De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.1:6.1 Opbouw en verhouding tot hoofdstuk 4 en 5
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.1
6.1 Opbouw en verhouding tot hoofdstuk 4 en 5
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369722:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit hoofdstuk gaat over de betekenis van de vrijheid van verenging van art. 11 EVRM voor het enquêterecht. Het begint met een kort overzicht van wat de vrijheid van vereniging van art. 11 EVRM inhoudt (par. 6.2). Vervolgens beantwoordt par. 6.3 de vraag in hoeverre de NV en de BV onder het beschermingsbereik van art. 11 EVRM vallen. Par. 6.4 staat stil bij het vereiste van art. 11 EVRM dat inmengingen in de vrijheid van vereniging necessary in a democratic society moeten zijn en wat dat betekent. Par. 6.5 bespreekt welke aspecten van de vrijheid van vereniging relevant zijn voor de enquêteprocedure.
Dit hoofdstuk 6 borduurt voort op hetgeen in par. 4.3.2.2 werd uiteengezet over de doorwerking van art. 11 EVRM in de deelrechtsorde en de wijze waarop de ondernemingskamer moet omgaan met de verplichtingen van de Staat uit hoofde van art. 11 EVRM. Voorts vertoont art. 11 EVRM bepaalde overeenkom-sten met art. 1 EP. Hetgeen dienaangaande in hoofdstuk 5 reeds is besproken, herhaalt hoofdstuk 6 niet.
Zo hoeven beide bepalingen niet ambtshalve te worden toegepast en vloeien uit beide bepalingen niet alleen negatieve verplichtingen voort, maar ook positieve.1 Wat betreft de negatieve verplichting geldt voor beide bepalingen geldt het onderscheid tussen enerzijds een inmenging (interference) en anderzijds een inbreuk (violation).2
Bovendien dienen inmengingen in art. 1 EP en art. 11 EVRM beide te zijn voorzien bij wet.3
Daarnaast bevat art. 11 EVRM ook vereisten die doen denken aan het algemeen-belang-vereiste en het proportionaliteitsvereiste. Daarbij geldt voor de lidstaten eveneens een margin of appreciation, waaraan evenwel de voorwaarde is verbonden dat de lidstaten hun afweging terzake expliciet moeten maken.4
Ook bij de toepassing van art. 11 EVRM streeft het EHRM naar een effectieve bescherming van de door het EVRM bestreken belangen en rechten, hetgeen eveneens meebrengt dat het EHRM beoordeelt wat er concreet aan de hand is en daarbij kijkt het EHRM zo nodig door het formele wettelijke kader van de lidstaten heen.5
Ook geldt wat betreft de toegevoegde waarde van art. 11 EVRM in grote lijnen wat ook in par. 5.2.2 is opgemerkt over art. 1 EP.