Zie o.a. TK 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 4.
Rb. Den Haag, 05-12-2024, nr. AWB - 23 , 2304
ECLI:NL:RBDHA:2024:20487
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
05-12-2024
- Zaaknummer
AWB - 23 _ 2304
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2024:20487, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 05‑12‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2026:114, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:RBDHA:2024:22010, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 10‑09‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBDHA:2024:18624, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 09‑07‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2025:2836, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2024121901
Sdu Nieuws Belastingzaken 2024/1519
FutD 2024-2681
NDFR Nieuws 2025/4
NLF 2025/0060
NTFR 2025/161 met annotatie van mr. A.C.M. de Vries
Viditax (FutD) 2025012109
FutD 2025-0162
NDFR Nieuws 2025/148
NLF 2025/0234
NTFR 2025/300 met annotatie van Mr. K.M.G. Demandt
Viditax (FutD) 2024112601
Sdu Nieuws Belastingzaken 2024/1383
FutD 2024-2495
NLF 2024/2702
NDFR Nieuws 2024/1990
NTFR 2025/108 met annotatie van Mr. E.H.A.M. Thijssen
Uitspraak 05‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Schenkbelasting: toepassing BOR op schenking van aandelen. Bezitsvereiste van artikel 35d, lid 1, onderdeel c van de Successiewet.
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/2751
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. P.R.J. van Schothorst)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres een aanslag schenkbelasting opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op het bezwaar van eiseres van 10 januari 2024 de aanslag gehandhaafd.
Eiseres is tegen die uitspraak in beroep gekomen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2024.
Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [naam 1] , [naam 2] en mr. [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Sinds 1986 zijn de heer [de vader] (vader) (51%) en mevrouw [de moeder] (moeder) (49%) aandeelhouders van [bedrijfsnaam 1] B.V. ( [bedrijfsnaam 1] ). In verband met het overlijden van vader zijn op 6 september 2017 de aandelen van vader aan moeder toebedeeld.
2. Op 7 september 2020 is [bedrijfsnaam 1] juridisch gesplitst. Daarbij ontstond [bedrijfsnaam 2] B.V. [bedrijfsnaam 2] ). Vervolgens heeft moeder, op dezelfde dag, alle aandelen in S aan eiseres geschonken.
3. Op 17 december 2020 heeft eiseres aangifte van de schenking door moeder van de aandelen S gedaan. Daarbij heeft zij een beroep gedaan op de voorwaardelijke vrijstelling van artikel 35b van de Successiewet (Sw), de zogenoemde bedrijfsopvolgingsregeling (BOR).
4. Op 31 juli 2023 is, in afwijking van de aangifte, de aanslag schenkbelasting vastgesteld. In de aanslag is voor 49% (van € 205.349, oftewel voor € 100.621) de BOR toegepast. Rekening houdend met de latentie (€ 6.360) en jaarlijkse vrijstelling (€ 5.515) is het te betalen bedrag aan schenkbelasting vastgesteld op € 9.228.
Geschil
5. In geschil is of verweerder bij het opleggen van de aanslag terecht de toepassing van de BOR heeft beperkt tot 49% van de door eiseres krachtens schenking verkregen aandelen S.
6. Verweerder stelt dat de BOR niet van toepassing is op 51% van de aandelen S, omdat moeder de desbetreffende aandelen [bedrijfsnaam 1] binnen vijf jaar voor de schenking heeft verkregen. Daarmee wordt volgens verweerder niet voldaan aan het bezitsvereiste van artikel 35d, eerste lid, onderdeel c, van de Sw.
7. Eiseres stelt dat ook ten aanzien van die 51% van de aandelen aan voornoemd bezitsvereiste is voldaan. Haar standpunt berust ten eerste op de manier waarop zij artikel 35d, eerste lid, onderdeel c, van de Sw uitlegt, waarbij zij verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:990. Ten tweede moet volgens haar de periode dat de aandelen [bedrijfsnaam 1] in bezit van vader waren (sinds 1986), meetellen voor de bepaling van de bezitstermijn van deze aandelen bij moeder.
Beoordeling van het geschil
8. Op grond van artikel 35b van de Sw geldt een voorwaardelijke vrijstelling van het schenkingsrecht bij – kort gezegd en voor zover van belang – schenking van ondernemingsvermogen door een kwalificerende schenker.
9. Artikel 35c, eerste lid, van de Sw bepaalt, voor zover van belang, dat onder de verkrijging van ondernemingsvermogen wordt verstaan:
“1. (…) de verkrijging van:
a. een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2011, of een gedeelte daarvan;
b. (…);
c. vermogensbestandelen die bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang (…) mits het lichaam waarop het belang betrekking heeft een onderneming drijft als bedoeld in onderdeel a (…);
d. (…).”
10. Artikel 35d, eerste lid, van de Sw bepaalt, voor zover van belang, dat voor toepassing van de BOR:
“ 1. (…) onder erflater of schenker [wordt] verstaan een erflater die gedurende vijf jaren tot de schenking:
a. ondernemer was in de zin van artikel 3.4 of artikel 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de in artikel 35c, eerste lid, onderdeel a bedoelde onderneming;
b. (…);
c. aanmerkelijkbelanghouder was van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c (…);
d. (…).”
11. In artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting (Uitvoeringsregeling) zijn uitzonderingen op de in artikel 35d, eerste lid, van de Sw gestelde bezitseis geformuleerd.
12. Eiseres legt de geciteerde bepalingen zo uit, dat degene die gedurende vijf jaar een aanmerkelijk belang houdt als ‘schenker’ in de zin van artikel 35d, eerste lid van de Sw kwalificeert en dat die kwalificatie volstaat voor toepassing van de BOR op alle aandelen in de desbetreffende vennootschap, dus ook die waarmee het aandeelhouderschap binnen de termijn van vijf jaar is uitgebreid. De rechtbank volgt eiseres daarin niet.
Doordat in artikel 35d, eerste lid, onderdeel c, van de Sw wordt verwezen naar artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, van de Sw, geldt als vereiste dat de aandelen die worden geschonken gedurende vijf jaar in het bezit van de schenker waren. Anders gezegd, onder “de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c” worden geen andere vermogensbestanddelen verstaan dan die, welke “bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang”. Uit de tekst van de bepalingen volgt daarmee dat indien en voor zover een aandelenbelang wordt uitgebreid, daarvoor een nieuwe, op zichzelf staande bezitstermijn aanvangt.
Ook de systematiek duidt daar op. Voor het geval van schenking van ondernemingsvermogen (artikel 35c, eerste lid, onderdeel a, van de Sw) heeft de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:647, geoordeeld dat de BOR niet van toepassing is op het gedeelte waarmee het relatieve aandeel in de onderneming gedurende vijf jaar voor de schenking wordt uitgebreid. Aangezien de wetgever nadrukkelijk heeft bedoeld de overgang van aandelen zoveel mogelijk gelijk te behandelen als de rechtstreekse overgang van ondernemingsvermogen,1.moet hetzelfde gelden voor de uitbreiding van het relatieve aandeel in een vennootschap.
De verwijzing van eiseres naar het arrest van 29 mei 2020 gaat niet op. Dat arrest gaat over de uitbreiding van de objectieve onderneming binnen de termijn van vijf jaar en behandelt een andere vraag dan die van vergroting van de subjectieve gerechtigdheid tot de onderneming.
Daarmee volgt zowel uit de tekst als de systematiek van de bepalingen dat het bezitsvereiste van vijf jaar geldt voor ieder vermogensbestanddeel afzonderlijk, zodat ten aanzien van 51% van de aandelen niet aan de voorwaarden van artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, van de Sw is voldaan.
13. Eiseres stelt verder dat moeder 51% van de aandelen [bedrijfsnaam 1] krachtens erfrecht van vader verkregen heeft, waardoor de periode waarin vader de aandelen heeft gehouden moet worden toegerekend aan moeder. Daarbij wijst eiseres op doel en strekking van de BOR.
14. In artikel 9 van de Uitvoeringsregeling is een aantal concrete gevallen opgenomen, waarin bij overdracht van ondernemingsvermogen de voorgaande bezitsperiode mee-overgaat. Daarin is onder andere voorzien bij overgang onder algemene titel krachtens fusie, huwelijksvermogensrecht en als de erflater het door hem nagelaten ondernemingsvermogen binnen een jaar voor zijn overlijden krachtens erfrecht of schenking heeft verkregen.
De bepaling voorziet niet in de situatie, zoals onderhavige, van verkrijging krachtens erfrecht door de schenker binnen vijf jaar voorafgaand aan de schenking. Dat geval wijkt in zoverre af van de gevallen waarin artikel 9 Uitvoeringsregeling voorziet, dat partijen het moment van de schenking en daarmee de duur van de bezitsperiode zelf in de hand hebben. Mede met het oog daarop moet worden aangenomen dat de besluitgever bedoeld heeft met artikel 9 Uitvoeringsregeling uitputtend te regelen in welke gevallen het bezitsvereiste van artikel 35d, eerste lid, van de Sw wordt genuanceerd. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat daarmee geen ruimte voor een op doel en strekking van de wet gebaseerde, van deze bepalingen afwijkende wetstoepassing. De rechtbank verwerpt ook deze stelling van eiseres.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen moet het beroep ongegrond worden verklaard.
Proceskosten
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. D.M. Drok en
mr. A. van Doesum, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑12‑2024
Uitspraak 10‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Vergrijpboetes zijn terecht aan bekenner buitenlandse bankrekening opgelegd. Verweerder heeft opzet aangetoond. De rechtbank matigt nog wel de vergrijpboetes in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 23/5061 t/m SGR 23/5067
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2024 in de zaken tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Aan eiser zijn voor de belastingjaren 2010-2011 (zaaknummers SGR 23/5061 respectievelijk SGR 23/5062), 2014-2016 (SGR 23/5063, SGR 23/5064 respectievelijk SGR 23/5065) en 2018 (SGR 23/5066) navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij zijn rente- en boetebeschikkingen gegeven. Voorts is aan hem de primitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 opgelegd in afwijking van de door hem ingediende aangifte (SGR 23/5067). Daarbij is een rentebeschikking gegeven.
Eiser heeft tegen de hem opgelegde (navorderings)aanslagen, de rente- en boetebeschikkingen bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft in één geschrift, gedateerd 11 juli 2023, de bezwaarschriften afgewezen. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van de bezwaarschriften. Het griffierecht is geheven in de zaak met nummer SGR 23/5061.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2024.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen doormr. [naam 1] en mr. [naam 2].
De onderhavige beroepen zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van de echtgenote van eiser (de echtgenote) met de zaaknummers SGR 23/4977 t/m SGR 23/4984.
Overwegingen
Feiten
1. Eiser is gehuwd. Hij en zijn echtgenote hebben zich in 1998 in Nederland gevestigd. Zij hebben voor de onderhavige jaren steeds aangifte IB/PVV gedaan.
2. In de aangiften van eiser en zijn echtgenote hebben zij geen andere buitenlandse vermogensbestanddelen verantwoord dan in de navolgende jaren en tot de navolgende bedragen:
jaar | Rekening | Saldo |
2013 | Coral Consors Bank | € 3.310 |
2014 | Coral Consors Bank | € 5.000 |
2015 | Coral Consors Bank | € 500 |
2017 | BNP Paribas Entrade | € 200 € 75. |
3. Bij brief van 14 januari 2021 heeft verweerder aan eiser laten weten te beschikken over de informatie dat eiser en/of zijn echtgenote houder is (geweest) van een of meer in Duitsland aangehouden bankrekeningen. In deze brief deed verweerder het verzoek om middels het bijgevoegde formulier een opsomming te geven van alle in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen. Daarop hebben partijen verder gecorrespondeerd en heeft verweerder verdere verzoeken om informatie gedaan.
4. Uit de door eiser aan verweerder verstrekte gegevens blijkt dat hij in de onderhavige jaren houder was van rekeningen bij Cortal Consors (rechtsvoorganger van BNP Paribas) en Comdirekt Bank AG in Duitsland, en van Ameritrade en Etrade Securities in de Verenigde Staten. Daaruit bleek voorts van aanzienlijk hogere saldi dan in de aangiften voor de jaren 2013 tot en met 2015 en 2017 waren verantwoord. Eiser heeft verklaard dat de Duitse rekeningen deels zijn gevoed met bedragen die hij uit de nalatenschap van zijn vader ontvangen had, en dat de Amerikaanse rekeningen hun oorsprong vinden in het beloningspakket ter zake van een voormalige arbeidsbetrekking bij een Amerikaanse werkgever.
5. Bij brief van 18 februari 2022 zond verweerder een overzicht aan eiser met de bedragen van de voorgenomen navorderingen en, voor wat betreft het jaar 2019, een voorgenomen afwijking van de aangifte. In deze brief stelde hij eiser voorts op de hoogte van zijn voornemen vergrijpboetes op te leggen. Na correspondentie over de wijze van toedeling van het box 3-inkomen aan eiser en zijn echtgenote heeft verweerder tussen begin mei en medio december 2022 voor de jaren 2009-2019 (navorderings)aanslagen IB/PVV, rentebeschikkingen en boetebeschikkingen opgelegd. Voor het jaar 2019 is geen navorderingsaanslag opgelegd maar is bij het opleggen van de primitieve aanslag aan eiser afgeweken van de aangifte.
6. In oktober en november 2023 heeft verweerder twee verminderingsbeschikkingen genomen uit hoofde van de Wet rechtsherstel box 3. Een daarvan heeft betrekking op de aan de echtgenote ter zake van het jaar 2017 opgelegde navorderingsaanslag en de ander op de navorderingsaanslag die ter zake van het jaar 2018 aan eiser is opgelegd, steeds met de rente- en boetebeschikkingen daarbij.
7. Bij brieven van 1 september 2022 en 5 december 2022 heeft verweerder de termijnen voor de beslissingen op de bezwaren met zes weken verdaagd. In de brief van 5 december 2022 had verweerder aan eiser gevraagd in te stemmen met verlenging van de uitspraaktermijn. Daar heeft eiser niet in bewilligd. Verweerder heeft de uitspraken op bezwaar gedaan op 11 juli 2023.
Geschil
8. In geschil is of de (navorderings)aanslagen dienen te worden vernietigd. Verder is in geschil of de boetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aan hem opgelegde (navorderings)aanslagen, rente- en boetebeschikkingen moeten worden vernietigd, omdat verweerder niet heeft beslist op de bezwaarschriften binnen de termijn van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder stelt eiser dat de boetebeschikkingen vernietigd, althans verlaagd moeten worden, omdat zijn handelen niet werd ingegeven door de intentie belasting te ontduiken.
10. Volgens verweerder heeft de overschrijding van de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar geen consequenties voor de (navorderings)aanslagen en rente- en boetebeschikkingen. Hij meent de voor het opleggen van de boetes vereiste opzet te hebben aangetoond.
Beoordeling van het geschil
(Navorderings)aanslagen en rentebeschikkingen
11. Het eerste lid van artikel 7:10 van de Awb schrijft voor dat het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken na de laatste dag van de bezwaartermijn. Op grond van het derde lid kan het bestuursorgaan de uitspraak met zes weken verdagen en krachtens het vierde lid is verder uitstel mogelijk voor zover de belanghebbende daarmee instemt. Nu verweerder zonder instemming van eiser ruim later dan twaalf weken na de laatste dag van de bezwaartermijn op de bezwaren heeft beslist, staat vast dat hij de termijn van artikel 7:10 van de Awb heeft overschreden.
12. De wet verbindt geen ander gevolg aan overschrijding van de termijn van artikel 7:10 van de Awb, dan dat alsdan de mogelijkheid bestaat om een dwangsom te verzoeken (artikel 4:17 van de Awb) en rechtstreeks in beroep kan worden gekomen (artikel 6:12 van de Awb). Uit de algemene rechtsbeginselen volgt evenmin dat enig (ander) gevolg aan schending van artikel 7:10 van de Awb moet worden verbonden.
13. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat de overschrijding van de termijn van artikel 7:10 van de Awb moet leiden tot vernietiging van de bestreden (navorderings)aanslagen en rentebeschikkingen.
14. Er zijn overigens geen gronden tegen de (navorderings)aanslagen en de rentebeschikkingen aangevoerd en de rechtbank is ook niet ambtshalve gebleken van strijd met enige rechtsregel rond het opleggen daarvan. Zij zal daarom de beroepen tegen de (navorderings)aanslagen en rentebeschikkingen ongegrond verklaren, behalve die ter zake van het jaar 2018. Het beroep ter zake van dat jaar (SGR 23/5066) zal de rechtbank gegrond verklaren, nu verweerder de navorderingsaanslag en de rente- en boetebeschikkingen ter zake van dat jaar hangende het beroep verminderd heeft (r.o. 6 hiervoor).
Boetebeschikkingen
15. Verweerder heeft gelijktijdig met de aan eiser opgelegde navorderingsaanslagen vergrijpboetes aan hem opgelegd op de voet van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), van 150% van de in die navorderingaanslagen begrepen, niet in de aangiften verantwoorde box 3-inkomsten. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat het primair aan de (voorwaardelijke) opzet en subsidiair aan de grove schuld van eiser is te wijten dat de aanslagen voor de desbetreffende jaren steeds tot een te laag bedrag waren vastgesteld.
16. Verweerder draagt de last te bewijzen dat de bestanddelen van de beboetbare gedraging zijn vervuld. Dat betekent dat buiten redelijke twijfel moet komen vast te staan dat eiser opzettelijk onjuiste aangiftes heeft ingediend en dat als gevolg daarvan de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld.1.
17. Eiser heeft ter zitting erkend dat de aangiftes voor de onderhavige jaren onjuist waren, namelijk doordat de Duitse- en Amerikaanse rekeningen daarin nagenoeg geheel niet waren verantwoord, en dat hij zich ervan bewust was dat als gevolg daarvan de primitieve aanslagen tot te lage bedragen zouden worden vastgesteld.
18. Eiser bestrijdt evenwel de door verweerder gestelde opzet. In zijn brief aan verweerder van 10 maart 2022 heeft hij daartoe aangevoerd:
“ We did not false report our properties abroad, we simply did not report them at all. The reason was not tax evasion, as you say, the reason was simply avoid the trouble to get access to accounts that I have not logged into for many years and needed to get all the access data (…)”
In zijn beroepschrift heeft eiser dit verweer samengevat weergegeven als:
“ We did ignore the obligation of carefully filling the tax forms, but we did not try to intentionally withhold taxes.”
19. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in dit betoog het voor de vergrijpboetes vereiste opzet besloten. Opzet in de zin van artikel 67e van de AWR omvat ook voorwaardelijk opzet. Toegespitst op het onderhavige geval houdt voorwaardelijk opzet in dat willens en wetens de aanmerkelijke kans wordt aanvaard een onjuiste aangifte te doen waarvan het gevolg is dat de aanslag tot een te laag bedrag wordt vastgesteld.
20. Eiser betoogt dat het niet-aangeven van de Duitse- en Amerikaanse rekeningen erdoor werd gemotiveerd, de moeite te vermijden die ermee gepaard ging informatie over de rekeningen te verkrijgen. Ook als dat daadwerkelijk het overwegende motief was – de rechtbank laat dat in het midden –, doet dat niet eraan af dat eiser zich realiseerde dat het gevolg van zijn handelen zou zijn dat te weinig belasting werd geheven (r.o. 17 hiervoor). Dat heeft eiser aanvaard, als het onvermijdelijke gevolg van zijn streven verstookt te blijven van de moeite die de communicatie met de banken hem naar zijn verwachting zou kosten. Daarmee staat vast dat eiser minst genomen voorwaardelijk opzet had op een te lage belastingheffing.
21. Gegeven de opzet van eiser acht de rechtbank vergrijpboetes naar de helft van het boetemaximum van 300% passend en geboden. Feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor matiging van de boetes zijn niet gesteld of gebleken. Dat het veel moeite zou kosten de benodigde gegevens bij de banken op te vragen, is niet een zodanige omstandigheid.
22. Op grond van de voorgaande overwegingen verwerpt de rechtbank het beroep van eiser tegen de boetebeschikkingen.
Overschrijding redelijke termijn
23. Verweerder had bij brief van 18 februari 2022 aangekondigd voornemens te zijn vergrijpboetes op te leggen. Vanaf dat moment tot de onderhavige uitspraak is meer dan twee jaar en zes maanden verstreken. De redelijke termijn voor afdoening van het geschil over de boetes is met meer dan zes maanden, maar minder dan een jaar overschreden. De rechtbank ziet daarin ambtshalve aanleiding de boetes met 10% te matigen,2.tot de volgende bedragen:
2010: € 1.618
2011: € 2.357
2014: € 3.065
2015: € 1.641
: € 1.393
2018: € 3.160
Proceskosten
23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart de beroepen in de zaken met de nummers SGR 23/5061 t/m SGR 23/5065 en SGR 23/5067 ongegrond;
- -
verklaart het beroep in de zaak met nummer SGR 23/5066 gegrond;
- -
vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover betrekking hebbende op de aanslag IB/PVV 2018, de rentebeschikking voor het jaar 2018 en de boetebeschikkingen voor de jaren 2010, 2011, 2014, 2015, 2016 en 2018;
- -
vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.481 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.050 en vermindert de rentebeschikking 2018 dienovereenkomstig;
- -
vermindert de boetebeschikkingen voor de jaren 2010, 2011, 2014, 2015, 2016 en 2018 tot de bedragen genoemd in r.o. 22;
- -
bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar; en
- -
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op10 september 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑09‑2024
HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
Hof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o.. 5.7.3.7.
Uitspraak 09‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting. Verzoeken om teruggave terecht afgewezen. Eiseres heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk transacties hebben plaatsgevonden.
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 23/2304 t/m SGR 23/2314
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2024 in de zaken tussen
[eiseres 1] B.V., [eiseres 2] B.V. c.s., eiseres (gemachtigde: mr. F.H.H. Sijbers),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft in de periode van april 2020 tot februari 2022 elf keer maandaangifte omzetbelasting gedaan tot negatieve bedragen (verzoeken om teruggave).
Nadat de beschikkingen op de verzoeken om teruggave uitbleven, heeft eiseres op 15 juni 2022 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op die verzoeken. Bij uitspraak van 23 augustus 2022 heeft de rechtbank het beroep met betrekking tot acht van die verzoeken om teruggave gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen twee weken alsnog besluiten te nemen.
Op 6 september 2022 heeft verweerder de verzoeken om teruggave afgewezen.
Eiseres heeft op 12 oktober 2022 tegen die afwijzende beschikkingen bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft het bezwaar afgewezen bij uitspraak van 24 februari 2023.
Eiseres is bij brieven van 24 maart 2023 in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar. Op 25 april 2023 heeft zij de beroepen nader gemotiveerd.
Verweerder heeft op 1 juni 2023 verweerschriften ingediend.
Op 17 mei 2023 heeft verweerder nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2024.
Namens eiseres zijn verschenen mr. F.H.H. Sijbers en mr. B.F.M. de Koning. Namens de curator van [eiseres 2] BV was aanwezig mr. E. Griffioen. Namens verweerder zijn verschenen mr. [naam 1] , mr. [naam 2] , [naam 3] en mr. drs. [naam 4] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). In de periode waar de verzoeken om teruggave op zien, bestond eiseres uit [bedrijfsnaam 1] B.V. (Holding) en haar beide dochtermaatschappijen [eiseres 2] BV ( [eiseres 2] ) en [eiseres 2] Beheer BV (Beheer).
2. Op 30 november 2022 is het faillissement van [eiseres 2] uitgesproken. Vanaf dat moment
bestaat eiseres nog uit Holding en Beheer. Ter zitting heeft mr. Griffioen namens de curator verklaard dat de beroepsprocedure met zijn instemming wordt gevoerd.
3. [eiseres 2] handelde in metalen.
4. In de periode van maart 2020 tot en met januari 2022 heeft eiseres de volgende verzoeken om teruggave gedaan:
tijdvak teruggave
maart 2020 € 280.200
augustus 2020 € 265.733
december 2020 € 388.064
juni 2021 € 457.631
juli 2021 € 570.682
augustus 2021 € 266.509
september 2021 € 95.165
oktober 2021 € 155.335
november 2021 € 271.424
december 2021 € 202.329
januari 2022 € 199.371
5. De inspecteur heeft op ieder van deze aangiften gereageerd met aan eiseres gerichte verzoeken om informatie. In antwoord daarop heeft eiseres hem steeds alle facturen toegezonden die op de genoemde elf maanden betrekking hebben. De facturen maken melding van transacties tussen [eiseres 2] en de volgende vier ondernemers:
- [bedrijfsnaam 2] B.V., in de maanden maart, augustus en december 2020;
- [bedrijfsnaam 3] B.V., in juni en juli 2021;
- [bedrijfsnaam 4] B.V., in juni, juli, augustus, september en oktober 2021; en
- de heer [naam 5] , handelende onder de naam [bedrijfsnaam 5] , in oktober, november en december 2021 en januari 2022.
Volgens de facturen hebben de genoemde vier ondernemers in de vermelde maanden steeds zowel aan [eiseres 2] leveringen verricht, als goederen van [eiseres 2] betrokken. De facturen voor de leveringen aan [eiseres 2] werden door [eiseres 2] opgesteld (‘self billing’). De facturen ter zake van de leveranties door [eiseres 2] aan de genoemde vier ondernemers werden eveneens door [eiseres 2] opgesteld.
6. Tot de stukken van het geding behoren veertien overeenkomsten tussen [eiseres 2] en de vier ondernemers, waarmee maandelijks de op de aan- en verkoopfacturen vermelde en over en weer verschuldigde bedragen werden verrekend.
7. Verweerder heeft aanvankelijk de verzoeken om teruggave geweigerd, omdat volgens hem de vier hiervoor genoemde ondernemers btw-fraude hadden gepleegd en dat [eiseres 2] wist of had moeten weten dat zij met de aan- en verkoop van deze goederen deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, althans dat zij niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verlangd om ervoor te zorgen dat zij door de handelingen die zij verrichtte niet betrokken raakte bij belastingfraude.
8. Met dagtekening van 15 november 2022 heeft verweerder aan eiseres laten weten voor
de beoordeling van de bezwaarschriften, die eiseres tegen de weigering had ingediend, nadere informatie nodig te hebben en heeft hij haar gevraagd om:“ - Alle correspondentie en schriftelijke vastlegging met betrekking tot de quotaties van de
orders, de kwaliteitscontrole van de goederen door de leveranciers of [eiseres 2] , de inspectie van
de goederen, vastlegging van het land van herkomst van de goederen en vastlegging van
tijdstip en plaats van de leveringen;
- Alle informatie, correspondentie en overige stukken over de wijze waarop deze leveringen tot stand zijn gekomen;
- Alle interne en externe correspondentie met betrekking tot deze leveringen;
- De schriftelijke vastlegging van de leveringen aan [eiseres 2] ;
- Indien is afgeweken van de algemene voorwaarden de schriftelijke vastlegging hiervan;
- Indien mondeling afspraken zijn gemaakt de schriftelijke vastlegging hiervan.”
9. In de e-mail van 25 november 2022 liet verweerder in reactie op een bericht van
eiseres van de dag ervoor weten dat zijn verzoek om informatie betrekking had “op de beoordeling van de voorbelasting in kwestie” en bood hij haar de gelegenheid alsnog aan het verzoek om informatie te voldoen. Eiseres heeft in haar e-mail van 29 november 2022 aan verweerder laten weten dat hij wat haar betreft uitspraak op de bezwaarschriften kon doen op basis van het dossier zoals hem dat op dat moment ter beschikking stond. Verweerders daaropvolgende uitnodigingen voor een hoorzitting zijn zonder reactie gebleven.
10. Bij brief van 3 februari 2023 aan de curator van [eiseres 2] kondigde verweerder aan de bezwaarschriften te zullen afwijzen en gaf hij de motivering daarvoor. In deze brief stelde hij voorop:
“Ik kom tot de conclusie dat [eiseres 2] geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. [eiseres 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de materiële vereisten van artikel 15 Wet OB is voldaan. Meer specifiek neem ik het standpunt in dat [eiseres 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de goederen daadwerkelijk zijn geleverd aan [eiseres 2] .”
Voorts handhaafde verweerder, subsidiair, dat [eiseres 2] had moeten weten dat haar leveranciers btw-fraude pleegden, althans niet alles had gedaan dat redelijkerwijs van haar verwacht had kunnen worden om niet bij dergelijke fraude betrokken te raken. Verweerder heeft de bezwaren vervolgens afgewezen.
Geschil
11. In geschil is de afwijzing door verweerder van de in punt 4 hiervoor vermelde verzoeken om teruggave. Primair is in geschil of de transacties waaruit het recht op aftrek zou voortkomen hebben plaatsgevonden. Het standpunt van eiseres is dat zij genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de in de facturen genoemde goederen door de vier genoemde ondernemers aan [eiseres 2] zijn geleverd. Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat de in de facturen en de overeenkomsten van verrekening weergegeven transacties in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden, waardoor geen recht op aftrek heeft kunnen ontstaan.
12. Subsidiair is in geschil of eiseres het recht op aftrek moet worden ontzegd om de reden dat de vier ondernemers fraudeerden met omzetbelasting en eiseres zich daarvan bewust had moeten zijn, althans dat eiseres niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verlangd om ervoor te zorgen dat zij door de handelingen die zij verrichtte niet betrokken raakte bij belastingfraude. Eiseres stelt dat er geen aanknopingspunt voor is dat zij indertijd rekening had moeten houden met mogelijke fraude door (een of meer van) de vier genoemde ondernemers. Het standpunt van verweerder is dat deze vier ondernemers btw-fraude pleegden en dat eiseres daarvan wist, althans dat zij niet heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht om te voorkomen dat zij deel werd van een keten waarin btw-fraude werd gepleegd.
13. Tussen partijen is niet in geschil dat de saldi waarvan eiseres teruggave verzoekt geheel zijn terug te voeren op de btw die aan eiseres in rekening is gebracht op de door haar zelf opgestelde facturen (‘self billing’) ter zake van de gestelde transacties tussen [eiseres 2] en de genoemde vier ondernemers.
Vooraf
14. In zijn brief van 17 mei 2024 heeft verweerder een aanvulling van het verweerschrift en nadere stukken aan de rechtbank doen toekomen. Het hele pakket beslaat ruim 1.100 pagina’s. Desgevraagd heeft verweerder verklaard reeds op 13 juni 2023 over deze stukken te hebben beschikt en heeft hij aangegeven dat hij er geen goede reden voor had om tot elf dagen voor de zitting ermee te wachten alvorens deze stukken in te brengen. Eiseres heeft desgevraagd aangevoerd dat het voor haar, gelet op de omvang van de stukken, niet mogelijk is daar adequaat op te reageren.
15. De rechtbank overweegt dat ook ten aanzien van stukken die binnen de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn zijn ingediend, sprake kan zijn van strijd met de goede procesorde. Gelet op de aard en vooral de omvang van de stukken is daar naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake van. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat verweerder al sinds medio juni 2023 over de stukken beschikte en er zonder goede reden mee heeft gewacht tot elf dagen voor de zitting alvorens ze in te brengen. Dat de gemachtigde van eiseres in het kader van de strafrechtelijke procedure die loopt tegen één of meer aan eiseres verbonden personen al kon beschikken over (een deel van) deze stukken, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank laat deze nadere stukken derhalve als strijdig met de goede procesorde buiten beschouwing.
Beoordeling van het geschil
16. Op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op degene die vorenbedoeld recht op aftrek wil uitoefenen, rust in beginsel de last te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan, waaronder de voorwaarde dat de in rekening gebrachte kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met het jegens een ander verrichten van een prestatie onder bezwarende titel die niet is vrijgesteld van omzetbelasting.1.
17. Eiseres heeft gesteld dat de facturen ter zake van de leveringen aan [eiseres 2] in combinatie met de overeenkomsten van verrekening tussen [eiseres 2] en de vier andere partijen zodanig begin van bewijs vormen dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat de leveringen van goederen aan eiseres in werkelijkheid niet hebben plaatsgehad.
18. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De facturen ter zake van de gestelde leveringen aan [eiseres 2] zijn door [eiseres 2] zelf opgesteld (‘self-billing’) en zijn naar de stelling van eiseres geheel betaald door middel van verrekening met facturen ter zake van leveringen dóór [eiseres 2] , aan dezelfde ondernemers die volgens de facturen áán haar geleverd zouden hebben, en welke facturen eveneens door [eiseres 2] zijn opgesteld. Gelet hierop maakt eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, met enkel deze facturen en overeenkomsten van verrekening naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat is voldaan aan de materiële voorwaarde voor het aftrekrecht dat andere ondernemers aan de ondernemer ( [eiseres 2] ) leveringen hebben verricht.
19. Bovendien heeft verweerder de gestelde transacties niet slechts bloot weersproken, maar is door hem gesteld dat de door de vier ondernemers in de desbetreffende periode verantwoorde btw maar een fractie bedraagt wat het had moeten zijn op basis van de facturen; dat één van de vier ondernemers kort na de laatste (gestelde) transacties met eiseres is ontbonden en dat van de andere drie het btw-identificatienummer is ingetrokken; en dat bij de vier ondernemers ten dele dezelfde natuurlijke personen betrokken zijn.
20. Eiseres heeft gesteld dat verweerder te lang heeft gedaan over het nemen van de afwijzende beschikkingen en hij pas in de bezwaarfase het standpunt heeft betrokken dat eiseres de leveringen aan [eiseres 2] met bewijs diende te staven. Hierin volgt de rechtbank eiseres niet. Verweerder heeft eiseres bij brief van 12 oktober 2022 laten weten ter beoordeling van de bezwaarschriften nadere informatie nodig te hebben en heeft gepreciseerd welke gegevens hij in dat verband wenste te ontvangen. Dat waren alle gegevens die licht (kunnen) werpen op de totstandkoming en uitvoering van de gestelde leveringen. In zijn e-mail van 25 november 2022 heeft verweerder verduidelijkt die informatie te hebben gevraagd om het recht op vooraftrek te kunnen beoordelen. Eiseres heeft geen informatie verstrekt en heeft overigens ook niet gereageerd op de uitnodiging van verweerder voor een hoorgesprek. De uitspraak op de bezwaarschriften is er primair mee gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde leveringen aan [eiseres 2] daadwerkelijk hebben plaatsgehad. Daarmee lag het op de weg van eiseres om de door haar gestelde leveringen met bewijs te onderbouwen.
21. Voor zover eiseres met het voorgaande betoogt dat het door het handelen van verweerder voor haar onmogelijk of onevenredig moeilijk is geworden die leveringen aan te tonen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De in de vaststellingsovereenkomsten vermelde bedragen tellen op tot leveringen aan [eiseres 2] door de vier genoemde ondernemers van ruim meer dan € 74,5 mln. De rechtbank acht niet voorstelbaar dat transacties met een dergelijk volume niet in ruime mate voor eiseres eenvoudig beschikbare sporen zouden nalaten, mede in aanmerking genomen dat verweerder om die sporen vroeg toen nog niet drie jaar na de oudste en nog niet een jaar na de meest recente transacties waren verstreken. Wat eiseres over het handelen van de verweerder naar voren heeft gebracht, doet naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet eraan af dat zij bewijs had moeten bijbrengen van het werkelijkheidsgehalte van de door haar gestelde transacties.
22. Gelet op wat hiervoor is overwogen behoeft het subsidiaire standpunt van eiseres geen behandeling en dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. J.J. Arts en mr. A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2024.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑07‑2024
HR 29 september 2017, nr. 15/04099, ECLI:NL:HR:2017:2461.