verzoek doorgezonden naar het Hof, omdat naar het oordeel van de griffier niet de rechtbank maar het Hof bevoegd is. Eiser is van de doorzending bij brief van 2 mei 2019 op de hoogte gesteld.
Bij brief van 3 juli 2019 heeft eiser gepersisteerd in zijn verzoek aan de rechtbank om schadevergoeding.
Overwegingen
1. De rechtbank doet gelet op artikel 8:54, in verbinding met artikel 8:94, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Eiser betoogt dat de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188), bevoegd is te oordelen over zijn verzoek om schadevergoeding.
3. In een geval waarin wordt verzocht om schadevergoeding wegens trage rechtspraak dient de Staat als procespartij te worden aangemerkt.
4. In artikel 8:91, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het verzoek om schadevergoeding wordt gedaan gedurende het beroep tegen of het hoger beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit, het wordt ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep of het hoger beroep aanhangig is. Titel 8.4 van de Awb – waarvan deze bepaling deel uitmaakt – wordt overeenkomstig toegepast indien het verzoek om schadevergoeding is gedaan op grond van overschrijding door de bestuursrechter van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5. Tussen de door eiser overgelegde stukken bij zijn brief van 26 april 2019 bevindt zich een brief van het gerechtsbestuur van het Hof van 12 juli 2016. Uit die brief komt naar voren dat de Afdeling op 23 juli 2015 en 30 juli 2015 uitspraken heeft gedaan op de hoger beroepen van eiser tegen de uitspraken van de rechtbank van 6 maart 2015. Verder komt daaruit naar voren dat de Afdeling ook correspondentie naar het Hof heeft gestuurd, maar dat het Hof die correspondentie niet beschouwt als een hoger beroepschrift, omdat al door de Afdeling op het hoger beroep is beslist.
6. Hoewel uit het voorgaande volgt dat volgens het gerechtsbestuur van het Hof geen procedure loopt bij het Hof, terwijl er blijkbaar wel onherroepelijke uitspraken van de Afdeling voorliggen, is het verzoek van eiser om een schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM niettemin gestoeld op zijn stelling dat het Hof nog immer in gebreke is uitspraken te doen op zijn hoger beroepen. Gelet op die insteek van het verzoek is de rechtbank overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid, van de Awb kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Omdat eiser heeft volhard in zijn stelling dat de rechtbank bevoegd is, zal de rechtbank de brief van 3 juli 2019 niet per brief van de griffier doorzenden naar het Hof, maar uitspraak doen.
7. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank beschikt niet over de genoemde uitspraken van de Afdeling van 23 juli 2015 en 30 juli 2015, omdat eiser die in deze procedure niet heeft overgelegd en de uitspraken voorts niet zijn gepubliceerd. Indien eiser in het kader van die afgesloten procedures een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zou hebben willen richten aan de bestuursrechter, dan zou de rechtbank mogelijk wel bevoegd zijn geweest, maar dan zou zo’n verzoek niet succesvol zijn omdat die procedures in totaliteit minder dan vier jaar in beslag hebben genomen, zodat de redelijke termijn niet is overschreden.
8. De rechtbank zal zich gelet op wat onder 6 is overwogen onbevoegd verklaren.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Gelet op artikel 2.5, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017 heeft de griffier afgezien van het heffen van griffierecht.
Beslissing
De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 augustus 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.